De verloren tempel.

door Prachtige Pjotr

“Hebben jullie niet gehoord van die dolle mens die op klaarlichte dag een lantaarn aanstak, de markt op liep en onophoudelijk schreeuwde: ‘Ik zoek God! Ik zoek God!’ – Omdat er daar juist veel van die lieden bijeenstonden die niet aan God geloofden, wekte dit een groot gelach. Is hij soms verloren gegaan? zei de een. Is hij verdwaald als een kind? zei de ander. Of heeft hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Is hij scheep gegaan? Naar het buitenland vertrokken? – Zo schreeuwden en lachten zij door elkaar. De dolle mens sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. ‘Waar God heen is?’ riep hij uit. ‘Dat zal ik jullie vertellen! Wij hebben hem gedood, – jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars!“

§ 125 – De dolle mens[1]

 

De dood van God, hier aangekondigd door de dolle mens, was in zijn ogen een sleutelmoment in de Europese geschiedenis. Het is heel belangrijk te weten wat dit impliceert. Nietzsche wilde met deze stelling niet zeggen dat we van vandaag op morgen ineens atheïstisch zijn geworden en alle vormen van religiositeit overboord zullen gooien. Met de dood van God is de rusteloze drang naar het Absolute niet verdwenen. Het menselijke streven naar absolute waarheid zal zich manifesteren onder gelaïciseerde stromingen. Socialisme, liberalisme, sciëntisme en het positivisme zijn immers surrogaten voor het oude christelijke ideaal van het oude Europa. Nietzsche was in deze kwestie in feite zeer optimistisch, want hij koos resoluut voor het Morgenland, de culturele regeneratie die dankzij een individueel vitalisme van start zou gaan.

De dood van God impliceerde ook dat de moderne mens de weg naar de tempel zou verliezen. Hier spreken we van een belangrijk tijd- en ruimteverschil, dat Mircea Eliade aanduidt als de profane en de sacrale wereld. Wat zijn deze twee ‘werelden’? De profane wereld duidt op een kwantitatieve, meetloze en in wezen zinloze wereld. De sacrale wereld is een kwalitatieve wereld dat wordt afgebakend en wordt toegekend met een zingevende betekenis door een Centrum. De betreding van de tempel is een niveaubreuk begaan tussen de profane en sacrale wereld. Wie het profane verlaat, verlaat ook de profane tijd, regels, waarden en normen. Bijbelse figuren moesten bijvoorbeeld hun sandalen uitdoen wanneer ze een door God afgebakende ruimte moesten betreden en vandaag zien we ook dat moslims hun schoenen uitdoen wanneer zij de moskee willen betreden. Wie de sacrale ruimte dus betreedt, zegt voor een bepaalde tijd vaarwel aan het publieke leven buiten deze ruimte.

De dood van God heeft echter dit onderscheid door elkaar geschud. Waar vroeger de kerken, en ik ga hier niet beginnen met historisch relativisme door decadente pausen aan te halen die zich wel eens vergrepen aan vrouwen en jongetjes, sacrale ruimtes waren die onaangeraakt werden door de profane buitenwereld is de vervaging tussen deze twee ruimtes compleet geworden. De tempel is verloren in de zin dat wij geen absolute sacrale ruimte meer kennen in onze Westerse wereld. De desacralisering van de wereld liet ruimte over tot de inmenging van beide ruimtes zodat een zuivere sacrale ruimte niet meer vindbaar was. Wat gebeurde er? Het profane trad binnen in de sacrale ruimte. Kerken zijn vooral toeristische trekpleisters geworden waarin hele hordes toeristen zich kunnen laven aan architectonische praalzucht, kunstwerken van Rubens en de vele gouden en marmeren beelden die de kerken rijk zijn. Dit betekende echter een aantasting van de genius loci van een plek, de ‘bezieling’ die de ruimte een zingevende betekenis gaf. Zo ergerde de Lierse letterkundige Ernest Van Der Hallen zich in een misviering in de kapel van Sint Helena aan de Golgothaheuvel aan ‘een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd […]’[2].

En toch werd de tempel teruggevonden …


[1] vrij overgenomen uit: NIETZSCHE , Friedrich, De Vrolijke Wetenschap, Amsterdam, 2007, 130

[2] VAN DER HALLEN, Ernest, Cheiks, pelgrims en rabbijnen., Het Spectrum, Utrecht, s.d., 69.

Advertenties