TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Hugo Claus: “De geruchten” (1996)

hugoclaus

De terugkeer van René Catrijsse, deserteur uit de koloniën en verwekt door een Vlaamse Obergruppenführer in de onzalige jaren veertig, veroorzaakt de nodige commotie in zijn Vlaamse geboortedorp Alegem. Het is een tamelijk gesloten dorp nabij Waregem, waarin de achterklap sterk aanwezig is en iedereen elkaar kent. Zijn komst veroorzaakt een reeks noodlottige incidenten die door de bewoners van het dorp als een “pest” beschrijven, veroorzaakt door de verloren zoon en zijn kompaan en mededeserteur Charlie. Beetje bij beetje kom je achter het schokkende verhaal van de onfortuinlijke René, die niet meer weet te aarden in het dorp dat hij een aantal jaar eerder verliet. Alles zit hem dan ook tegen: zoon van een moffenhoer, deserteur en verspreider van een mysterieuze ziekte uit de tropen. Twintig jaar later vertelt zijn broer Noël, die in zijn jeugd door moeder Alma op zijn hoofd is gevallen en als achterlijk wordt bestempeld, een gruwelijk verhaal dat tot een climax komt.

“De geruchten” is in eerste opzicht een bezinning over twee onverwerkte verledens: het trauma collaboratie waarover Claus reeds in onder andere “De verwondering” (1962) en “Het verdriet van België” (1983) heeft geschreven en het andere gaat over ons koloniale verleden in Kongo, waarover de protagonist van het verhaal minder fraaie dingen laat vallen. Een belangrijke rol speelt de Kap, de aanvoerder van René en Charlie die hen tot gruwelijke misdaden heeft aangespoord in Kongo, maar terug in het thuisland de bescherming heeft van hogerhand en alles in de doofpot wil steken. Daarnaast is het ook een herkenbare blik op het gesloten en bekrompen Vlaamse dorp, een orde van de schone schijn dat het deksel over de beerput aardig goed dicht heeft gemetseld. Claus wil laten zien dat zo’n deksel af en toe wel eens opengetrokken kan worden.

De verhaalstijl is een reeks korte hoofdstukken, waarbij telkens het perspectief wordt verschoven naar een ander personage. Op die manier krijg je snel het sociale weefsel van Alegem onder de loep, waardoor je met ieder hoofdstuk de nodige eindjes aan elkaar kan knopen. Dat maakt het boek overzichtelijk, al weet Claus deze perspectiefwisseling niet altijd consistent aan te houden en zie je in plaats van dat ene personage eerder Hugo Claus in de regiestoel zitten en het personage woorden in de mond leggen. Noël, de broer van René, die door een ongeval in zijn kinderjaren problemen heeft met zijn geheugen en als achterlijk wordt beschouwd, weet in beide delen verdomd scherpzinnig uit de hoek te komen en heeft in het tweede deel een geheugen waar ik soms jaloers op ben.

Een van de personages is het collectieve “wij”, dat je mag bekijken als het collectieve geweten van Alegem, namelijk de stamgasten van café Den Doofpot. “Wij” is telkens een plezier om te lezen, omdat Claus de gave heeft dialogen neer te pennen die ontzettend herkenbaar zijn wanneer je zelf een volkskroeg binnenstapt en aan de toog begint mee te praten over wat Jeanneke van de kapper zijn zuster haar schoonbroer heeft gezegd of met wie Elske van de bakker een affaire heeft. In die banale achterklap zit ook iets heel menselijks: onze nieuwsgierigheid heeft een aandoenlijke zijde, maar ook een schijnheilige. Die mentaliteit brengt Claus op een sublieme wijze aan het licht, zoals eerder genoteerd in deze blogpost.

Het geheel bestaat uit twee delen, waarvan het ene deel een half jaar in 1966 beslaat en het andere een vraaggesprek is tussen Noël en een oud-politiecommisaris. René is dan verdwenen en zijn broer denkt dat hij vermoedelijk ergens in Afrika rondzwerft. De lezer weet tegen dan wel anders. Dieu le veut. Bij aanvang van het tweede deel verwacht je dat de verhaallijn van twintig jaar eerder opnieuw wordt opgenomen, maar die komt er later pas bij kijken. Wat er juist in gebeurt ga ik niet verklappen, maar het is begrijpelijk dat Die Zeit op de achterflap van het boek spreekt over het “donkerste juweel onder al zijn romans”. Het onvoltooide verleden krijgt daar zijn bekomst. Vooral in het tweede deel weet Claus de spanning te doseren en er haast een thriller van te maken.

Ik voelde me af en toe op café in een Vlaams dorp bij het lezen van de roman, althans zeker het eerste deel, en hoewel ik op dit moment in het historische centrum van Antwerpen woon kan ik mij perfect inbeelden dat ik in een café achter de hoek dezelfde “geruchten” mag horen over mensen hier in de buurt als in een typisch café aan de dorpskerk. Ook buiten de romans wordt gesproken over onverwerkte verledens, of dat nu collectieve trauma’s zijn of hoogstpersoonlijke verledens die amper ter sprake worden gebracht, tenzij tussen pot en pint, waarbij de alcholische roes remmingen losmaakt en oude spanningen even vrij laat. Dat “wij”-perspectief dat Claus hier en daar bijhaalt om de eindjes aan elkaar te knopen is misschien gewoon jij en ik, die samen aan de toog zitten van het café hier achter de hoek om op verhaal te komen.

P.

 

Advertenties

Uit: “De geruchten” van Hugo Claus (1996)

4e113d91-9ec8-11e7-bbe7-02b7b76bf47f

Wij zitten in De Doofpot te wachten tot de mis uit is en de vrouwen terugkomen van de jaardienst van Félicien zijn moeder, wij hebben geen zorg aan ons hoofd tenzij de voetbalmatch van vanmiddag, de kwaliteit van het West-Vlaams bier die snel achteruitgaat met al hun chemisch gepruts, de verkiezingen, maar we gaan u daarmee niet lastigvallen, wij worden geregeerd door een professor als eerste minister, meer zeg ik niet, tenzij ge de gemeenteraadsverkiezingen bedoelt, in dat geval moet ge alleen maar onthouden dat Willem Naessens als burgermeester drieënveertig hectaren landbouwgrond omgetoverd heeft in bouwgrond, Jezus in Cana met zijn water-in-wijn kan daar niet aan tippen, meer zeg ik niet, tenzij ge mij vraag of meneer Cantillon een serieuzere kandidaat is, waarop ik u recht in uw gezicht zeg dat het allemaal één pot nat is, en een normale doorsneemens geraakt niet tot bij die pot, vandaar dat de jonge gasten tegenwoordig zo rebels zijn, zie ze daar eens staan bij de jukebox met hun lang haar en hun losse hemden en hun werkmansbroeken met verkleurde gulpen, waar gaan we naartoe als ge van achteren het verschil niet meer ziet tussen een jongen of een meisje? En dat ge in uw eigen café mekander niet kunt verstaan omdat die jonge gasten staan te wiebelen en te zingen met vrouwenstemmen? We stellen de vraag aan Meester Arsène die op zijn manier een zielkundige is en hij houdt een heel verhaal over de economische kenmerken en redenen en oorzaken van opstandigheid door de eeuwen heen, ge kunt het al raden, voordat we ’t weten zijn we bij de filosofie beland waarop Meester Arsène zegt dat ge de filosofie ook op een on-filosofisch geschoolde manier kunt lezen, enfin, ge hoort het, wij zijn voor de zoveelste keer vertrokken in niemandsland en niemand ziet er klaar in, alhoewel Meester Arsène zegt dat hij voor de Verlichting is, maar wie zou er nu tegen verlichting zijn in Alegem met al zijn straatlantaarns?

Nino Haratischwili: ‘Het achtste leven’ (2014)

Georgie (71 van 151).jpg

Foto van de auteur

Aan Georgië hou ik fantastische herinneringen over – op een verkeerd op de maag belande partij khinkali en een overdosis tsjatsja na is het een machtige bestemming. Het gaat niet alleen om een land met een onwaarschijnlijk mooi stel bergen en een rijke oeroude cultuur, maar bovenal hebben de mensen mij verrast met hun onvervalste gastvrijheid en charmerende nonchalance. De ontspannen cafécultuur van Tbilisi, de dronken winkelier Davit die me uitnodigde om liters  zelfgemaakte wijn te drinken en dan heb je nog hier en daar het goedkeurende oog van een schalkse Stalin, dit allemaal temidden van een grandioze natuur. Er is een gezegde uit de Koude Oorlog dat slechte Sovjets naar de hel gaan en goede Sovjets naar Georgië. Toen ik daar was, begreep ik wat ze daarmee bedoelden. Toen mijn oog dus viel op een Georgisch familie-epos van de fictieve familie Jasji over een periode van meer dan een eeuw, ofwel 6 generaties, dat wordt vergeleken met Tolstoj en maar liefst 1200+ pagina’s telde, kon ik me niet inhouden.

Het verhaal neemt zijn aanvang in 2006, waar Nitsa, de vertelster, het verhaal van haar familie vertelt aan Brilka, haar nichtje dat op bezoek kwam en wegglipt om op haar eentje naar Wenen te gaan. Ze begint haar verhaal met Anastasia ‘Stasia’ Jasji, de dochter van een succesvolle chocoladefabrikant, in een klein Georgisch stadje aan de grens met Azerbeidzjan in het tijdperk van tsaar Nicolaas II. Haar vader wist met een geheimzinnige kruidenmix een sublieme warme chocolade te maken die in het verhaal van de familie een belangrijke en soms onheilspellende rol speelt. De familiegeschiedenis van de Jasji’s neemt ons meer dan eeuw op sleeptouw, niet alleen in de Sovjet-Unie en de Kaukasus, maar ook naar het hippe Londen van de sixties en seventies en de Praagse Lente van 1968, waar Kitty Jasji, oudtante van Nitsa, een onverwachts icoon wordt van het verzet tegen het regime. De personages ervaren de enorme impact van historische gebeurtenissen: bloedige wereldoorlogen, verscheurende burgeroorlogen, de opkomst en val van de Sovjet-Unie zijn in hun geheel te omvangrijk om in éen boek te omschrijven, laat staan dat ik het in een recensie kan doen. Het is heel wat, geloof me.

Voor het eerst wist ik mijn weg te banen in de waterval aan namen en bijnamen in het verhaal, zonder dat ik daarvoor telkens naar de achterste pagina’s moet zoeken wie juist nu weer die of deze persoon is. Dat heeft te maken met de wijze waarop Haratischwili elk personage een eigen stem heeft gegeven en een heldere vertelstijl heeft. Ieder hoofdstuk mag de naam dragen van een personage waarop de focus ligt, ze weet toch alle andere personages naadloos te verweven in het verhaal, dat op een flashback na mooi chronologisch is gestructureerd. Soms werd ik zo meegezogen in het verhaal dat ik het betreurde dat de jaren leken te vliegen en zo het einde betekenden van personages die ik graag nog beter had leren kennen.

Tussen de stamvader en Brilka zit een enorme brok geschiedenis. Gelukkig heb je nooit het gevoel dat die door je strot word geramd en weet Haratischwili het juist te doseren. Er zijn ook geen lange geschiedfilosofische mijmeringen à la Oorlog en vrede te vinden, die zijn kort gehouden, maar krachtig genoeg om je zelf aan het denken te zetten. Haratischwili weet je bovenal de ervaring van die dramatische geschiedenis mee te geven waardoor je je betrokken voelt tot het verhaal. De verbolgingen over de autoritaire Kostja en tegelijk medelijden met de man die zijn tanende macht en het verval van zijn carrière maar moeilijk kan verkroppen, de tragische levensloop van de mooie Christina en de vrijgevochten Kitty of de manier waarop Stasia er iedere keer in slaagt de oorlogsfronten te trotseren om haar geliefden op te zoeken worden zo krachtig geschreven dat de geschiedenis die erbij komt te kijken er als zoete koek in gaat. Ze weet ook met de nodige nuance het leven onder het communisme te beschrijven. In plaats van de klassieke rigiditeit aan te kaarten, beschrijft ze hoe ambigue het Sovjetregime was.

Een mooie symboliek in het boek is het verhaal van de wandtapijt, verteld door Stasia aan achterkleindochter Nitsa, de vertelster van het verhaal. We vormen allemaal draden van een wandtapijt en zichzelf zijn we maar een klein deel, maar als je ze in hun samenhang bekijkt ontdek je patronen. ‘Tapijten zijn geweven van verhalen’, legt Stasi uit. ‘Dus moet je ze bewaren en onderhouden. Ook al heeft dit tapijt jarenlang ergens ingepakt gelegen en als voer voor de motten gediend, het moet nu herleven en ons zijn verhalen vertellen. Ik weet zeker dat wij er ook in verweven zijn, al hadden we daar geen idee van.’ Het tapijt is een metafoor voor het verhaal van de mensheid en elke draad is verbonden met duizenden verhalen.

Al bij de Tolstojvergelijking wist ik dat deze roman een soapgehalte zou hebben. Dat is bij familiegeschiedenissen misschien onvermijdelijk, maar ik zie dat niet als een slecht punt. Een mensenleven bestaat nu eenmaal uit het delen van lief en leed en die banaliteit vanwaar we in eerste instantie juist willen vluchten als we een boek vastnemen. Dat maakt een verhaal ook levensecht: je kan geen psychologische diepgang krijgen in een verhaal waarin het hoofdpersonage geen verveling kent of de keuzes van zijn leven betreurt en de grillen van het lot ondergaat. De personages in Het Achtste Leven zijn uit het leven gegrepen, hun karakterontwikkeling is herkenbaar. Zo ervaar je met hen het aan diggelen liggen van dromen, leer je het opportunisme begrijpen van sommige personages zoals de stugge houding van Kostja die zijn familie wil beschermen en tegelijk ook in dezelfde lijn probeert te krijgen. Het leven is aanmodderen en met wat geluk krijg je ergens vaste grond waarop je een gelukkig bestaan weet uit te bouwen. Het is echter geen zekerheid dat dit geluk blijft voortbestaan, want morgen kan het gedaan zijn.

Ik heb Georgië nog beter leren kennen dankzij dit boek. Het is een frappant land waar twee van de grootste beulen van de wereldgeschiedenis vandaan komen, Beria en Stalin, maar ook een ontzettend gastvrij en trots volk dat ondanks het leed, de onderdrukking, het verdriet en de niet geheelde wonden het glas heft en elkaar toedrinkt. Ja, zij hebben kleine kantjes maar wie heeft die niet? Het paradijs dat de Sovjets hebben gezien in Georgië is er ondanks de rode eeuw vol tegenstrijdigheden wat mij betreft nog altijd te vinden. Geen tijd of geld om naar daar te gaan? Dan is dit boek een goed plan B.

P.

‘Bitches Brew’, Miles Davis (1970)

‘De live-improvisaties werden niettemin legendarisch: nummers liepen in elkaar over, terwijl de muzikanten, als in trance, golvende klanktapijten legden waarop Miles soleerde met lange, soms welhaast piepende uithalen. Het studiowerk vloekte op een andere manier met de gebruiken van de jazzwereld. Waar deze muziek altijd haar kracht had gehaald uit het hier en nu van het meticuleuze samenspel, leken de trompettist en producer Macero meer geïnteresseerd in de sfeer en densiteit die ze konden laten ontstaan door uit urenlange sessies de spannendste momenten samen te brengen. Net zoals George Martin en The Beatles hadden gedaan in de sessies voor Sgt. Pepper gebruikten ze de studio als instrument. Knip-en-plakwerk werd tot kunstvorm verheven, waarbij sommige instrumenten extra echo kregen, korte, geïmproviseerde stukjes in loop werden gezet of een solo meermaals in hetzelfde nummer konden worden geplakt waardoor het – met alle variatie en inventiviteit die de In a Silent Way- en Bitches Brew-sessies kenmerkten – leek alsof er geen einde kwam aan deze muziek.’

Uit: De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis van Geert Buelens (Ambo/Anthos, Amsterdam, 2018)

Joseph Roth: ‘Job’ (1930)

joseph_roth_28192629

Deze roman van Joseph Roth (1894-1939) over een “eenvoudig man” is gebaseerd op de Bijbelse Job. Wie de Bijbel er echter bij neemt merkt terecht op dat Job bij aanvang een welvarend man was, die alles had wat hij maar kon wensen van hem werd ontnomen. De Job in het verhaal van Roth is echter nooit rijk geweest en is best tevreden met zijn armoedige bestaan, tot hij verhuist en het noodlot tegen zich krijgt en uiteindelijk rebelleert tegen God. Job is Gods fucked up man: hoever kan je een gelovig man krijgen tot hij God, het object van zijn adoratie en veredeling, vervloekt en verwenst? Welk greintje hoop schuilt er nog in zo iemand en is de ommekeer mogelijk? Je weet dus dat je je verwacht aan een tragedie met dit werk en geloof me, die ga je ook krijgen.

Joseph Roths’ bekendste werk is ongetwijfeld De Radetzkymars (1932), een verbluffend relaas over het aristocratische geslacht Von Trotta dat het verval van de Oostenrijks-Habsburgse dubbelmonarchie beschrijft. Roth studeerde in Wenen en werkte vanaf 1920 in Berlijn als journalist en schrijver. Hoewel hij aanvankelijk progressieve standpunten had, liep hij na een reis naar de Sovjet-Unie al snel over naar het conservatieve kamp. Hij zag in het opkomende nationalisme een gevaar en zette zich af tegen de nazibeweging. In 1933 ontvluchtte hij Duitsland, dat onder het bewind van de nazi’s zijn boeken verbood. Zijn vrouw Friedl Reichler beland in het gesticht en is slachtoffer van het euthanasieprogramma van de nazi’s, een tragedie die hij zichzelf nooit kan vergeven. Hij doolt rond in Amsterdam en Parijs, waar hij in 1939 op 45-jarige leeftijd berooid stierf in een armenhospitaal. Zijn begraafplaats kan je vinden in het Cimétière de Thiais.

De Job in dit verhaal is de doodgewone vrome Joodse dorpsleraar Mendel Singer, die met zijn vrouw Debora en drie kinderen een bescheiden leven leidt in Zoechnov, tsaristisch Rusland. Ze leven in armoedige toestanden, zoals, maar hij is daar tevreden mee in tegenstelling tot zijn vrouw Debora die hem stilzwijgend verwijt. ‘Honderdduizenden voor hem hadden geleefd en lesgegeven zoals hij’, aldus Roth. Debora bevalt van een vierde kind, de gehandicapte zoon Menoechem, die de nodige zorgen nodig heeft. Volgens de ‘rebbe’, een geestelijke raadsman uit het naburige dorp, komt het echter goed met die kleine, maar die hoop blijft ijdel en meer dan ‘mama’ kan hij na vele jaren niet zeggen. Beide zoons trekken naar het tsaristische leger, waar zoon Jonas blijft. Zoon Sam emigreert naar New York, terwijl dochter Mirjam een relatie begint met een kozak. Deze situatie verandert wanneer Mendel via zijn geëmigreerde zoon de kans krijgt de grote oversteek te wagen. Om dat te doen moet hij zijn gehandicapte zoon achterlaten, in de hoop dat hij ooit gezond genoeg wordt om over te kunnen steken. In Amerika lijkt het hem voor de wind te gaan, want zoon Sam wordt een welvarend man.

Het noodlot slaagt echter toe: zijn beide zonen sneuvelen aan het front in de Grote Oorlog, zijn vrouw sterft van verdriet en zijn dochter moet hij noodgedwongen in een gesticht achterlaten nadat zij zowel haar broer als moeder op korte tijd verloor en daarmee ook haar verstand. Mendel wordt een schaduw van zichzelf en vervloekt, net als de Bijbelse Job, de God die hem in de steek heeft gelaten. Hij wordt echter liefdevol opgenomen in de gemeenschap en doet karweitjes voor zijn buurtgenoten. Zijn wens om ooit terug naar Zoechnov te keren om zijn zoon Menoechem te zien is er, maar hij weet ook dat dit ijdele hoop is. Menochem zou die oorlogswoede vast niet hebben overleefd. Mendel kwijnt stilaan verder weg, maar niet zonder zich aan een vage hoop vast te houden dat hij genoeg geld bijeen kan scharen om zijn enige overlevende zoon in Europa te gaan zoeken. Buren beschouwen hem als kinds en vrezen dat men met hem niets meer kan aanvangen.

Dan komt de ommekeer. Hij beluistert een plaat die ‘Het lied van Menoechem’ heet en wordt onwel. Het lied blijft hem achtervolgen. Dan meldt een ver familielid van Debora zich aan bij Mendel en blijkt zoon Menoechem te zijn, die inmiddels genezen is en een befaamd dirigent is geworden, niet toevallig de auteur van het lied dat Mendel achtervolgt. Mendel mag God hebben vervloekt, maar die heeft Mendel niet vergeten en vervult daarmee zijn wens om zijn zoon ooit bij leven en bij welzijn te zien. Het verhaal eindigt met een gelukkige Mendel die weer zin krijgt in het leven en de kwade dagen van weleer een plaats kan geven. Net zoals zijn Bijbelse tegenhanger gaat hij pas na lange jaren de goede dood in, omringd door vele kleinkinderen en ‘der dagen zat’. In het portret van zijn kleindochter herkent hij Debora en slaapt in, ‘en hij rustte uit van de zwaarte van het geluk en de grootte van de wonderen.’

Er zit een stevige brok Joodse cultuur gebakken in deze roman, die je als leek niet meteen kan ontwaren. Bij de geboorte van Menoechem gaat de vrouw van Mendel, Debora, te rade met de “rebbe” een dorp verderop, een soort wijze man met paranormale gaven. Hij drukt haar op het hart dat het met haar zoon goed zal komen. Hierin zit een profetie verbonden waarmee Roth de kern van het joodse geloof zou aanraken: het geloof in een verlossing en bevrijding van het lijden. Hoop, tegen beter weten in, omdat we geen idee hebben wat de plannen van de Allerhoogste zijn. We worden door de schepper getroffen door zegen en vloek, maar het is niet aan ons dat wij daarin een oordeel vellen over de rechtvaardigheid ervan.

Het boek kan je als een sprookje lezen: het begint goed en eindigt goed en dat is met de grimmige levensloop van de hoofdpersoon een mirakel te noemen. Roth heeft zich voor mij al bewezen met de Radetzkymars, hij hoefde zich dus in dit werk niet meer uit te sloven om me van zijn kunnen te overtuigen. De manier waarop Roth de tanende relatie tussen Mendel en zijn vrouw beschrijft of de eerste indrukken van New York mee mag beleven vanop de eerste rij is meesterlijk. Het is een sprookje dat het loutere moralisme, het oorspronkelijke doel van een sprookje, ver overstijgt en de kleine kantjes van de mens op een gevoelige plek weet aan te raken. Er zitten ook aardig wat autobiografische elementen van Roth in verwerkt: de zwervende Jood is voor hem een beeld dat hij maar al te goed kende en de achteruitgang van dochter Mirjam is gebaseerd op zijn eigen ervaringen met zijn vrouw die ook in een gesticht belandde. Voor Mendel loopt het goed af, voor Joseph kan ik helaas niet hetzelfde zeggen.

Geef me nog maar een Roth!

P.

Hugo Claus: ‘De verwondering’ (1962)

4e113d91-9ec8-11e7-bbe7-02b7b76bf47f

Na het lezen verwondert het mij niet dat Hugo Claus aan dit boek moest ploeteren om het af te krijgen, dat zes jaar na zijn roman ‘De koele minnaar’ (1956) verscheen. Bij publicatie in oktober 1962 zei hij dat hij ‘De verwondering’ beschouwde als zijn eerste boek: ‘Al mijn vorige boeken zijn geschreven in twee maanden: beginnen en stoppen, afgelopen. Deze manier van werken blijkt me de laatste jaren onmogelijk. Ik kan dat niet meer.’ Niet dat hij in die zes jaar stil zat: naast romans publiceerde Claus ook poëzie- en verhalenbundels, deed vertalingen en toneelwerk. ‘De verwondering’ lag al vanaf 1955 in de stijgers. Enkele thema’s en ideeën werkte hij uit in toneelstukken, zoals ‘Het lied van de moordenaar’ dat in 1957 in Rotterdam in première ging. De setting met het uiteindelijke boek verschilt, maar het personage Crabbe, waarrond ‘De verwondering’ voor een stuk draait, komt daarin reeds tevoorschijn. Het boek, zei Claus, zou gaan over de psycholische nainvloeden van de oorlog in West-Vlaanderen, waar veel collaboratie was met de Duitsers. Hij probeert de houding te belichten, maar niet in een beschuldigende of verontschuldigende zin. Bij publicatie verwachtte bij tegenstand van zowel de ‘witten’ als de ‘zwarten’.

Het thema is niet verwonderlijk, omdat Claus zelf een kind van de collaboratie was en zijn vader, de drukker Jozef Claus, actief was in het VNV en zijn persen liet draaien voor de bezetter. Later zei hij dat hij in de oorlogsjaren als kind ‘op een verschrikkelijke manier pro-nazi’ was. Het Vlaamse nationalisme was hem met de paplepel ingegeven. Je voelt me dus al aankomen: er zit een stuk persoonlijke verleden van Claus verstopt in het boek. Zo is er de parallel tussen de vervolging van groothandelaar Richard Harmedam in het boek met de vervolging van de Kortrijkse collaborateur Louis Desmet in mei 1945. Deze werd, net zoals in het boek bij Harmedam, verplicht een standbeeld te kussen voor de gevallenen van de vorige wereldoorlog, waarna een vrouw hem op zijn gezicht stampte en zijn gezicht vermorzelde op het beeld. Een offer op het altaar van het vaderland. Claus probeert te achterhalen waarom hij zich als kind gemakkelijk liet inpalmen voor de totalitaire verleiding. ‘De verwondering’ is dan ook een van de meest geanalyseerde werken van Claus, omdat het, mede dankzij de moeilijke toegankelijkheid, meer versleuteld is dan het meer expliciet autobiografische ‘Het verdriet van België’.

Victor-Denijs De Rijckel is een leerkracht die een buitenstaander is. Hij wordt niet op prijs gesteld en in zijn schoolomgeving wordt die afwijzing van zijn persoon vertegenwoordigt door de Prefect, een autoritair figuur die De Rijckel misprijst omwille van diens abnormale gedrag. Op een gemaskerd bal leert De Rijckel een mysterieuze vrouw kennen die hij achterna reist naar Almout (naar Alamout, het kasteel van de Assasijnen), een geheimzinnig kasteel waar, jaren na de val van Hitler, nog wordt gerouwd om een Vlaamse SS’er genaamd Crabbe, die als de ‘Aanvoerder’ en ‘Kameraad’ wordt verheerlijkt en veel weg heeft van Reimond Tollenaere, die na zijn dood in 1942 aan het Oostfront al snel een martelarenstatus kreeg. Al snel merkt De Rijckel dat hij, die aanvankelijk voor een Nederlandse geleerde wordt beschouwd, ook in dit milieu niet op veel genade mag rekenen. Op deze manier toont Claus aan dat er geen zwart-wit onderscheid te maken is tussen de verlichte democratie en het irrationele nationalisme. De rationele orde van de Prefect en de mythomanische orde van Crabbe zijn aan elkaar gewaagd en voor De Rijckel even onderdrukkend. Daarom wil De Rijckel zich terugtrekken in de ‘verwondering’, wat de titel van het boek verklaart: hij komt zijn zwakheid en tekortkomingen onder ogen. De verwondering is de toestand van de mens voor het denken, ze draagt de hoop van een nieuw perspectief in zich zonder zich kritiekloos neer te leggen bij het ene of andere paradigma.

Ik  – en ik zal daar niet alleen in zijn – heb het boek ervaren als een moeilijke noot om te kraken, omdat het een experimentele roman is met een onbetrouwbare verteller. Claus neemt je mee op sleeptouw in een oerwoud van taal, waar je maar moeilijk een weg kan vinden en daarnaast weet je niet in welke tijdlijn je je bevindt. Het helpt ook niet wanneer je weet dat de verteller in een psychiatrische instelling zit en daar zijn verhaal vertelt. Verleden en heden vloeien door elkaar heen. Je kan dus niet vertrouwen op de verteller, die ongerijmdheden laat vallen in zijn verhaal en die je dwingt zelf een weg te zoeken in het labyrint dat Claus heeft gemaakt. Deze zou tijdens het schrijfproces inspiratie hebben gevonden in ‘Ullyses’ van James Joyce, een werk dat met gemak in de top vijf van ongelezen meesterwerken beland. Het is dus geen verrassing dat ‘De verwondering’ een dankbaar onderzoeksonderwerp is.

Het probleem met deze experimentele romans is dat je ze niet zomaar even gaat lezen in de zetel – en dat is net wat ik altijd doe. In een ideale situatie zet je je er een hele dag aan met een notitieboekje naast je en ga je in een leesgroep stuk per stuk bespreken om er alles uit te halen. Wanneer ik het nawoord van Kevin Absillis lees, besef ik dat ik bepaalde stukken helemaal anders had geïnterpreteerd of er niet uithaal wat hij er wel uithaalt. Dan kom je tot “aha!’-momenten en voel je jezelf dom omdat de symboliek – de meeuwen verwijzen naar Rodenbach en Blauwvoeterie – zo voor de hand ligt. Bovenal heeft het nawoord me geholpen een rode draad te zoeken in het verhaal.

Ik voel mezelf al aankomen: ik ga dat boek nog eens moeten lezen, in de hoop dat ik het kan herontdekken. Dit is een werk dat je in één keer niet hebt gelezen (of niet kan lezen).

P.

 

Hugo Claus: ‘Het Jaar van de Kreeft’ (1972)

hugoclaus

Het is iets meer dan tien jaar geleden dat Hugo Claus (1929 – 2008) overleed. Ik had eerder van hem al ‘De metsiers’ en ‘Het verdriet van België’ gelezen en die twee zijn me goed bevallen. Het was een goed excuus om nog een aantal boeken van hem in huis te halen en ten tweede wil ik meer halen uit het lezen van boeken door er over te schrijven. Het valt me op dat er veel vergaat zodra ik aan een nieuw boek begin (en die neiging heb ik heel sterk, ik laat te weinig “bezinken”) en dat proces wil ik tegengaan door alles even op een rij te zetten en mijn oordeel te vellen of op zijn minst een aantal gedachten te geven (penny for my thought).

‘Het Jaar van de Kreeft’ is geschreven in 1972 en is voor een deel gebaseerd op de verhouding die Claus had met de Nederlandse actrice Kitty Courbois. Daardoor probeer je instinctief de Claus in de hoofdpersonages te zoeken, maar ik ga me daar niet te zeer aan wagen omdat ik er te weinig over weet. In de roman valt de succesvolle boekhouder Pierre op de kapster Toni, die werkt voor Daan, een vedette in de revuewereld die voor haar slechts neerbuigende opmerkingen over heeft. Pierre valt echter voor haar onvolmaaktheden en wordt erdoor vertederd. Hoewel Toni een getrouwde vrouw is, begint zij met Pierre een passionele, maar moeizame affaire. Je ziet hoe Pierre steeds maar probeert de ongrijpbare Toni te veroveren en tot de zijne te nemen. Toni voelt niets, zegt ze, en Pierre stelt zich tot taak haar iets te laten voelen; hun relatie baadt in zinnelijkheid. Dat Claus daarbij het vrouwelijke geslachtsdeel verheft tot een fameus fort is een teken van zijn literaire kunnen: nooit wordt hij vulgair wanneer hij door de ogen van Pierre haar “glooiend landschap van wit, onvast vlees” beschrijft, want het gaat hier niet om een viezerik, maar om een werkelijk verliefde mens, die zich verwondert aan haar “gloeiende gezicht, doortrokken van een lief geweld”.

Wat me het meest raakte was de waarachtigheid van de liefde tussen Toni en Pierre, die komt, eens je zelf verliefd bent geweest, echt over. Claus slaagt erin me te overtuigen met dit verhaal, gebaseerd op zijn eigen affaire met Kitty Courbois, en weet met precisie de woeste baren van een instabiele, maar passionele relatie over te brengen aan de lezer. In tegenstelling tot ‘De verwondering’, waar hij de conventionele taalregisters stevig ondersteboven zet en een met veel moeite en overtuiging een roman schrijft met sterke invloeden van James Joyce’s ongenaakbare Ulysses, leest ‘Het Jaar van de Kreeft’ haast als een lentebries.

Wat die kreeft er trouwens mee te maken heeft? Bij aanvang van het boek citeert Claus uit een gedicht van Apollinaire:

Incertitude, ô mes délices,
vous et moi nous nous en allons
comme s’en vont les écresvisses
à reculons, à reculons. 

Onzekerheid, o mijn genot,
U en ik gaan wat dit betreft
net als de kreeften
achterwaarts, achterwaarts.

Regelmatig heeft Toni het over haar “aarzelende kreeftennatuur”, die steeds achterwaarts kijkt en een verleden met zich meesleurt. Het gedicht van Appolinaire beschrijft het verloop van de gedoemde relatie tussen Toni en Pierre: zij groeien steeds verder uit elkaar en uiteindelijk (spoiler alert!) sterft Toni aan kanker, gedenk hierbij het Latijnse woord cancer dat zowel kreeft als kwaadaardige woekering betekent. Gerrit Komrij schreef het nog: “Ware Het Jaar van de Kreeft een film geweest, dan hadden wij allen, jankend van mededogen, de zaal verlaten.”

Hé, er is trouwens een film van deze roman. Misschien moet ik die dan toch maar eens zien.

P.

31

13255928_10154303741179410_1294768890084729055_n

Ik sta op, ga naar de badkamer en bekijk mezelf aandachtig in de spiegel terwijl ik mijn handen opfris in het koele water van de kraan. Die prille groeven verdiepen zich rond mijn ogen, er vormt zich een markante kentering rond mijn mond en dat mijn haarlijnen een stuk verder zullen terugdeinzen staat in de sterren geschreven. Als ik mijn pasfoto van tien jaar geleden zou bovenhalen zou ik mijzelf amper herkennen, al weet ik natuurlijk dat ik die persoon op die foto ben. Mijn ogen waren toen opvallend kleiner en mijn rondere gezicht mist de scherpte die het nu begint te krijgen. Het is boeiend te zien hoe een jong gezicht een lange schemerperiode ondergaat voor je ze werkelijk ouder kan noemen. Die langzame tocht naar de verzakking en verdorring is niet tegen te houden, het maakt niet uit hoeveel botoxinjecties je ondergaat of dag- en nachtcrèmes gebruikt. Sommige mensen zijn echter op hun mooist als ze hoogbejaard zijn, wanneer ze de meest markante gezichten hebben, haast een historisch, monumentaal landschap met lieux de memoire die enkel zijzelf kunnen verklaren.

Ouder worden besef je pas wanneer je heel bewust in de spiegel kijkt, niet wanneer je dat doet om je tanden te poetsen of je haar goed te leggen, maar jezelf als onderwerp beziet van een hartstochtelijke inspectie. Dan treedt een hapering op in dat vertrouwde, wat alledaagse zelfbeeld: je staat daar met het plotse besef dat je weer ouder bent geworden, dat het kinderachtige is verdwenen of dat de jeugd dreigt te verdwijnen wanneer die eerste rimpel verschijnt, het eerste grijze haartje of een cynische grijns die je eerder niet had. In The Portrait of an Artist as a Young Man gebruikt James Joyce het begrip arrestation daarvoor erg treffend: onderbroken worden; een stille maar aanmatigende mijmering; getroffen worden door een allesonthullende gedachte.  Het haalt ons uit de dagelijkse carrousel en geeft ons de kans het geheel van ons bestaan te overschouwen. Als we dit kunnen evoceren tussen geboorteschreeuw en doodsreutel hebben we er dan toch iets van dat leven kunnen vatten.

P.

Patricia, of Delicia

 

Chris de Burgh neemt ons mee naar 1924 en zingt over een plekje bij de kaaien waar de jonge Patricia werkt, ook genaamd Delicia. Ze is immers niet alleen een zangeres met een zoetgevooisde stem maar ook een stripster waarvoor talloze mannen aanschuiven om binnen te geraken. Patricia, of Delicia, is een Bijbelse schoonheid die recht uit het Hooglied van Salomon komt, met volle borsten als twee welpen – weidend tussen de lelies, een hals als de ivoren toren van David – gebouwd om er trofeeën aan te hangen, haar ogen als duiven en – ik heb dit ook niet verzonnen – tanden als een kudde schapen die pasgeschoren uit de wasplaats komen. Patricia, of Delicia, is echter geen verzegelde bron of een gesloten hof, maar een platgetreden lusthof vol bloeiende granaatbloesems, hennabloemen, kalmoes, nardusplanten, allerlei wierookbomen, mirre en aloë,  kortom de fijnste geurige kruiden waarmee je volgens Plinius de Oudere de vermaarde Cyprusolie uit het Oude Egypte kan brouwen. Patricia, of Delicia, is de fatale verleiding zoals Mût-em-enet die Jozef wil verleiden, een mateloze eruptie van het vrouwelijke geslacht die menig man van zijn zinnen beroofd, dronken maakt van liefde en als een leger in slagorde ontzag wekt. Het laatste kledingstuk valt op de grond en de politie bonkt op de deuren. Patricia, of Delicia, wordt  nu gearresteerd en voor de rechter gesleept vanwege haar onzedelijke gedrag. Gelukkig is de rechter meelevend en schenkt haar de vrijheid, want ze was tenslotte in haar werkkledij gehuld. … and with a swing of her hips she starts to strip.

P.

Over kaalheid

Gerard Reve

‘Je begint flink kaal te worden’, zei Frits. Joop antwoordde niet. ‘Zeg Joop,’ begon hij opnieuw, ‘niet om hatelijk te zijn, maar je hoofd begint heel aardig kaal te worden. het duurt niet zo lang, tot je haren te tellen zijn op de vingers van je hand.’ Joop glimlachte, de mond klein houdend. ‘Ik word niet zo gauw kaal,’ zei hij. ‘Je schijnt er op te zitten wachten.’ Met wijsvinger en middelvinger betastte hij de diepe inhammen van de haargrens. ‘Toch wel,’ zei Frits. ‘Tel je de haren in je kam wel elke morgen? Dan zul je zien, dat het er elke dag meer zijn. Langzaam maar zeker. Ik zou het verschrikkelijk vinden, als ik wist, dat ik kaal moest worden. Ik zou niet langer willen leven. Maar, begrijp goed, ik wil je niet ontmoedigen.’

Uit: De Avonden, Gerard van het Reve