TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Joseph Roth: ‘Job’ (1930)

joseph_roth_28192629

Deze roman van Joseph Roth (1894-1939) over een “eenvoudig man” is gebaseerd op de Bijbelse Job. Wie de Bijbel er echter bij neemt merkt terecht op dat Job bij aanvang een welvarend man was, die alles had wat hij maar kon wensen van hem werd ontnomen. De Job in het verhaal van Roth is echter nooit rijk geweest en is best tevreden met zijn armoedige bestaan, tot hij verhuist en het noodlot tegen zich krijgt en uiteindelijk rebelleert tegen God. Job is Gods fucked up man: hoever kan je een gelovig man krijgen tot hij God, het object van zijn adoratie en veredeling, vervloekt en verwenst? Welk greintje hoop schuilt er nog in zo iemand en is de ommekeer mogelijk? Je weet dus dat je je verwacht aan een tragedie met dit werk en geloof me, die ga je ook krijgen.

Joseph Roths’ bekendste werk is ongetwijfeld De Radetzkymars (1932), een verbluffend relaas over het aristocratische geslacht Von Trotta dat het verval van de Oostenrijks-Habsburgse dubbelmonarchie beschrijft. Roth studeerde in Wenen en werkte vanaf 1920 in Berlijn als journalist en schrijver. Hoewel hij aanvankelijk progressieve standpunten had, liep hij na een reis naar de Sovjet-Unie al snel over naar het conservatieve kamp. Hij zag in het opkomende nationalisme een gevaar en zette zich af tegen de nazibeweging. In 1933 ontvluchtte hij Duitsland, dat onder het bewind van de nazi’s zijn boeken verbood. Zijn vrouw Friedl Reichler beland in het gesticht en is slachtoffer van het euthanasieprogramma van de nazi’s, een tragedie die hij zichzelf nooit kan vergeven. Hij doolt rond in Amsterdam en Parijs, waar hij in 1939 op 45-jarige leeftijd berooid stierf in een armenhospitaal. Zijn begraafplaats kan je vinden in het Cimétière de Thiais.

De Job in dit verhaal is de doodgewone vrome Joodse dorpsleraar Mendel Singer, die met zijn vrouw Debora en drie kinderen een bescheiden leven leidt in Zoechnov, tsaristisch Rusland. Ze leven in armoedige toestanden, zoals, maar hij is daar tevreden mee in tegenstelling tot zijn vrouw Debora die hem stilzwijgend verwijt. ‘Honderdduizenden voor hem hadden geleefd en lesgegeven zoals hij’, aldus Roth. Debora bevalt van een vierde kind, de gehandicapte zoon Menoechem, die de nodige zorgen nodig heeft. Volgens de ‘rebbe’, een geestelijke raadsman uit het naburige dorp, komt het echter goed met die kleine, maar die hoop blijft ijdel en meer dan ‘mama’ kan hij na vele jaren niet zeggen. Beide zoons trekken naar het tsaristische leger, waar zoon Jonas blijft. Zoon Sam emigreert naar New York, terwijl dochter Mirjam een relatie begint met een kozak. Deze situatie verandert wanneer Mendel via zijn geëmigreerde zoon de kans krijgt de grote oversteek te wagen. Om dat te doen moet hij zijn gehandicapte zoon achterlaten, in de hoop dat hij ooit gezond genoeg wordt om over te kunnen steken. In Amerika lijkt het hem voor de wind te gaan, want zoon Sam wordt een welvarend man.

Het noodlot slaagt echter toe: zijn beide zonen sneuvelen aan het front in de Grote Oorlog, zijn vrouw sterft van verdriet en zijn dochter moet hij noodgedwongen in een gesticht achterlaten nadat zij zowel haar broer als moeder op korte tijd verloor en daarmee ook haar verstand. Mendel wordt een schaduw van zichzelf en vervloekt, net als de Bijbelse Job, de God die hem in de steek heeft gelaten. Hij wordt echter liefdevol opgenomen in de gemeenschap en doet karweitjes voor zijn buurtgenoten. Zijn wens om ooit terug naar Zoechnov te keren om zijn zoon Menoechem te zien is er, maar hij weet ook dat dit ijdele hoop is. Menochem zou die oorlogswoede vast niet hebben overleefd. Mendel kwijnt stilaan verder weg, maar niet zonder zich aan een vage hoop vast te houden dat hij genoeg geld bijeen kan scharen om zijn enige overlevende zoon in Europa te gaan zoeken. Buren beschouwen hem als kinds en vrezen dat men met hem niets meer kan aanvangen.

Dan komt de ommekeer. Hij beluistert een plaat die ‘Het lied van Menoechem’ heet en wordt onwel. Het lied blijft hem achtervolgen. Dan meldt een ver familielid van Debora zich aan bij Mendel en blijkt zoon Menoechem te zijn, die inmiddels genezen is en een befaamd dirigent is geworden, niet toevallig de auteur van het lied dat Mendel achtervolgt. Mendel mag God hebben vervloekt, maar die heeft Mendel niet vergeten en vervult daarmee zijn wens om zijn zoon ooit bij leven en bij welzijn te zien. Het verhaal eindigt met een gelukkige Mendel die weer zin krijgt in het leven en de kwade dagen van weleer een plaats kan geven. Net zoals zijn Bijbelse tegenhanger gaat hij pas na lange jaren de goede dood in, omringd door vele kleinkinderen en ‘der dagen zat’. In het portret van zijn kleindochter herkent hij Debora en slaapt in, ‘en hij rustte uit van de zwaarte van het geluk en de grootte van de wonderen.’

Er zit een stevige brok Joodse cultuur gebakken in deze roman, die je als leek niet meteen kan ontwaren. Bij de geboorte van Menoechem gaat de vrouw van Mendel, Debora, te rade met de “rebbe” een dorp verderop, een soort wijze man met paranormale gaven. Hij drukt haar op het hart dat het met haar zoon goed zal komen. Hierin zit een profetie verbonden waarmee Roth de kern van het joodse geloof zou aanraken: het geloof in een verlossing en bevrijding van het lijden. Hoop, tegen beter weten in, omdat we geen idee hebben wat de plannen van de Allerhoogste zijn. We worden door de schepper getroffen door zegen en vloek, maar het is niet aan ons dat wij daarin een oordeel vellen over de rechtvaardigheid ervan.

Het boek kan je als een sprookje lezen: het begint goed en eindigt goed en dat is met de grimmige levensloop van de hoofdpersoon een mirakel te noemen. Roth heeft zich voor mij al bewezen met de Radetzkymars, hij hoefde zich dus in dit werk niet meer uit te sloven om me van zijn kunnen te overtuigen. De manier waarop Roth de tanende relatie tussen Mendel en zijn vrouw beschrijft of de eerste indrukken van New York mee mag beleven vanop de eerste rij is meesterlijk. Het is een sprookje dat het loutere moralisme, het oorspronkelijke doel van een sprookje, ver overstijgt en de kleine kantjes van de mens op een gevoelige plek weet aan te raken. Er zitten ook aardig wat autobiografische elementen van Roth in verwerkt: de zwervende Jood is voor hem een beeld dat hij maar al te goed kende en de achteruitgang van dochter Mirjam is gebaseerd op zijn eigen ervaringen met zijn vrouw die ook in een gesticht belandde. Voor Mendel loopt het goed af, voor Joseph kan ik helaas niet hetzelfde zeggen.

Geef me nog maar een Roth!

P.

Advertenties

Hugo Claus: ‘De verwondering’ (1962)

4e113d91-9ec8-11e7-bbe7-02b7b76bf47f

Na het lezen verwondert het mij niet dat Hugo Claus aan dit boek moest ploeteren om het af te krijgen, dat zes jaar na zijn roman ‘De koele minnaar’ (1956) verscheen. Bij publicatie in oktober 1962 zei hij dat hij ‘De verwondering’ beschouwde als zijn eerste boek: ‘Al mijn vorige boeken zijn geschreven in twee maanden: beginnen en stoppen, afgelopen. Deze manier van werken blijkt me de laatste jaren onmogelijk. Ik kan dat niet meer.’ Niet dat hij in die zes jaar stil zat: naast romans publiceerde Claus ook poëzie- en verhalenbundels, deed vertalingen en toneelwerk. ‘De verwondering’ lag al vanaf 1955 in de stijgers. Enkele thema’s en ideeën werkte hij uit in toneelstukken, zoals ‘Het lied van de moordenaar’ dat in 1957 in Rotterdam in première ging. De setting met het uiteindelijke boek verschilt, maar het personage Crabbe, waarrond ‘De verwondering’ voor een stuk draait, komt daarin reeds tevoorschijn. Het boek, zei Claus, zou gaan over de psycholische nainvloeden van de oorlog in West-Vlaanderen, waar veel collaboratie was met de Duitsers. Hij probeert de houding te belichten, maar niet in een beschuldigende of verontschuldigende zin. Bij publicatie verwachtte bij tegenstand van zowel de ‘witten’ als de ‘zwarten’.

Het thema is niet verwonderlijk, omdat Claus zelf een kind van de collaboratie was en zijn vader, de drukker Jozef Claus, actief was in het VNV en zijn persen liet draaien voor de bezetter. Later zei hij dat hij in de oorlogsjaren als kind ‘op een verschrikkelijke manier pro-nazi’ was. Het Vlaamse nationalisme was hem met de paplepel ingegeven. Je voelt me dus al aankomen: er zit een stuk persoonlijke verleden van Claus verstopt in het boek. Zo is er de parallel tussen de vervolging van groothandelaar Richard Harmedam in het boek met de vervolging van de Kortrijkse collaborateur Louis Desmet in mei 1945. Deze werd, net zoals in het boek bij Harmedam, verplicht een standbeeld te kussen voor de gevallenen van de vorige wereldoorlog, waarna een vrouw hem op zijn gezicht stampte en zijn gezicht vermorzelde op het beeld. Een offer op het altaar van het vaderland. Claus probeert te achterhalen waarom hij zich als kind gemakkelijk liet inpalmen voor de totalitaire verleiding. ‘De verwondering’ is dan ook een van de meest geanalyseerde werken van Claus, omdat het, mede dankzij de moeilijke toegankelijkheid, meer versleuteld is dan het meer expliciet autobiografische ‘Het verdriet van België’.

Victor-Denijs De Rijckel is een leerkracht die een buitenstaander is. Hij wordt niet op prijs gesteld en in zijn schoolomgeving wordt die afwijzing van zijn persoon vertegenwoordigt door de Prefect, een autoritair figuur die De Rijckel misprijst omwille van diens abnormale gedrag. Op een gemaskerd bal leert De Rijckel een mysterieuze vrouw kennen die hij achterna reist naar Almout (naar Alamout, het kasteel van de Assasijnen), een geheimzinnig kasteel waar, jaren na de val van Hitler, nog wordt gerouwd om een Vlaamse SS’er genaamd Crabbe, die als de ‘Aanvoerder’ en ‘Kameraad’ wordt verheerlijkt en veel weg heeft van Reimond Tollenaere, die na zijn dood in 1942 aan het Oostfront al snel een martelarenstatus kreeg. Al snel merkt De Rijckel dat hij, die aanvankelijk voor een Nederlandse geleerde wordt beschouwd, ook in dit milieu niet op veel genade mag rekenen. Op deze manier toont Claus aan dat er geen zwart-wit onderscheid te maken is tussen de verlichte democratie en het irrationele nationalisme. De rationele orde van de Prefect en de mythomanische orde van Crabbe zijn aan elkaar gewaagd en voor De Rijckel even onderdrukkend. Daarom wil De Rijckel zich terugtrekken in de ‘verwondering’, wat de titel van het boek verklaart: hij komt zijn zwakheid en tekortkomingen onder ogen. De verwondering is de toestand van de mens voor het denken, ze draagt de hoop van een nieuw perspectief in zich zonder zich kritiekloos neer te leggen bij het ene of andere paradigma.

Ik  – en ik zal daar niet alleen in zijn – heb het boek ervaren als een moeilijke noot om te kraken, omdat het een experimentele roman is met een onbetrouwbare verteller. Claus neemt je mee op sleeptouw in een oerwoud van taal, waar je maar moeilijk een weg kan vinden en daarnaast weet je niet in welke tijdlijn je je bevindt. Het helpt ook niet wanneer je weet dat de verteller in een psychiatrische instelling zit en daar zijn verhaal vertelt. Verleden en heden vloeien door elkaar heen. Je kan dus niet vertrouwen op de verteller, die ongerijmdheden laat vallen in zijn verhaal en die je dwingt zelf een weg te zoeken in het labyrint dat Claus heeft gemaakt. Deze zou tijdens het schrijfproces inspiratie hebben gevonden in ‘Ullyses’ van James Joyce, een werk dat met gemak in de top vijf van ongelezen meesterwerken beland. Het is dus geen verrassing dat ‘De verwondering’ een dankbaar onderzoeksonderwerp is.

Het probleem met deze experimentele romans is dat je ze niet zomaar even gaat lezen in de zetel – en dat is net wat ik altijd doe. In een ideale situatie zet je je er een hele dag aan met een notitieboekje naast je en ga je in een leesgroep stuk per stuk bespreken om er alles uit te halen. Wanneer ik het nawoord van Kevin Absillis lees, besef ik dat ik bepaalde stukken helemaal anders had geïnterpreteerd of er niet uithaal wat hij er wel uithaalt. Dan kom je tot “aha!’-momenten en voel je jezelf dom omdat de symboliek – de meeuwen verwijzen naar Rodenbach en Blauwvoeterie – zo voor de hand ligt. Bovenal heeft het nawoord me geholpen een rode draad te zoeken in het verhaal.

Ik voel mezelf al aankomen: ik ga dat boek nog eens moeten lezen, in de hoop dat ik het kan herontdekken. Dit is een werk dat je in één keer niet hebt gelezen (of niet kan lezen).

P.

 

Hugo Claus: ‘Het Jaar van de Kreeft’ (1972)

hugoclaus

Het is iets meer dan tien jaar geleden dat Hugo Claus (1929 – 2008) overleed. Ik had eerder van hem al ‘De metsiers’ en ‘Het verdriet van België’ gelezen en die twee zijn me goed bevallen. Het was een goed excuus om nog een aantal boeken van hem in huis te halen en ten tweede wil ik meer halen uit het lezen van boeken door er over te schrijven. Het valt me op dat er veel vergaat zodra ik aan een nieuw boek begin (en die neiging heb ik heel sterk, ik laat te weinig “bezinken”) en dat proces wil ik tegengaan door alles even op een rij te zetten en mijn oordeel te vellen of op zijn minst een aantal gedachten te geven (penny for my thought).

‘Het Jaar van de Kreeft’ is geschreven in 1972 en is voor een deel gebaseerd op de verhouding die Claus had met de Nederlandse actrice Kitty Courbois. Daardoor probeer je instinctief de Claus in de hoofdpersonages te zoeken, maar ik ga me daar niet te zeer aan wagen omdat ik er te weinig over weet. In de roman valt de succesvolle boekhouder Pierre op de kapster Toni, die werkt voor Daan, een vedette in de revuewereld die voor haar slechts neerbuigende opmerkingen over heeft. Pierre valt echter voor haar onvolmaaktheden en wordt erdoor vertederd. Hoewel Toni een getrouwde vrouw is, begint zij met Pierre een passionele, maar moeizame affaire. Je ziet hoe Pierre steeds maar probeert de ongrijpbare Toni te veroveren en tot de zijne te nemen. Toni voelt niets, zegt ze, en Pierre stelt zich tot taak haar iets te laten voelen; hun relatie baadt in zinnelijkheid. Dat Claus daarbij het vrouwelijke geslachtsdeel verheft tot een fameus fort is een teken van zijn literaire kunnen: nooit wordt hij vulgair wanneer hij door de ogen van Pierre haar “glooiend landschap van wit, onvast vlees” beschrijft, want het gaat hier niet om een viezerik, maar om een werkelijk verliefde mens, die zich verwondert aan haar “gloeiende gezicht, doortrokken van een lief geweld”.

Wat me het meest raakte was de waarachtigheid van de liefde tussen Toni en Pierre, die komt, eens je zelf verliefd bent geweest, echt over. Claus slaagt erin me te overtuigen met dit verhaal, gebaseerd op zijn eigen affaire met Kitty Courbois, en weet met precisie de woeste baren van een instabiele, maar passionele relatie over te brengen aan de lezer. In tegenstelling tot ‘De verwondering’, waar hij de conventionele taalregisters stevig ondersteboven zet en een met veel moeite en overtuiging een roman schrijft met sterke invloeden van James Joyce’s ongenaakbare Ulysses, leest ‘Het Jaar van de Kreeft’ haast als een lentebries.

Wat die kreeft er trouwens mee te maken heeft? Bij aanvang van het boek citeert Claus uit een gedicht van Apollinaire:

Incertitude, ô mes délices,
vous et moi nous nous en allons
comme s’en vont les écresvisses
à reculons, à reculons. 

Onzekerheid, o mijn genot,
U en ik gaan wat dit betreft
net als de kreeften
achterwaarts, achterwaarts.

Regelmatig heeft Toni het over haar “aarzelende kreeftennatuur”, die steeds achterwaarts kijkt en een verleden met zich meesleurt. Het gedicht van Appolinaire beschrijft het verloop van de gedoemde relatie tussen Toni en Pierre: zij groeien steeds verder uit elkaar en uiteindelijk (spoiler alert!) sterft Toni aan kanker, gedenk hierbij het Latijnse woord cancer dat zowel kreeft als kwaadaardige woekering betekent. Gerrit Komrij schreef het nog: “Ware Het Jaar van de Kreeft een film geweest, dan hadden wij allen, jankend van mededogen, de zaal verlaten.”

Hé, er is trouwens een film van deze roman. Misschien moet ik die dan toch maar eens zien.

P.

31

13255928_10154303741179410_1294768890084729055_n

Ik sta op, ga naar de badkamer en bekijk mezelf aandachtig in de spiegel terwijl ik mijn handen opfris in het koele water van de kraan. Die prille groeven verdiepen zich rond mijn ogen, er vormt zich een markante kentering rond mijn mond en dat mijn haarlijnen een stuk verder zullen terugdeinzen staat in de sterren geschreven. Als ik mijn pasfoto van tien jaar geleden zou bovenhalen zou ik mijzelf amper herkennen, al weet ik natuurlijk dat ik die persoon op die foto ben. Mijn ogen waren toen opvallend kleiner en mijn rondere gezicht mist de scherpte die het nu begint te krijgen. Het is boeiend te zien hoe een jong gezicht een lange schemerperiode ondergaat voor je ze werkelijk ouder kan noemen. Die langzame tocht naar de verzakking en verdorring is niet tegen te houden, het maakt niet uit hoeveel botoxinjecties je ondergaat of dag- en nachtcrèmes gebruikt. Sommige mensen zijn echter op hun mooist als ze hoogbejaard zijn, wanneer ze de meest markante gezichten hebben, haast een historisch, monumentaal landschap met lieux de memoire die enkel zijzelf kunnen verklaren.

Ouder worden besef je pas wanneer je heel bewust in de spiegel kijkt, niet wanneer je dat doet om je tanden te poetsen of je haar goed te leggen, maar jezelf als onderwerp beziet van een hartstochtelijke inspectie. Dan treedt een hapering op in dat vertrouwde, wat alledaagse zelfbeeld: je staat daar met het plotse besef dat je weer ouder bent geworden, dat het kinderachtige is verdwenen of dat de jeugd dreigt te verdwijnen wanneer die eerste rimpel verschijnt, het eerste grijze haartje of een cynische grijns die je eerder niet had. In The Portrait of an Artist as a Young Man gebruikt James Joyce het begrip arrestation daarvoor erg treffend: onderbroken worden; een stille maar aanmatigende mijmering; getroffen worden door een allesonthullende gedachte.  Het haalt ons uit de dagelijkse carrousel en geeft ons de kans het geheel van ons bestaan te overschouwen. Als we dit kunnen evoceren tussen geboorteschreeuw en doodsreutel hebben we er dan toch iets van dat leven kunnen vatten.

P.

Patricia, of Delicia

 

Chris de Burgh neemt ons mee naar 1924 en zingt over een plekje bij de kaaien waar de jonge Patricia werkt, ook genaamd Delicia. Ze is immers niet alleen een zangeres met een zoetgevooisde stem maar ook een stripster waarvoor talloze mannen aanschuiven om binnen te geraken. Patricia, of Delicia, is een Bijbelse schoonheid die recht uit het Hooglied van Salomon komt, met volle borsten als twee welpen – weidend tussen de lelies, een hals als de ivoren toren van David – gebouwd om er trofeeën aan te hangen, haar ogen als duiven en – ik heb dit ook niet verzonnen – tanden als een kudde schapen die pasgeschoren uit de wasplaats komen. Patricia, of Delicia, is echter geen verzegelde bron of een gesloten hof, maar een platgetreden lusthof vol bloeiende granaatbloesems, hennabloemen, kalmoes, nardusplanten, allerlei wierookbomen, mirre en aloë,  kortom de fijnste geurige kruiden waarmee je volgens Plinius de Oudere de vermaarde Cyprusolie uit het Oude Egypte kan brouwen. Patricia, of Delicia, is de fatale verleiding zoals Mût-em-enet die Jozef wil verleiden, een mateloze eruptie van het vrouwelijke geslacht die menig man van zijn zinnen beroofd, dronken maakt van liefde en als een leger in slagorde ontzag wekt. Het laatste kledingstuk valt op de grond en de politie bonkt op de deuren. Patricia, of Delicia, wordt  nu gearresteerd en voor de rechter gesleept vanwege haar onzedelijke gedrag. Gelukkig is de rechter meelevend en schenkt haar de vrijheid, want ze was tenslotte in haar werkkledij gehuld. … and with a swing of her hips she starts to strip.

P.

Over kaalheid

Gerard Reve

‘Je begint flink kaal te worden’, zei Frits. Joop antwoordde niet. ‘Zeg Joop,’ begon hij opnieuw, ‘niet om hatelijk te zijn, maar je hoofd begint heel aardig kaal te worden. het duurt niet zo lang, tot je haren te tellen zijn op de vingers van je hand.’ Joop glimlachte, de mond klein houdend. ‘Ik word niet zo gauw kaal,’ zei hij. ‘Je schijnt er op te zitten wachten.’ Met wijsvinger en middelvinger betastte hij de diepe inhammen van de haargrens. ‘Toch wel,’ zei Frits. ‘Tel je de haren in je kam wel elke morgen? Dan zul je zien, dat het er elke dag meer zijn. Langzaam maar zeker. Ik zou het verschrikkelijk vinden, als ik wist, dat ik kaal moest worden. Ik zou niet langer willen leven. Maar, begrijp goed, ik wil je niet ontmoedigen.’

Uit: De Avonden, Gerard van het Reve

The book …

facebook_1513677817138

The book I couldn’t put down

De Broers Karamazov van Dostojevski. Zo verslavend goed dat ik het al tien jaar op rij tijdens de gouden herfst nog eens lees.

The book I couldn’t pick up

East of Eden van John Steinbeck is drie jaar blijven liggen in mijn kast, maar tjongejonge, wat een fenomenaal boek! Gouden tip: wacht er geen drie jaar mee.

The book you gave me (I haven’t read it yet, sorry!)

Hier en daar zie ik een paar verloren schaapjes die aan mijn oog zijn ontglipt, maar ik kom er ooit wel aan. Beloofd.

The book I brought to the beach

Heart of Darkness van Joseph Conrad. Toepasselijk, nee?

The book I tried so hard to like

Wuthering Heights van Emily Brontë. Misschien moet ik het nog eens een kans geven, maar het boek voldeed niet aan de verwachtingen.

The book I somehow own three copies of

Ik had ooit Voyage au bout de la nuit van L.F. Céline in drie talen: Frans, Engels en Nederlands. Het Engelse heb ik inmiddels uit handen gegeven, het Nederlandse heb ik gedegusteerd met een sardonische grijns en ik wacht nog af met de sprong in de Franse taal.

The book that saved my life

Tijdens het wachten op ’t een of ’t ander is ieder boek een redmiddel.

The book I lent you (can I have it back?)

Demian van Hermann Hesse. O., ik geloof dat die nog altijd ergens bij jullie ligt. Hou hem maar bij, die heb ik inmiddels opnieuw gekocht.

The book I fall asleep to every night

Elke nacht niet, maar dagboeken en aforismen zijn ideale slaapmutsjes. Ik moet dringend eens wat Franse moralisten huisvesten in mijn boekenkast, maar voorlopig zijn Cioran en Jünger dikke vrienden.

The book I mistook for a hat

Knikkebollen hoort bij iedere leeservaring.

The book I’m desperately trying to write

Die staat in de steigers en ik hoop hem binnen afzienbare tijd af te krijgen.

All the books that changed my life

Ik ga niet mijn hele boekenkast opsommen, gek!

P.

Hit & Run (zoals in dS Weekblad)

Gebaseerd op een format in dS Weekblad:

Wat is uw vroegste herinnering?

Mijn bomma die in de Fort II-straat te Wommelgem een grote kom verse dampende pudding (of was het rijst?) voor mij houdt.

Welke levende persoon bewondert u het meest, en waarom?

Mijn lief. Hoe houdt ze het toch vol?

Wanneer was u het gelukkigst?

Aan de tombe van Hafez in Shiraz, Iran op een vrijdagavond. Ik ervoer toen plots een extatisch moment dat ik (nog) niet heb kunnen overtreffen.

Wat is uw grootste angst?

Uitdoven. Geen zin meer hebben in iets. Geleefd worden.

Wat is uw meest onhebbelijke karaktertrek?

Dat zou je aan mijn lief moeten vragen, maar ik denk dat mijn nonchalance mensen op de zenuwen kan werken.

Welke eigenschap stoort u het meest bij anderen?

Oppervlakkigheid.

Wat is uw dierbaarste bezit?

Mijn leren Chesterfield oorfauteuil. Toevallig tegengekomen en ik was op slag verliefd. “Daar ga ik oud in worden” zei ik toen. Het is inmiddels mijn troon geworden van waaruit ik de wereld glansrijk bestier.

Kent u een gedicht uit uw hoofd of een passage uit een boek?

And the days are not full enough/and the nights are not full enough/and life slips by like a field mouse/not shaking the grass van Ezra Pound.

Wat maakt u ongelukkig?

Tijdverspilling door dingen die je moet doen en daardoor geen tijd meer overhouden voor de dingen die je wil doen.

Als u iets dat uitgestorven is, zou kunnen terugbrengen, wat kiest u dan?

Dinosaurussen en traditionele ommetochten met zwarte duivels waarbij onwennige omstaanders worden afgeranseld.

Wat was de beste kus van uw leven?

Elke eerste kus met een nieuw lief.

Wat is uw foutste ‘guilty pleasure’?

Superheldenfilms.

Wat bent u verschuldigd aan uw ouders?

Een warm nest.

Hebt u ooit ‘ik hou van u’ gezegd zonder het te menen?

Ja, toen ik nog niet wist wat ‘houden van’ betekende.

Wat was uw ergste job ooit?

Opdienen op een schoolfeest.

Wat was uw grootste teleurstelling?

Dat mijn beroepsleven nog niet is geworden wat ik vijf jaar geleden had voorzien.

Noem één ding dat de kwaliteit van uw leven zou verbeteren?

Meer tijd om te kunnen wijden aan de zaken die mij boeien.

Wat beschouwt u als uw grootste prestatie?

Ik hoop ooit een boek uit te geven, tot het zover is beschouw ik het een prestatie te zijn wie ik ben.

Wat is de belangrijkste les die het leven u heeft geleerd?

Perspectief krijgen.

Waar zou u momenteel het liefst willen zijn?

In een ongenaakbaar berglandschap in Centraal-Azië, hoog verheven boven de alledaagsheid.

Wat is uw favoriete geur?

Herfst en die dampende kom die de bomma voor mij hield.

Tegen wie zou u het liefst sorry zeggen, en waarom?

Aan mijn ouders tijdens mijn tienerjaren, dat moet vast niet gemakkelijk zijn geweest.

De liefde, hoe voelt dat?

Warm.

Hoe komt u tot rust?

Een goed boek, gezeteld in mijn Chesterfield, gezegend met een goed glas alcohol, John Coltrane of Bach op de achtergrond en mijn lief die slaapt in de zetel. Harmonie.

Van welke gewoonte zou u graag af willen?

Mijn nonchalance, net de onhebbelijkheid die ik zo koester.

Wanneer hebt u voor het laatste gehuild, en waarom?

Gehuild van het lachen bij een film, eerder dit jaar.

Wat is het dichtste dat u ooit bij de dood bent geweest?

De laatste dagen van mijn grootouders, waarvan er twee op korte tijd na elkaar zijn heengegaan. De dood is de genius van het leven, las ik eens. Daar zit wat in: pas wanneer de dood ons aankijkt, kunnen we stilstaan bij de waarde van het leven.

Wat houdt u wakker ’s nachts?

Een irritante keel wanneer ik verkouden ben, buiten dat zijn de armen van Morpheus bijzonder bevorderend voor mijn nachtrust.

Welke song mogen ze spelen op uw begrafenis?

Twee nummers. Het magistrale ‘Funeral Canticle’ van John Tavener en om af te sluiten ‘Always look on the bright side of life’. Op een begrafenis mag er ook een leven gevierd worden.

Hoe wilt u herinnerd worden?

Als iemand die wat interessants te vertellen had.

P.

Over boeken

1) Ben je verslaafd aan boeken kopen?
Ik heb een heel sterke drang om boeken te kopen, ook al maak ik mezelf na een zoveelste aankoop wijs dat ik eens een bibliotheekkaart moet aanschaffen. Een zinnig excuus is dat een boek mijn huisdecor verrijkt: ik ben immens fier op mijn boekenwand annex privébibliotheek. Een huis waar boeken domineren boven een big ass TV is een huis met een ziel, denk ik dan in de trant van Cicero. Of om het met een cliché te zeggen: mijn boekenkast laat zien wie ik ben. Ebooks spreken me niet aan, het boek als een materieel object is van belang omdat het een fysieke ervaring is: de zwaarte van een boek, het omslaan van een pagina, de bedwelmende houtgeur van oudere boeken zijn onmisbare zaken. Het gaat zelfs zo ver dat ik een goed boek streel wanneer ik de pagina’s opensla, net zoals je een hond aait na braaf gedrag aai ik het boek door een straf geformuleerde zin, een rake gedachte of een onthullende plottwist.
 
2) Wanneer koop je meestal boeken?
Als de gelegenheid zich voordoet. Als ik een auteur goed vind koop ik er meerdere boeken van en probeer op te zoeken wie deze heeft geïnspireerd of wie deze inspireert. Het kan zijn dat ik een hele maand geen boeken koop, maar ik kan op een week tijd meerdere boeken kopen. Er was een tijd dat ik regelmatig een bezoekje bracht aan Leon, die een aanlokkelijk antiquariaat heeft aan de Wolstraat en me weet te paaien met literaire tips, maar dat is al even geleden. Geen nood, Leon, ik kom nog wel eens terug met een rijk gevulde geldbuidel en ik hoop dat je nog wat zeldzame Jüngers in petto hebt.
 
3) Hoeveel boeken koop je meestal per keer?
Dat hangt af van het budget dat ik mijzelf opleg. Geef me een bon van 50 euro en ik dartel tussen de boekenrekken en kom af met een stapel – tenzij ik een klepper kies van 50 euro, dan is het maar eentje. Er is dus geen meestal, soms eentje, soms geentje, soms een hele roedel bij elkaar. De laatste tijd gaat het om enkelingen omdat de kastruimte me daartoe dwingt.
 
4) Ga je meestal alleen boeken kopen of met iemand samen?
Meestal alleen, soms met iemand samen. Ik heb geen specifieke voorkeur, maar neem wel graag mijn tijd en kan soms lang twijfelen over een aankoop.
 
5) Wat trekt je aan in een boek?
Een boek opent werelden, schept perspectieven, prikkelt mijn fantasie, doet ideeën ontwikkelen of brengt klaarheid in je eigen gedachten. Lezen houdt me intellectueel scherp en wapent me tegen elke vorm van geestelijke afstomping, breekt de dagelijkse routine en geeft me een behaaglijk gevoel. Het voelt aan als thuiskomen na een lange dag werken of net als op reis gaan wanneer het werken je teveel is geworden, in beide gevallen dus een zeer welgekomen verpozing.
 
6) Is er een specifiek genre waar je meteen naartoe trekt in de boekwinkel?
Ik ben een veelvraat en beperk me niet tot een bepaald genre zoals detectives of ontspanningsliteratuur. Als ik mijn boekenkast vluchtig bekijk zie grote klassiekers, historische monografieën, kortverhalen, filosofische werken, dichtbundels, kunstboeken, graphic novels, dagboeken, … Ze staan er allemaal: Dikke Russen, Melancholische Roemenen, Peinzende Duitsers, Luidkeelse Amerikanen, Gothische Britten, Scherpzinnige Japanners, Volkse Vlamingen, Gedurfde Ollanders, Grofgebekte & Fijnbesnaarde Fransen, Dronken Perzen…
 
7) Koop je boeken liever nieuw, tweedehands of maakt het niet uit?
Ik snuister het liefst in tweedehandswinkels, omdat gerafelde exemplaren een geschiedenis met zich dragen. Zo heb ik een DDR-publicatie van de werken van Schiller die rijkelijk zijn voorzien van kritische bedenkingen bij de inleiding die de Duitse schrijver probeert te zien als een protosocialistische denker. Sommige boeken in mijn bezitting zijn bijna 100 jaar oud en hebben een fantastische geur, ook niet onbelangrijk. Een nieuw boek kan ook zijn charmes hebben, zoals de prachtige uitgaves van Spenglers’ behaaglijk-pessimistische De ondergang van het Avondland of Mann’s machtige Jozef en zijn broers, of antiquaire hebbedingetjes zoals Ernst Jüngers’ sublieme Parijse dagboeken die zo gegeerd zijn in de Nederlandse vertaling. Er hangt een prijskaartje aan, maar ze zijn elke cent waard.
 
8) Hoeveel geef je per maand gemiddeld uit aan boeken?
Vroeger dacht ik mijn fietsvergoeding te hanteren als maatstaf van mijn maandelijks budget, maar dit varieert omdat ik mezelf soms een koopverbod opleg. Boeken kosten geld en er is meer in het leven dan boeken kopen (ook al zijn er zoveel pareltjes te ontdekken).
 
9) Heb je jezelf wel eens een shopverbod opgelegd?
O ja, al veelvuldig en iedere keer weet ik mijn eigen verbod te overtreden.
 
10) Hoe lang duurt het voor je in een boek begint dat je hebt gekocht?
Dat varieert van vrijwel meteen tot enkele jaren. Zo heb ik jaren gewacht tot ik begon aan East of Eden van John Steinbeck en het is natuurlijk tijdens zo’n leeservaring dat je jezelf voor het hoofd kan slaan dat je zolang hebt gewacht om het boek vast te grijpen. Zo zijn er nog andere boeken die al een tijdlang wachten op hun tijd. Ik herlees ook vaak boeken, sommige jaarlijks op een vast tijdstip (Karamazovweelde!), anderen wanneer ik er om een of andere reden zin in heb gekregen.
 
11) Koop je liever meerdere voordelige dunne boeken, of één duur en dik boek?
Dat hangt af welke boeken het zijn. Ik wacht al lange tijd om Parerga & Paralipomena van Schopenhauer te kopen, maar het dure prijskaartje schrikt me af. Een of twee keer per jaar durf ik meer dan de gemiddelde prijs geven aan een boek, maar die zijn het dan ook echt wel waard. Gelukkig zijn er ook vele mooie goedkope uitgaven te vinden, zoals Penguin Classics.
 
12) Heb je nog iets te zeggen over je boekverslaving?
Opgeslokt worden door een boek zonder achting te nemen op wat er rond mij gebeurt is mij niet ongekend. De werelden die door boeken worden geopend zijn mateloos boeiend – vandaar die hardnekkige leesverslaving, maar dat geldt ook voor de Grote Boze Wereld daarbuiten. Om van het leven te genieten ga ik af en toe dat boek eens opzij moeten leggen.
 
13) Welke boeken heb je als laatste gekocht?
Murakami’s De kleurloze Tsuruku en zijn pelgrimsjaren. Hoewel hij zijn landgenoot Yukio Mishima niet kan overtreffen, vind ik zijn boeken fantastisch om te lezen. Ik kijk er dus naar uit, maar eerst een tiende lezing van De broers Karamazov van Dostojevski. Dat is mijn jaarlijkse afspraak in de herfst.
 
P.

Spengler: het oneindige bos als verlangen van alle Westerse bouwvormen

SONY DSC

Het woord ‘God’ klinkt anders onder de bogen van gotische kathedralen en in de kloosters van Maulbronn en Sankt Gallen dan in de basilica’s van Syrië en de tempels in het republikeinse Rome. In de bosachtige atmosfeer van de kathedralen, het imposante uitrijzen van de hoofdbeuk boven de zijbeuken in vergelijking met het platte dak van de basilica, in de transformatie van de zuilen, die door basement en kapiteel als opzichtig-zelfstaande individuele dingen in de ruimte waren opgesteld, tot pilaren en reeksen pilaren die uit de bodem verrijzen en waarvan de vertakkingen en lijnen zich boven onze hoofden tot in het oneindige verdelen en met elkaar verstrengelen, terwijl door de reusachtige ramen die de muren hebben opgelost een onbestemd licht door de ruimte stroomt, licht de architectonische verwerkelijking van een wereldgevoel dat in het hoogopgaande geboomte van de Noord-Europese vlakten zijn meest oorspronkelijke symbool had gevonden. En wel in het loofbos met zijn mysterieuze wirwar van takken en het gefluister van de eeuwig bewogen bladermassa boven het hoofd van de toeschouwer, hoog boven de aarde, waarvan de kruin middels van de stam probeert los te komen. Denk wederom aan de romaanse ornamentiek en haar diepe affiniteit met de betekenis van de bossen. Het oneindige, eenzame, schemerige bos is het geheime verlangen van alle westerse bouwwerken gebleven. Daarom lost, zodra de vormenergie van de stijl verflauwt, zowel in de late gotiek als aan het einde van de barok, de beheerste abstracte lijnentaal direct weer op in naturalistisch takwerk, in ranken, twijgen en bladeren.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)