TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

1984 – “Doublethink”

1984_by_alcook-d4z39dh

To know and not to know, to be conscious of complete truthfulness while telling carefully constructed lies, to hold simultaneously two opinions which cancelled out, knowing them to be contradictory and believing in both of them; to use logic against logic, to repudiate morality while laying claim to it, to believe that democracy was impossible and that the Party was the guardian of democracy; to forget whatever it was necessary to forget, then to draw it back into memory again at the moment when it was needed, and then promptly to forget it again: and above all, to apply the same process to the process itself. That was the ultimate subtlety: consciously to induce unconsciousness, and then, once again, to become unconscious of the act of hypnosis you had just performed. Even to understand the word ‘doublethink’ involved the use of doublethink.

George Orwell, 1984

Advertenties

De brandschatting van Yuan Ming Yuan

In augustus 1860 tijdens de Tweede Opiumoorlog landden 18.000 Britse en Franse strijdkrachten in de baai van Pechili, op een boogscheut van Peking gelegen. Gesteund door een leger van Chinese hulptroepen weten zij snel op te rukken naar de Chinese hoofdstad om de Qing-dynastie tot onderhandelingen te dwingen. Hoewel de veldtocht militair gezien al snel succesvol wordt beëindigd zinken de afgevaardigden van de geallieerden snel weg in het moeras van de Chinese diplomatie met haar raadselachtige etiquette en een keizer die wegvlucht met zijn eunuchen naar een schuilplek voorbij de Chinese Muur. Begin oktober van dat jaar stuiten de geallieerde troepen net buiten Peking op de verbijsterende Yuan Ming Yuan-tuin, verfraaid met talloze paleizen en paviljoens.

“Herten met fabelachtige geweien liepen er tussen bosschages en licht kreupelhout te grazen op de hellingen van kunstmatige bergen, en al die onbegrijpelijke pracht van de natuur en de door mensenhand daarin aangebrachte wonderen werden weerspiegeld in de donkere waterpartijen die door geen zuchtje wind werden bewogen. De verschrikkelijke vernietiging die gedurende de volgende dagen in het legendarische tuinlandschap werd aangericht en die spotte met alle militaire discipline en hoe dan ook met elke reden, is slechts gedeeltelijk te verklaren als een gevolg van de woede over de steeds maar uitgestelde beslissing.

De ware reden voor de brandschatting van Yuan Ming Yuan lag vermoedelijk in de ongehoorde provocatie die deze paradijselijke wereld, gecreëerd uit de aardse werkelijkheid en alle ideeën over het Chinese gebrek aan beschaving logenstraffend, betekende voor de soldaten, die zelf oneindig ver van huis waren geraakt en uitsluitend gewend waren aan dwang, ontbering en onderdrukking van hun verlangens.”

Uit: W.G. Sebald, De ringen van Saturnus

“Besides, Dorian, don’t deceive yourself”

Life is not governed by will or intention. Life is a question of nerves, fibres, and slowly built-up cells in which thought hides itself and passion has its dreams. You may fancy yourself safe, and think yourself strong. But a chance tone of colour in a room or a morning sky, a particular perfume that you had once loved and that brings subtle memories with it, a line from a forgotten poem that you had come across again, a cadence from a piece of music that you had ceased to play – I tell you, Dorian, that is on things like these that our lives depend.

Oscar Wilde, The picture of Dorian Gray

A kind of glory

brand_bio_bsfc_120766_sf_2997_005_20131219_v1_hd_768x432-16x9-800x0-c-default

Sometimes a kind of glory lights up the light of a man. It happens to nearly everyone. you can feel it growing or preparing like a fuse burning toward dynamite. It is a feeling in the stomach, a delight of the nerves, of the forearms. The skin tastes the air, and every deep-drawn breath is sweet. its beginning has the pleasure of a great stretching-yawn; it flashes in the brain and the whole world glows outside your eyes. A man may have lived all of his life in the gray, and the land an trees of him dark and somber. The events, even the important ones, may have trooped by faceless and pale. And then – the glory – so that a cricket song sweetens his ears, the smell of the earth rises chanting to his nose, and dappling light under a tree blesses his eyes. Then a man pours outward, a torrent of him, and yet he is not diminished. And I guess a man’s importance in the world can be measured by the quality and number of his glories. It is a lonely thing but it relates to the world. It is the mother of all creativeness, and it sets each man separate from all other men.

Uit: John Steinbeck, East of Eden

30. Het testament van mijn jeugd

30 jaar vertoef ik hier al en ik krijg dat nummer van Boudewijn De Groot maar niet uit mijn hoofd. Het geeft me een onweerstaanbare drang het testament van mijn jeugd op te schrijven want 30 is een kantelmoment en stemt me tot mijmeren. Heb ik wel alles uit mijn roaring twenties uitgehaald? Ik weet dat ik het verleden niet moet romantiseren, maar onbewust gebeurt dat toch door onze betrokkenheid met het verleden. Onze herinneringen zijn gestolde brokken tijd die steeds weer worden bijgeschaafd en met de jaren een fraaie naglans bekomen. Dat is dan weer de bekoring van de ouderdom: de wereld krijgt een grotere diepgang en bereik naarmate wij meer ervaren en inzicht krijgen.

Met dit testament hield ik me aanvankelijk vast aan een manifest dat ik 5 jaar geleden heb geschreven, maar het kreeg al snel een eigen leven. Hoe een overvloed van ideeën en inzichten uitmondt in een afgewerkte tekst is mij altijd een mirakel gebleken, maar het is me dan toch gelukt. Dit testament is bijgevolg een voertuig van zelfontdekking en wordt aangespoord door een kritische reflex die mij als mens eigen is. Het moderne leven is een maalstroom waarin ik een groot gevaar heb ontdekt: verstikking door maatschappelijk conformisme, een vormeloos bestaan en de blindheid voor de grote diepte van de wereld. De woorden van Friedrich Nietzsche omschrijven mijn existentiële onrust: “De woestijn groeit, wee hem die woestijnen in zich bergt!”.

I.

Ik was 14 en een teruggetrokken puber die zich niet altijd goed in zijn vel voelde. Dankzij een vriend belandde ik bij een lokale jeugdvereniging en vond via muziek een houvast. Mijn muzieksmaak was tevoren slechts bij momenten uitgesproken geweest, maar op dat beslissende moment ervoer ik de kracht van muziek. Niet alleen wist ik een geheel eigen smaak te ontwikkelen – mijn iPod bevat zowel rauwe, primitieve metal als zeer verfijnde barok, maar heeft muziek me ook doen ontwaken uit een lethargische toestand. Van een teruggetrokken puber evolueerde ik naar een zelfbewuste adolescent met een ontluikend wereldbeeld, bouwde een vriendenkring uit en proefde van de eerste liefde.

Ik was 19 en maakte de overstap van Marketing aan KdG naar Geschiedenis aan de Universiteit van Antwerpen. Deze academische scholing was een openbaring voor mij: de ideeën die ik had ontwikkeld werden bevrijd van hun dogmatische denkkaders. De zin voor nuance verbreedde mijn wereldbeeld en heeft me intellectueel sterk verrijkt. Er werd in mij een nostalgie verwekt naar een tijdperk dat ik niet gekend heb, maar wist ook mezelf en de gebeurtenissen rondom mij scherper te situeren in de wereld; ik heb geproefd van politieke denkbeelden, maar werd een wereld gewaar die stinkt naar rancune, hardnekkige oneerlijkheid en bittere afgunst; ik deed mijn eerste reiservaringen op, maar hunkerde bovenal naar meer; leerde Dionysos kennen en de onvermijdelijke muur die daarop volgt. Tot slot heb ik de waarde leren kennen van een goed gesprek op de meest uiteenlopende uren.

Ik was 26 toen ik besloot een appartement te kopen en het ouderlijke nest te verlaten. De drang om op eigen benen te staan was heel sterk geworden en ik verlangde naar een eigen omgeving. Tussen deze muren in de historische binnenstad van Antwerpen vind ik een thuishaven, een plaats waar de beklemming van de buitenwereld wordt geweerd en waar ik mezelf kan zijn. Naast deze heilige ruimte heb ik de wereld leren kennen in haar diversiteit en daaraan een niet afhoudende reishonger overgehouden. Ik voel mij beroerd door de heen en weer zinderende tonen van de Perzische tar en als ik mijn ogen sluit waan ik mij in een ongenaakbaar Safavidisch Esfahan of wordt de broeierigheid van de Cambodjaanse jungle gewaar wanneer ook hier de temperaturen de hoogte ingaan. Hoe kan ik ooit afscheid van nemen van die verre landen waar ik een stuk van mezelf ben verloren? Deze herinneringen koester ik nauw aan mijn hart en ben een hartstochtelijk ambassadeur voor de landen waar ik mijn hart ben verloren.

Ik ben 30 en maak het testament op van mijn jeugd en het getal bevreemd me. Naar de toekomst toe lokken vrouw en kind maar ik wil eerst aan het degustief beginnen van de roaring twenties voor ik de jaren dertig omhels met alles wat daarbij komt. Het pure, het rauwe, het authentieke ervaren, voelen dat ik echt leef. Alles lijkt echter troebeler te worden: vroeger leek alles helder en wanneer ik mijn eerdere schrijfsels lees lijkt het of ik, naarmate ik ouder word, een minder duidelijk wereldbeeld heb. Drijf ik alsnog weg in de maalstroom of klaart de troebelheid op? Daarom dit testament, een verfijning van en een aanvulling op het manifest dat ik vijf jaar geleden schreef.

II.

Things fall apart; the centre cannot hold

“The second coming”, W.B. Yeats

Mijn buikgevoel zegt me dat ons tijdperk uit haar lood geslagen en in verval is. In die zin zwem ik in tegen de stroom want ook al is het vooruitgangsoptimisme in postmoderne tijden niet meer gangbaar, toch is het nog altijd de pessimist die zich moet verantwoorden en niet de optimist. Toch ben ik voorzichtig met die termen, want het ene leidt tot een cliché van gemopper en verzuring en het andere tot naïviteit en blindheid. Zowel optimisme als pessimisme zijn uit balans, meent de Roemeense schrijver Emil Cioran. Een crisisbesef is niet enkel van deze tijd: beschavingen waren ook al in de oudheid onderhevig geacht aan een organische cyclus van opkomst, bloei en verval. Alles neigt naar entropie, naar chaos.

Er is echter niet veel om vrolijk over te zijn als je de balans opmaakt van ons tijdperk. Op geopolitiek vlak verschuiven de machtsverhoudingen drastisch en dat zorgt voor meer spanningen en breuklijnen. Stilaan evolueren we naar een multipolaire wereldorde, wat de huidige geopolitieke dynamiek op een hellend vlak zet. Grondstofschaarste is een grote uitdaging: steeds meer landen zien hun bestaande zelfvoorzienigheid afnemen door een toename van de vraag naar grondstoffen. Europa is bijvoorbeeld voor de import van zeldzame metalen bijna volledig afhankelijk van andere continenten, terwijl China ongeveer 85% daarvan in de bodem heeft zitten. Deze jacht heeft een ernstige impact op het milieu. Overbevissing, klimaatverandering en vervuiling zou volgens een studie van het IPSO leiden tot een grootschalige sterfte in de wereldzeeën, vergelijkbaar met de vorige massa-extinctie met de overgang van het Paleoceen op het Eoceen, maar deze roep, samen met andere klimaatgerelateerde waarschuwingen, valt in dovemansoren bij de beleidsmakers. In het slechtste geval zal de mensheid zichzelf niet overleven maar de aarde is een taaie tante en na de mensheid zal de fauna en flora herleven.

Onze maatschappij is doordrongen van de onwerkelijkheid, een illusoire, enclavistische sfeer geschapen door de mediawereld kleurt en beperkt ons perspectief op de wereld. De cultus van het Grote Gelijk zorgt ervoor dat we heel selectief omgaan met de informatie die ons wordt gegeven, ook al is er genoeg materiaal vrij beschikbaar om over ieder onderwerp een genuanceerd beeld te vormen. In debatten, op ieder niveau, zie je heel vaak mensen iemand iets verwijten waar zij zelf ook aan schuldig zijn. Er zijn weinig mensen die daar consistent in zijn en dat geeft een serieuze knauw in de geloofwaardigheid van een kritische publieke opinie. Het ideaal van de media als waakhond van de democratie wordt daarnaast ondergraven door de belangenvermenging met de entertainmentindustrie. “Kunt u het kort houden?” luidt de teneur van de heersende media, net daar waar meer duiding nodig is.

Ik mis de universiteitsjaren waar ik dag in dag uit werd geconfronteerd met boeiende ideeën en mijn wereldbeeld door woord en wederwoord wist aan te scherpen, aangemoedigd door het vloeiende bier. Dat lijkt nu verdwenen, ik ben de echte wereld ingedoken met al haar grillen en geneugten. Het arbeidsleven gaf me de financiële middelen om mijn dromen na te streven en een eigen leven op te bouwen, maar ik voel in mij de drang me intellectueel scherp te houden. De angst te verdommen is reëel, maar houdt me waakzaam. Ik heb nooit goed geweten wat ik wou doen of zijn – misschien omdat ik al ben of niet wil samenvallen met een beroep? Toch mag ik dromen van een toekomstige betrekking die me nauwer aan het hart ligt of alleszins de innerlijke rijkdom behouden die me schut van de maalstroom daarbuiten.

Misschien is het wel de kleinheid van de dagelijkse sleur die me afmat, de nakende dreiging van een kleinburgerlijk conformisme die mij beangstigt en het gevoel geen deel uit te maken van mijn generatie dat zo doet afkeren van mijn tijdspanne. Of wil ik mij niet vereenzelvigen met een generatie die de selfie, de safe space en de meme heeft grootgebracht? Ik voel me vervreemd van het aanhoudende geklaag van verzuurde tijdsgenoten of de frêle houding van mensen met een zelfverklaard positief aura die maar moeilijk tegen kritiek kunnen. Vandaar begrijp ik het oordeel van Cioran dat optimisme en pessimisme uit balans zijn, het levende bewijs dient zich dagelijks aan.

Zijn we dus gezien? Hebben we gewoon de brute pech in een tijd van verval geboren te zijn? Dat is zinsbedrog meent Zeno uit Marguerite Yourcenars’ L’oeuvre au noir: ‘Het is met jouw gouden tijden als met Damascus en Constantinopel, die mooi zijn van een afstand; men moet door hun straten lopen om hun melaatsen en hun gecrepeerde honden te zien. Jouw Plutarchus leert me dat Hephaestion volhield op vastendagen te eten als de eerste de beste ziekelijke veelvraat, en dat Alexander dronk als een Duitse huurling. Weinig tweevoeters sinds Adam hebben de naam mens verdiend.’ Dus neen, we hebben het nog niet helemaal verknoeid – ook al zitten we hier en daar aardig in de buurt – we modderen gewoon wat aan, zoals we dat altijd hebben gedaan. Groei, bloei en verval, allemaal heel organisch in elkaar overvloeiend. Dit besef hou ik goed in het achterhoofd. Ik ben een kind van mijn tijd en als vis in een bokaal slecht geplaatst om een finaal oordeel te vellen over mijn tijdperk.

IV.

“Welcome, O life! I go to encounter for the millionth time the reality of experience and to forge in the smithy of my soul the uncreated conscience of my race.”

A portrait of the artist as a young man van James Joyce

Ik ben een flâneur, een gepassioneerde toeschouwer die zich beweegt in de wereld en haar kwintessens probeert te vatten. Het is een aristocratische, haast solipsistische houding met de nadruk op een innerlijke verbeeldingskracht die me boven de massa verheft en me bewust maakt van mijn unieke visie op de wereld. Ik maak deel uit van de samenleving, maar voel me innerlijk vrij en ongebonden en wil niet zomaar zonder meer voldoen aan haar verwachtingen. Ik hecht geen geloof meer aan onwrikbare axioma’s en de -ismen als wonderkuren  waarvan ik weet dat zij gedoemd zijn tot falen. Onze maatschappij moddert immers niet meer of minder aan dan in het verleden want aanmodderen is onze condition humaine. Waar ik wel waarde aan hecht heb ik hieronder opgesomd. Zij zijn de brandpunten waarmee ik mijn perspectief heb weten te verruimen en mijzelf heb ontwikkeld tot … mijzelf.

Reizen

Het gebrek aan ruimte, een existentiele beklemming en de dagelijkse sleur wakkert mijn drang om te reizen aan, een dwaas heimwee doet mij verlangen naar verre horizonten waar het leven me waarachtiger toeschijnt. Ik heb dankzij de Perzen en Georgiërs ondervonden wat gastvrijheid is, de kwintessens van Heart of Darkness gevat in de Mekongvallei en een raadselachtige symbiose tussen traditie en moderniteit benijd in Japan. Couchsurfen trok mijn ogen open over andere culturen en de wijze raad van een droge Aussie die ik in San Francisco heb ontmoet kan ik aan iedereen die er op uit trekt meegeven: Why travel half around the world and say ‘no’?

Muziek

Zij levert verlichting of legt de nodige zwaarte in een moment; een kletterend drama met de hele santenboetiek of de zoete troost van een nachtegalenlied. Muziek schept een kosmische atmosfeer en staat de luisteraar toe de omgeving van zich af te sluiten, weg van nare verwachtingen en verstikkende conventies. Muziek is een heilige ruimte geworden, een tandem van melancholie en heling die me in een toestand brengt die onthecht is van de tijd. Ik licht de sluier op en zeg tegen mezelf: ‘kijk, hier voorbij alle blablabla, heb ik het leven gevonden.’ Tot vandaag is mijn smaak eclectisch, haast schizofreen, een vat vol verrassingen.

Bildung

Uit Oratio de hominis dignitate van Pico della Mirandola: “Ik heb u noch een vaste plaats, noch een eigen gelaat, noch enige bijzondere gave geschonken, o Adam, opdat gij naar eigen goeddunken uw plaats, uw gelaat en uw gaven zult kiezen, veroveren en bezitten. De natuur begrenst andere wezens door wetten welke ik heb ingesteld. Maar gij, die aan geen enkele grens gebonden zijt, gij zult door uw eigen wil, in de handen waarvan ik u heb geplaatst, uzelf bepalen. Ik heb u te midden van de wereld geplaatst, opdat gij beter kunt aanschouwen wat deze wereld bevat. Ik heb u hemels noch aards, sterfelijk noch onsterfelijk gemaakt, opdat gij vrijelijk en naar eigen oordeel, als goed schilder of een bekwaam beeldhouwer, uw gestalte zult voltooien.”

Literatuur

Ik kan er geen jaartal op plakken wanneer ik me in literatuur ben gaan verdiepen, maar het moet ergens aan het einde van mijn puberteit zijn geweest dat ik mijn eerste duik in de klassiekers heb genomen. Het is een verslaving geworden en al meer dan tien jaar aan een stuk lees ik almaar door aan een duizelingwekkend tempo. Doorheen de jaren heb ik een specifieke smaak ontwikkeld die zich uit in een uitgebreide collectie. Goede literatuur zoals mijn geliefde De broers Karamazov is tijdloos: eigentijds door de eeuwen heen. In literatuur wil ik het mens-zijn ontdekken; een immense diepte en een uitkijkpunt van waaruit ik alles rondom mij kan doorgronden; and drift in dreams of other lives and greater times.

Verwondering

Het bevreemd me dat mensen alles zo vanzelfsprekend kunnen vinden, net omdat ik zelf altijd een nieuwsgierige geest heb gehad. Voorbij de waan van de dag ontdek ik in het leven een diepte die mij doet verwonderen. Mijn subtiele jacht wekt ontzag op, maar ook onbehagen omdat de comfort zone waarin wij ons dagelijks wentelen, in contrast met die verdieping, zo verstikkend en oppervlakkig voorkomt. Het is de dromer in mij die zoveel waarde hecht aan de verwondering, omdat daarin de grote schoonheid van het leven is besloten. ‘Wanneer ons leven eindeloos en smarteloos zou zijn’, schreef Schopenhauer, ‘zou het misschien wel bij niemand opkomen te vragen waarom de wereld bestaat en is zoals ze is: alles zou dan vanzelfsprekend zijn.’

Kunst

Ik laat Hermann Hesse hier aan het woord over wat de kunst mij biedt, want ik weet het niet beter te verwoorden. “Dat was het overwinnen van de vergankelijkheid. Ik leerde inzien dat er van de klucht, de dodendans die het menselijke leven nu eenmaal is, iets overbleef, dat er iets was wat van duurzame aard was: de kunstwerken. Goed, daar komt ook weleens een einde aan, ze kunnen verbranden, ze kunnen aan slijtage onderhevig zijn of gewoon vernield worden. Maar toch zijn ze van langere duur dan een hele reeks mensenlevens, toch vormen ze voorbij de tijd, voorbij het ogenblik, een verstild rijk van voorstellingen en relikwieën. Ik heb zo het gevoel dat het iets goed is, iets waar troost van uitgaat, om daaraan je steentje bij te dragen, want je zou bijna kunnen zeggen dat het het vergankelijke vereeuwigt.”

Tijd

Door haar nauwe verwantschap met verval is de tijd de genius van het leven. Tijd is perceptie, zij heeft verschillende snelheden. De traditionele mens wist haar op een kwalitatieve wijze te ervaren door haar via de mythe en rituelen op te delen in ritmische intervallen. In het begin van de cultfilm Easy Rider ontdoet Henry Fonda zich van zijn horloge, een handeling die de bevrijding van het moderne, rationele tijdsritme symboliseert. Deze tijdsdilatatie bestaat ook in de natuur: op kleine schaal gaat het ons te snel en op grote schaal alles te traag. Wie bewust is van de greep die de tijd op ons heeft weet haar te arresteren: de schepping van een moment buiten de tijd waar het onvermijdelijke verval niet bestaat en waar de eeuwigheid eenvoudigweg stand houdt.

Historisch besef

Een historische opleiding gaf me een gevoel van diepte: alles waarmee wij in aanraking komen kan worden geplaatst in een historische context en dat gaat heel ver. Zo is onze alledaagse taal het resultaat van een lange tocht in de geschiedenis en kan je hedendaagse conflicten pas doorgronden door ze in een context te plaatsen. In plaats van de geschiedenis te beschouwen als een afgewerkt geheel ‘zoals het geweest is’, bepaalt onze omgang met het verleden onze blik op de werkelijkheid. Geschiedenis is continu in beweging, omdat wij continu met haar in dialoog staan. Het is een illusie dat we aan haar kunnen ontsnappen, want ook ons huis, dat bastion dat ons afschermt van de grote boze wereld daarbuiten, is een vergaarbak van het menselijke verleden.

Taal

De wereld heeft maar zin zolang we haar maar met taal kunnen bekleden. Via taal kunnen we alle fenomenen en indrukken we waarnemen in een verhaal gieten. En toch ontbreekt er iets aan taal, iets ontoereikends. Als de taal de wereld begrenst, waarom begrijp ik dan datgene wat ik niet onder woorden kan brengen? Ook Ernst Jünger zag dat in: ’Dan ervoer hij zijn ziel als een donker land ver van de mensen, rijk aan goud en andere zeldzame zaken en omgeven door een gordel van zielloos oerwoud ondernam hij evenwel een poging zich door het kreupelhout te wurmen, dan ontglipten zijn schatten hem onderweg en bracht hij slechts gelach of een kleurloos niets aan het licht.” Het intuïtieve bevindt zich in een domein voorbij de taal, zij emaneert een kosmisch geheim dat zich slechts sporadisch laat raden. Kon ik mijn brein maar koppelen aan een digitale copywriter, een seismograaf die bij de minste trilling mijn gedachten tot uiting brengt, dan zou men mij aan de hand van mijn stream of consciousness me als een heilige dwaas beschouwen.

Schrijven

Ik ben niet zo welbespraakt als ik zou willen zijn, maar bezit een zekere eruditie en maak mezelf wijs dat mijn gedachten op schrift klare taal spreken. Ik beeld me bij het schrijven graag in dat ik uit dat machtige bolwerk van taal woorden haal en probeer samen te smeden tot een zinvol geheel. Op die manier probeer ik dat kleurloze niets waarover Jünger sprak te vermijden. Daar is tijd voor nodig. Een goede tekst is als wijn en moet leven en zich ontwikkelen zodat ze de nodige diepte kan krijgen. Vers proza is nog wat ruw, zei Jünger, maar in de loop der jaren verwerft het patina, zoals onze herinneringen met de jaren een fraaie glans bekomen. Daarnaast is schrijven ook therapeutisch, ik voel welbehagen wanneer ik iets van me kan afschrijven. Toch blijft er een knagend “onaf” gevoel bij iedere poging tot schrijven.

Kosmische eenzaamheidskunde

Immanuel Kant heeft me duidelijk gemaakt dat iedere gewaarwording van ruimte en tijd die wij met onze zintuigen opvangen wordt gefilterd en geordend door ons kenvermogen. Onze wereld wordt dus opgebouwd door ons eigen bewustzijn, niet dat van een ander. Om die reden zijn mensen kosmisch eenzaam: alleen ik kan immers zien en interpreteren wat ik zie of ervaar, al wat buiten mijzelf komt is tweedehandsinformatie. Dat maakt dus dat er meer dan 7 miljard unieke visies zijn op het leven en evenveel werelden. Ik vind die gedachte fascinerend en koester die stille, eenzame momenten waar ruimte ontstaat om te mijmeren. Cato had gelijk: nooit is de mens meer actief dan wanneer hij niets doet, nooit is hij minder eenzaam dan wanneer hij op zichzelf is.

Het sacrale

Als kind nam ik zomaar aan wat men aan mij over God en Jezus vertelde en had ik na de catecheselessen schrik van Jezus, die mij ’s nachts stalkte in de vorm van takken van de boom aan het raam. Als puber flirtte ik met atheïsme en uit rebellie droeg ik een pentagram, zonder te weten waar dit voor stond. Later ontdekte ik een religieuze gevoeligheid in mij, met eerbied betrad ik Vrijdagmoskeeën in Iran, tempels in het Verre Oosten of liet me verbazen door de barokke pracht van Rooms-Katholieke kerken in Europa. Het religieuze maakt tijd en ruimte sacraal en overstijgt het louter menselijke. In De Kruisdraging van Hieronymus Bosch wordt Christus voorgesteld als de rots in de branding, onaangetast door al het bederf rondom hem. Dat is voor mij een religieuze oerervaring: de orde in een chaotische wereld. Ordo ab chao.

Bourgondië

Geluk, dat zit ook in kleine dingen die je smaakpapillen in vervoering brengen. Blauwe schimmelkaas met dadels bijvoorbeeld, gecombineerd met een smeuïge porto of een  romige barley wine. Ook de culinaire geneugten weten een sacraal moment uit te kerven in de maalstroom van de tijd. Dan waan ik mij als God in Frankrijk en weet ik zelfs nog jaren later te herinneren hoe krachtig de wijn in mij de levensgeesten wakker maakte of hoe de nazinderende smaak van whisky bepaalde gedachten in mij deed ontstaan die uiteindelijk in dit schrijven worden weerspiegeld. Ik investeer graag in mijn culinaire geneugten omdat zij mijn wereld ontzettend verrijken. Dan arresteer ik de tijd en wentel me in een kosmos van volmaakt geluk.

De anderen

Ik heb geleerd dat het loont nader tot elkaar te komen, want voorbij reserves en vooroordelen lonkt een ontzagwekkende psychologische diepte. Simpele zielen bestaan dus niet, enkel een gebrek aan perspectief. Kunstzinnige dromen zijn niet alleen te vinden bij mensen die grote artistieke verwezenlijkingen tot stand brengen, maar ook bij het “gewone” volk: de kassierster van de lokale Carrefour of de man die je vuilzakken ophaalt zijn – bewust of onbewust – waanzinnig creatief. Ook achter hun bezigheden schemert een grootse onbegrijpelijke wereld die de meest onbenullige mens veredelt. Vergeet niet dat het door onze naasten is dat wij als mensen worden gevormd.

De goddelijke nonchalance

Ik ben mij bewust van mijn nonchalante houding. De reden daarvoor is dat ik het leven sub specie aeternitatis – vanuit het perspectief van de eeuwigheid – bekijk: alle materie en leven kan je terugbrengen naar de elementaire hoogovens van de sterren. Wij zijn geboren uit een schitterende supernova, weggeslingerd in een gigantische ruimte waaruit het zonnestelsel is ontstaan en een planeet die er een aantal miljard jaar over deed om via een reeks evolutionaire gissingen en de juiste condities een complex wezen als de mens voort te brengen. Een andere inspiratiebron voor mijn nonchalance zijn de reizen die ik heb gemaakt naar bestemmingen die niet geplaagd zijn door de regelneverij of de rat race als het Westen. Ik probeer me die onbedwongen nonchalance, die zo bevrijdend aanvoelt, eigen te maken en boei me niet op door futiliteiten. Hoewel deze goddelijke nonchalance me behoed voor blindheid voor het grotere plaatje, schuilt het gevaar erin dat ook bekommernissen die er soms wél toe doen me ontgaan.

V.

Wat overzien wij maar een onbeduidend stukje van ons eigen leven, als je dat vergelijkt met de diepte van de wereldtijd! En toch, als onze blik zich richt op het individuele en eigene, dan verliest die zich net zo dromerig en omfloerst in eigen vroegten en verten als wanneer we het veel grotere mensheidsleven in beeld proberen te krijgen – ontroerd door de waarneming van een eenheid die zich daarin herhaalt.

Jozef en zijn broers van Thomas Mann

Ik wil niet blind te zijn voor wat ik de grote diepte van de wereld noem: een wereld die niet zonder meer vanzelfsprekend is maar die ik wil doorgronden als een zorgvuldig gecomponeerd geheel dat al even schizofreen is als mijn playlist. Rauw en verfijnd, luidruchtig en geruisloos, harmonisch en chaotisch, flux en reflux. Het leven is een vreemd theater waar we plots op de planken worden geworpen met andere medespelers en na veel vijven en zessen terug achter de coulissen moeten duiken. Heidegger had het heel goed begrepen: het Zijnsgebeuren is in essentie ongrijpbaar. Onze fout is dat wij het bestaan teveel proberen te beheersen en haar te serieus hebben genomen. Om die overvloed aan serieux tegen te gaan is gelatenheid nodig, een ironische nonchalance, een speelse kijk op het menselijke bestaan. Wat is het leven immers meer dan een vrolijke dans op ’t galgenveld?

Niemand zal nooit deze werkelijkheid kennen, het kenbare is immers een eiland omgeven door een oceaan dat Immanuel Kant het ‘Ding an sich’ benoemde. Onze werkelijkheid wordt subjectief vervormd door onze eigen geest: de werkelijkheid buiten ons wordt door onze geest bewust en onbewust, redelijk en onredelijk, omgevormd tot een gepercipieerde werkelijkheid. Dat wil zeggen dat het enige zijnde waarover een mens concreet en redelijk kan praten is datgene wat overeenkomt met zijn eigen perceptie. Die betrokkenheid is de kern van de kosmische eenzaamheid waarover ik eerder schreef. Die “eigen perceptie” wordt natuurlijk hevig beïnvloed door invloeden van buitenaf zoals opvoeding, het culturele kader waarbinnen men zich beweegt, opleiding, etcetera. Er staan hapklare referentiekaders klaar die ons een zicht geven op de wereld waarin wij ons bewegen, handelen en denken. Ik ben tot zekere hoogte geconditioneerd door mijn omgeving – een toestand waaruit ik mij nooit geheel kan ontworstelen, maar toch ben ik van mezelf bewust als een demiurg die een eigen werkelijkheid aan elkaar weet te vlechten.

De mens is een tussenwezen, meent Blaise Pascal: een niets vergeleken met het oneindige, een Al in vergelijking met het niets, een midden tussen niets en alles. Als biologisch wezen slechts het resultaat van een reeks evolutionaire gissingen, op het kosmische uurwerk slechts een fractie van een seconde op een heel lange tijdslijn, op kosmische schaal gelegen in een zoveelste kwadrant van de Melkweg, dat ondanks haar ontzagwekkende grootte, die de mens nooit in zijn geheel kan koloniseren of domineren, zelf maar een fractie is van haar lokale Supergroep, die op haar beurt nog niet eens zo groot is ten opzichte van het kenbare, steeds uitdijende heelal. En wat is er voorbij het kenbare? Zo bekeken is ons bestaan een absurde nietigheid, een gefluister in een onmetelijke ruimte, slechts een momentopname. Dat schept voor mij gemoedsrust.

Ik onderga steeds bewuster de gevolgen van die ingrijpende metamorfose van veroudering. Op lange termijn, hopelijk in een verre toekomst, verliezen ik de wedloop met de tijd, maar in ruil daarvoor kan ik mijn leven wel de nodige diepte en rijkdom geven. Daarom werp ik nu, aan het begin van mijn jaren dertig, de handschoen in het aanschijn van de Tijd. Door de subtiele jacht naar verwondering en de mythische overdrijving van de werkelijkheid kan ik haar schalkse mars arresteren, net zoals Proust dat deed door het madeleinekoekje te doppen in de lindenbloesemthee. Ik wil datgene waar kinderen zo goed in zijn: de zomers veel langer, avonturen stoutmoediger en onweders brutaler maken dan ze in werkelijkheid zijn. Ik heb de mogelijkheid terug te keren naar de ongeschonden jaren van mijn eeuwige jeugd en nestel me in de warme boezem van innerlijke verbeeldingskracht waar de tijd geen vat op me heeft. Schrijlings weergalmt het in de stoffige uithoeken van mijn kranige schedel: “Ach, dat ik dit wonder moge meemaken!”

P.

Uit “Godenslaap” van Erwin Mortier

En toch moet ook in haar leven de tijd steeds minder homogeen geworden zijn naarmate ze ouder werd, met dagen die uitlopen als twijgen en hun inwendige verdubbelen; minuten waarin zich tientallen geschiedenissen samenballen, en evenveel ontknopingen of open eindes. Eeuwen zou het vergen, en meerdere universiteiten, om de gesprekken tussen mijn moeder en mij in mijn kinderjaren te kunnen begrijpen, om alle nuances en bijbetekenissen die erin vibreerden bloot te leggen, de veronderstellingen die achter de woorden schuilgingen, wat we verzwegen of voor vanzelfsprekend namen, en al die vluchtige essenties, de onuitgesproken angst, zorg, wrok en, waarom niet, liefde die als verstekelingen meereisden in de buik van de woorden die we elkaar toespeelden tijdens het werk.

Wellust werd de worm gegeven!

En ik ben zo’n worm, broer, dat is speciaal over mij gezegd. En wij, Karamazovs, zijn allemaal net zo, ook in jou, engel, leeft die worm en veroorzaakt stormen in je bloed. Stormen, omdat de wellust een storm is, erger dan een storm! Schoonheid is iets verschrikkelijks, iets ontzettends! Verschrikkelijk, omdat ze ondefinieerbaar is, je kunt haar niet definiëren omdat God uitsluitend raadsels heeft opgegeven. Hier komen de oevers bijeen, hier leven alle tegenstrijdigheden samen. Ik ben niet erg onderlegd, broer, maar hier heb ik veel over nagedacht. Verschrikkelijk veel geheimen! Teveel raadsels die de mens op aarde verdrukken. Raad zoveel als je kan en probeer er het beste van te maken. Schoonheid! Wat ik onverdraaglijk vind, is dat een van hart en geest zeer hoogstaand mens begint met het ideaal van de Madonna en eindigt met het ideaal van Sodom.  Nog erger is hij die zelfs met het ideaal van Sodom in zijn hart het ideaal van de Madonna niet ontkent omdat zijn hart nog waarlijk, waarlijk voor de Madonna brandt, net als in zijn jonge, zondeloze jaren. Nee, de mens is te veelomvattend, een beetje al te veel, ik zou het wat inkrimpen. God mag weten wat dat is, hé! Wat zich aan de geest voordoet als schandalig, dat is voor het hart pure schoonheid. Is er schoonheid in Sodom? Reken maar van wel, voor de overgrote meerderheid der mensen – ken je dat geheim soms niet? Het verschrikkelijke is dat schoonheid niet alleen iets ontzettends is, maar ook iets geheimzinnigs. De duivel die met God strijdt, en het strijdtoneel is het hart der mensen. En ja, waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.

Uit: De broers Karamazov, Fjodor Michailovitsj Dostojevski

Uit ‘Parades End’

180px-ford_madox_ford

And Tietjens, who hated no man, in face of his simpleminded and agreeable schoolboy type of fellow, fell to wondering why it was that humanity that was next to always agreeable in its units was, as a mass, a phenomenon so hideous. You look at a dozen men, each of them not by any means detestable and not uninteresting, for each of them would have technical details of their affairs to impart; you formed them into a Government or a club and at once, with oppressions, inaccuracies, gossip, backbiting, lying, corruptions and vileness, you had the combination of wolf, tiger, weasel and louse-covered ape that was human society. And he remembered to words of some Russian: ‘Cats and monkeys. Monkeys and cats. All humanity is there.’

Ford Maddox Ford, Parades End

The creation of the Silk Road

1825030

We can imagine the life of a gold coin two millennia ago, struck perhaps in a provincial mint and used by a young soldier as part of his pay to buy goods on the northern frontier of England and finding its way back to Rome in the coffers of an imperial official to collect taxes, before passing into the hands of a trader heading east, and then being used to pay for produce bought from traders who had come to sell their provisions at Barygaza. There it was admired and presented to leaders in the Hindu Kush, who marvelled at its design, shape and size and then gave it over to be copied by an engraver – himself perhaps from Rome, perhaps from Persia, or from India or China, or perhaps even someone local who had been taught the skills or striking. This was a world that was connected, complex and hungry for exchange.

Peter Frankopan, The Silk Roads

Hoe zou het zijn?

Hoe zou het zijn om in een wereld te leven waarin alles met handkracht, wind of water werd gedaan? hoe zou het zijn om in een wereld te leven waarin de Amerikaanse indianen nog in vrede leefden? Waarin dat leven een feitelijke mogelijkheid betekende? Waarin Afrika nog niet veroverd was? Waarin de duisternis viel met zonsondergang en het licht werd met zonsopgang? Waarin de mensen én te gering in aantal waren én te simpele werktuigen hadden om het dierenbestand te beïnvloeden, laat staan uit te roeien? Waarin je niet zonder inspanning van de ene plaats naar de andere kwam en comfort alleen aan de rijken voorbehouden was, waarin de zee vol walvissen zat, de bossen vol beren en wolven en er nog steeds land bestond dat zo vreemd was dat geen enkel sprookje eraan kon tippen, zoals China, dat een reis betekende die niet alleen maandenlang duurde en slechts een ontzettend kleine minderheid zeevaarders en handelslieden vergund was, maar die bovendien verbonden was met dodelijk gevaar. Natuurlijk was die wereld grof en armoedig, vuil en door ziekte geplaagd, vol dronkenschap en onwetendheid, vol pijn, was de levensverwachting gering en het bijgeloof groot, maar hij bracht de grootste schrijver, Shakespeare, de grootste schilder, Rembrandt, de grootste wetenschapper, Newton, voort, allen nog steeds onovertroffen op hun gebied, en hoe kan het dat juist die tijd zo’n overvloed kende? Kwam dat omdat de dood dichterbij was en het leven daardoor intenser?

Karl Ove Knausgård, Liefde