TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Over boeken

1) Ben je verslaafd aan boeken kopen?
Ik heb een heel sterke drang om boeken te kopen, ook al maak ik mezelf na een zoveelste aankoop wijs dat ik eens een bibliotheekkaart moet aanschaffen. Een zinnig excuus is dat een boek mijn huisdecor verrijkt: ik ben immens fier op mijn boekenwand annex privébibliotheek. Een huis waar boeken domineren boven een big ass TV is een huis met een ziel, denk ik dan in de trant van Cicero. Of om het met een cliché te zeggen: mijn boekenkast laat zien wie ik ben. Ebooks spreken me niet aan, het boek als een materieel object is van belang omdat het een fysieke ervaring is: de zwaarte van een boek, het omslaan van een pagina, de bedwelmende houtgeur van oudere boeken zijn onmisbare zaken. Het gaat zelfs zo ver dat ik een goed boek streel wanneer ik de pagina’s opensla, net zoals je een hond aait na braaf gedrag aai ik het boek door een straf geformuleerde zin, een rake gedachte of een onthullende plottwist.
 
2) Wanneer koop je meestal boeken?
Als de gelegenheid zich voordoet. Als ik een auteur goed vind koop ik er meerdere boeken van en probeer op te zoeken wie deze heeft geïnspireerd of wie deze inspireert. Het kan zijn dat ik een hele maand geen boeken koop, maar ik kan op een week tijd meerdere boeken kopen. Er was een tijd dat ik regelmatig een bezoekje bracht aan Leon, die een aanlokkelijk antiquariaat heeft aan de Wolstraat en me weet te paaien met literaire tips, maar dat is al even geleden. Geen nood, Leon, ik kom nog wel eens terug met een rijk gevulde geldbuidel en ik hoop dat je nog wat zeldzame Jüngers in petto hebt.
 
3) Hoeveel boeken koop je meestal per keer?
Dat hangt af van het budget dat ik mijzelf opleg. Geef me een bon van 50 euro en ik dartel tussen de boekenrekken en kom af met een stapel – tenzij ik een klepper kies van 50 euro, dan is het maar eentje. Er is dus geen meestal, soms eentje, soms geentje, soms een hele roedel bij elkaar. De laatste tijd gaat het om enkelingen omdat de kastruimte me daartoe dwingt.
 
4) Ga je meestal alleen boeken kopen of met iemand samen?
Meestal alleen, soms met iemand samen. Ik heb geen specifieke voorkeur, maar neem wel graag mijn tijd en kan soms lang twijfelen over een aankoop.
 
5) Wat trekt je aan in een boek?
Een boek opent werelden, schept perspectieven, prikkelt mijn fantasie, doet ideeën ontwikkelen of brengt klaarheid in je eigen gedachten. Lezen houdt me intellectueel scherp en wapent me tegen elke vorm van geestelijke afstomping, breekt de dagelijkse routine en geeft me een behaaglijk gevoel. Het voelt aan als thuiskomen na een lange dag werken of net als op reis gaan wanneer het werken je teveel is geworden, in beide gevallen dus een zeer welgekomen verpozing.
 
6) Is er een specifiek genre waar je meteen naartoe trekt in de boekwinkel?
Ik ben een veelvraat en beperk me niet tot een bepaald genre zoals detectives of ontspanningsliteratuur. Als ik mijn boekenkast vluchtig bekijk zie grote klassiekers, historische monografieën, kortverhalen, filosofische werken, dichtbundels, kunstboeken, graphic novels, dagboeken, … Ze staan er allemaal: Dikke Russen, Melancholische Roemenen, Peinzende Duitsers, Luidkeelse Amerikanen, Gothische Britten, Scherpzinnige Japanners, Volkse Vlamingen, Gedurfde Ollanders, Grofgebekte & Fijnbesnaarde Fransen, Dronken Perzen…
 
7) Koop je boeken liever nieuw, tweedehands of maakt het niet uit?
Ik snuister het liefst in tweedehandswinkels, omdat gerafelde exemplaren een geschiedenis met zich dragen. Zo heb ik een DDR-publicatie van de werken van Schiller die rijkelijk zijn voorzien van kritische bedenkingen bij de inleiding die de Duitse schrijver probeert te zien als een protosocialistische denker. Sommige boeken in mijn bezitting zijn bijna 100 jaar oud en hebben een fantastische geur, ook niet onbelangrijk. Een nieuw boek kan ook zijn charmes hebben, zoals de prachtige uitgaves van Spenglers’ behaaglijk-pessimistische De ondergang van het Avondland of Mann’s machtige Jozef en zijn broers, of antiquaire hebbedingetjes zoals Ernst Jüngers’ sublieme Parijse dagboeken die zo gegeerd zijn in de Nederlandse vertaling. Er hangt een prijskaartje aan, maar ze zijn elke cent waard.
 
8) Hoeveel geef je per maand gemiddeld uit aan boeken?
Vroeger dacht ik mijn fietsvergoeding te hanteren als maatstaf van mijn maandelijks budget, maar dit varieert omdat ik mezelf soms een koopverbod opleg. Boeken kosten geld en er is meer in het leven dan boeken kopen (ook al zijn er zoveel pareltjes te ontdekken).
 
9) Heb je jezelf wel eens een shopverbod opgelegd?
O ja, al veelvuldig en iedere keer weet ik mijn eigen verbod te overtreden.
 
10) Hoe lang duurt het voor je in een boek begint dat je hebt gekocht?
Dat varieert van vrijwel meteen tot enkele jaren. Zo heb ik jaren gewacht tot ik begon aan East of Eden van John Steinbeck en het is natuurlijk tijdens zo’n leeservaring dat je jezelf voor het hoofd kan slaan dat je zolang hebt gewacht om het boek vast te grijpen. Zo zijn er nog andere boeken die al een tijdlang wachten op hun tijd. Ik herlees ook vaak boeken, sommige jaarlijks op een vast tijdstip (Karamazovweelde!), anderen wanneer ik er om een of andere reden zin in heb gekregen.
 
11) Koop je liever meerdere voordelige dunne boeken, of één duur en dik boek?
Dat hangt af welke boeken het zijn. Ik wacht al lange tijd om Parerga & Paralipomena van Schopenhauer te kopen, maar het dure prijskaartje schrikt me af. Een of twee keer per jaar durf ik meer dan de gemiddelde prijs geven aan een boek, maar die zijn het dan ook echt wel waard. Gelukkig zijn er ook vele mooie goedkope uitgaven te vinden, zoals Penguin Classics.
 
12) Heb je nog iets te zeggen over je boekverslaving?
Opgeslokt worden door een boek zonder achting te nemen op wat er rond mij gebeurt is mij niet ongekend. De werelden die door boeken worden geopend zijn mateloos boeiend – vandaar die hardnekkige leesverslaving, maar dat geldt ook voor de Grote Boze Wereld daarbuiten. Om van het leven te genieten ga ik af en toe dat boek eens opzij moeten leggen.
 
13) Welke boeken heb je als laatste gekocht?
Murakami’s De kleurloze Tsuruku en zijn pelgrimsjaren. Hoewel hij zijn landgenoot Yukio Mishima niet kan overtreffen, vind ik zijn boeken fantastisch om te lezen. Ik kijk er dus naar uit, maar eerst een tiende lezing van De broers Karamazov van Dostojevski. Dat is mijn jaarlijkse afspraak in de herfst.
 
P.
Advertenties

Spengler: het oneindige bos als verlangen van alle Westerse bouwvormen

SONY DSC

Het woord ‘God’ klinkt anders onder de bogen van gotische kathedralen en in de kloosters van Maulbronn en Sankt Gallen dan in de basilica’s van Syrië en de tempels in het republikeinse Rome. In de bosachtige atmosfeer van de kathedralen, het imposante uitrijzen van de hoofdbeuk boven de zijbeuken in vergelijking met het platte dak van de basilica, in de transformatie van de zuilen, die door basement en kapiteel als opzichtig-zelfstaande individuele dingen in de ruimte waren opgesteld, tot pilaren en reeksen pilaren die uit de bodem verrijzen en waarvan de vertakkingen en lijnen zich boven onze hoofden tot in het oneindige verdelen en met elkaar verstrengelen, terwijl door de reusachtige ramen die de muren hebben opgelost een onbestemd licht door de ruimte stroomt, licht de architectonische verwerkelijking van een wereldgevoel dat in het hoogopgaande geboomte van de Noord-Europese vlakten zijn meest oorspronkelijke symbool had gevonden. En wel in het loofbos met zijn mysterieuze wirwar van takken en het gefluister van de eeuwig bewogen bladermassa boven het hoofd van de toeschouwer, hoog boven de aarde, waarvan de kruin middels van de stam probeert los te komen. Denk wederom aan de romaanse ornamentiek en haar diepe affiniteit met de betekenis van de bossen. Het oneindige, eenzame, schemerige bos is het geheime verlangen van alle westerse bouwwerken gebleven. Daarom lost, zodra de vormenergie van de stijl verflauwt, zowel in de late gotiek als aan het einde van de barok, de beheerste abstracte lijnentaal direct weer op in naturalistisch takwerk, in ranken, twijgen en bladeren.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler over Michelangelo

Michelangelo Pieta.jpg

Pièta van Michelangelo (St.-Pietersbasiliek, Rome)

Voor Phidias is het marmer de kosmische stof die naar vorm verlangt. De legende van Pygmalion biedt de sleutel voor heel de essentie van deze apollinische kunst. Voor Michelangelo was het marmer de vijand die hij onderwierp, de kerker waaruit hij zijn idee moest bevrijden, zoals Siegfried Brünnhilde bevrijdt. Men kent de hartstochtelijke manier waarop hij het ruwe blok aanviel. Hij benaderde het niet van alle kanten met oog op de gewilde gestalte. Hij beitelde in de steen alsof hij in een ruimte beitelde en bracht een figuur tot stand door van het blok, beginnend aan de voorzijde, laag voor laag het materiaal weg te nemen en in de diepte door te dringen, terwijl de ledematen langzaam uit de massa vrijkwamen. De wereldangst voor het gewordene, voor de dood, die men door een levendige vorm probeert te bezweren, kan niet duidelijker worden uitgedrukt. Er is geen tweede kunstenaar in het Westen die zo’n diepte en tegelijk gewelddadige verhouding heeft tot de steen als symbool van de dood, tot het vijandige principe daarin, dat zijn demonische natuur steeds weer wilde bedwingen, of hij er nu zijn standbeelden uit hakte of de stenen torenhoog stapelde tot zijn imposante bouwwerken.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler: de oorsprong van het hogere denken

Spengler

‘Van het vijfjarige jongetje naar mij is maar een stap. Maar van de pasgeborene naar het kind van vijf is een verbijsterende afstand’, heeft Tolstoj ooit gezegd. Hier, op dit beslissende punt van het bestaan, waar de mens pas mens wordt en zijn ontstellende eenzaamheid in het heelal leert kennen, toont zich de wereldangst als puur menselijke angst voor de dood, voor de grens in de wereld van het licht, voor de starre ruimte. Hier ligt de oorsprong van het hogere denken, dat in eerste instantie een nadenken is over de dood.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler over symbolen

Spengler

Symbolen zijn zintuiglijke tekens, laatste, ondeelbare en vooral ongewilde indrukken met een bepaalde betekenis. Een symbool is een trek van de werkelijkheid die voor wakkere mensen met directe innerlijke zekerheid iets betekent wat verstandelijk niet kan worden meegedeeld. Een Dorisch, vroeg-Arabisch, vroegromantisch ornament, de aanblik van een boerderij, van de familie, van het intermenselijke verkeer, klederdrachten en rituele handelingen, maar ook het gelaat, de manier van lopen en de houding van een mens, van hele standen en volkeren, de communicatievormen en woonvormen van alle mensen en dieren en bovendien heel de stomme taal van de natuur met haar bossen, grazige weiden, kudden, wolken, sterren, maanverlichte nachten en onweren, met bloeien en verwelken, nabijheid en verte – dat alles is een zinnebeeldige indruk die het kosmische maakt op ons die wakker zijn en die op momenten van inkeer die taal heel goed verstaan; en anderzijds is het gevoel de dingen dienovereenkomstig te begrijpen datgene wat families, stammen en ten slotte hele culturen uit de algemene mensheid licht en bijeenhoudt.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler: de geboorte en het sterven van een cultuur

Spengler

Een cultuur wordt geboren op het moment waarop een grote ziel uit de oerzielachtige toestand van de eeuwig kinderlijke mensheid ontwaakt, zich losmaakt, een gestalte uit het vormloze, iets begrensd en vergankelijks uit het grenzeloze en gelijkblijvende opduikt. Zij komt tot bloei op de bodem van een nauwkeurig te begrenzen landstreek, waaraan ze als een plant gebonden blijft. Een cultuur sterft als deze ziel al haar mogelijkheden in de gedaante van volkeren, talen, geloofsleren, kunsten, staten, wetenschappen heeft verwerkelijkt en terugkeert naar het oerzielenleven. Haar levende bestaan, de opeenvolging van grote tijdperken die strikt genomen de voortschrijdende voltooiing markeren, is echter een diep innerlijke, hartstochtelijke strijd voor het behoud van de idee tegenover de machten van de chaos van buiten alsook tegen het onbewuste van binnen, waarin die machten zich wrokkig hebben teruggetrokken. Niet alleen de kunstenaar vecht tegen de weerstand van de materie en tegen de vernietiging van de idee in hemzelf. Elke cultuur staat in diep symbolische en haast mystieke relatie tot de uitgebreidheid, tot de ruimte waarin en waardoor ze zich wil verwerkelijken. is het doel bereikt en de idee in al haar innerlijke mogelijkheden ten volle ontplooid en naar buiten toe verwerkelijkt, dan verstart de cultuur plotseling. Ze sterft af, haar bloed stolt, haar krachten breken – ze wordt civilisatie. Dit is wat we voelen bij de woorden ‘egypticisme’, ‘byzantinisme’ en ‘mandarijnendom’ en wat we daaronder verstaan. Zo kan ze, als een verweerde woudreus in het oerwoud, nog honderden en duizenden jaren lang haar vermolmde takken omhoogsteken. We zien het aan China, aan India, aan de wereld van de islam. Zo rees de antieke civilisatie van de keizertijd met een schijnbaar jeugdige kracht en weelderigheid reusachtig op en beroofde de jonge Arabische cultuur van het Oosten van lucht en licht.

Dit – de innerlijk en uiterlijke voltooiing, het ‘af-zijn’ dat elke levende cultuur te wachten staat – is de strekking van alle ondergangen van de geschiedenis. De ‘ondergang van de klassieke oudheid’ staat ons in grote lijnen het duidelijkst voor ogen, terwijl we de vroegste voorbodes van onze eigen ondergang, een wat verloop en duur betreft in elk opzicht vergelijkbare gebeurtenis, die de eerste eeuwen van de komende millennia zal beslaan, de ‘ondergang van het Avondland’, vandaag de dag al duidelijk in ons en om ons heen bespeuren.

Uit: De ondergang van het Avondland, Oswald Spengler (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017).

Spengler: ‘wiskunde is dus ook een kunst’

Spengler

De wiskunde reikt echter boven observeren en ontleden uit. Op haar hoogtepunten gaat zij visionair, niet abstraherend te werk. Van Goethe stamt ook de diepzinnige uitspraak dat de wiskundige alleen volmaakt is voor zoverre hij innerlijk de schoonheid van het ware ervaart. Hier zal men voelen hoe dicht het geheim dat in de essentie van het getal besloten ligt en het geheim van de artistieke schepping bij elkaar liggen. Hiermee komt de geboren wiskundige naast de grootmeesters van de fuga, de beitel en het penseel te staan, die zich eveneens die grote orde van alle dingen, die de alledaagse medemens van hun cultuur in zich draagt zonder ze echt te bezitten, in symbolen willen en moeten kleden, verwerkelijken en mededelen. Hiermee wordt het rijk van de getallen naast het rijk van de klanken, lijnen en kleuren een afbeelding van de wereldvorm. Daarom betekent het woord ‘scheppend’ op wiskundig vlak meer dan in de pure wetenschappen. Newton, Gauss en Riemann waren kunstzinnige naturen. Lees na hoe hun grote denkbeelden hun plotseling invielen. ‘Een wiskundige’, meende de oude Weierstrass, ‘die niet tevens iets zoals een dichter is, zal nooit een volmaakt wiskundige zijn.’

Uit: De ondergang van het Avondland, Oswald Spengler (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler: hun oudheid

Hun ‘oudheid’ vormde steevast de achtergrond voor een levensideaal dat ze zelf hadden geschapen en met hun hartenbloed hadden gevoed, een vat waarin ze hun eigen wereldgevoel konden uitgieten, een fantoom, een idool. In filosofische en poëtische kringen haalt men zijn hart op aan de gedurfde beschrijvingen van de drukte in de grote stad bij Aristophanes, Juvenalis en Petronius, aan de vuiligheid van het Zuiden en het gepeupel, het lawaai en de gewelddadigheid, aan lustknapen en courtisanes, aan de falluscultus en de caesarische orgieën – maar voor dezelfde realiteit in de huidige wereldsteden haalt men zijn neus op en gaat het klagend uit de weg. ‘In de steden is het slecht wonen: daar zijn te veel wellustige mensen.’ Aldus sprak Zarathoestra.

Uit: De ondergang van het Avondland van Oswald Spengler (Boom, Amsterdam, 2017)

1984 – “Doublethink”

1984_by_alcook-d4z39dh

To know and not to know, to be conscious of complete truthfulness while telling carefully constructed lies, to hold simultaneously two opinions which cancelled out, knowing them to be contradictory and believing in both of them; to use logic against logic, to repudiate morality while laying claim to it, to believe that democracy was impossible and that the Party was the guardian of democracy; to forget whatever it was necessary to forget, then to draw it back into memory again at the moment when it was needed, and then promptly to forget it again: and above all, to apply the same process to the process itself. That was the ultimate subtlety: consciously to induce unconsciousness, and then, once again, to become unconscious of the act of hypnosis you had just performed. Even to understand the word ‘doublethink’ involved the use of doublethink.

George Orwell, 1984

De brandschatting van Yuan Ming Yuan

In augustus 1860 tijdens de Tweede Opiumoorlog landden 18.000 Britse en Franse strijdkrachten in de baai van Pechili, op een boogscheut van Peking gelegen. Gesteund door een leger van Chinese hulptroepen weten zij snel op te rukken naar de Chinese hoofdstad om de Qing-dynastie tot onderhandelingen te dwingen. Hoewel de veldtocht militair gezien al snel succesvol wordt beëindigd zinken de afgevaardigden van de geallieerden snel weg in het moeras van de Chinese diplomatie met haar raadselachtige etiquette en een keizer die wegvlucht met zijn eunuchen naar een schuilplek voorbij de Chinese Muur. Begin oktober van dat jaar stuiten de geallieerde troepen net buiten Peking op de verbijsterende Yuan Ming Yuan-tuin, verfraaid met talloze paleizen en paviljoens.

“Herten met fabelachtige geweien liepen er tussen bosschages en licht kreupelhout te grazen op de hellingen van kunstmatige bergen, en al die onbegrijpelijke pracht van de natuur en de door mensenhand daarin aangebrachte wonderen werden weerspiegeld in de donkere waterpartijen die door geen zuchtje wind werden bewogen. De verschrikkelijke vernietiging die gedurende de volgende dagen in het legendarische tuinlandschap werd aangericht en die spotte met alle militaire discipline en hoe dan ook met elke reden, is slechts gedeeltelijk te verklaren als een gevolg van de woede over de steeds maar uitgestelde beslissing.

De ware reden voor de brandschatting van Yuan Ming Yuan lag vermoedelijk in de ongehoorde provocatie die deze paradijselijke wereld, gecreëerd uit de aardse werkelijkheid en alle ideeën over het Chinese gebrek aan beschaving logenstraffend, betekende voor de soldaten, die zelf oneindig ver van huis waren geraakt en uitsluitend gewend waren aan dwang, ontbering en onderdrukking van hun verlangens.”

Uit: W.G. Sebald, De ringen van Saturnus