25 november 1970/2010: Yukio Mishima.

door Prachtige Pjotr

Op 25 november 1970, 40 jaar geleden, drong de Japanse schrijver Yukio Mishima (echte naam Hiaoka Kõi) met de Genootschap van het Schild het hoofdkwartier van de Japanse Zelfverdedigingstroepen binnen om er te protesteren ten gunste van de oude Japanse waarden. Hij verschafte zich toegang tot het kantoor van de dienstdoende generaal, om een sabel te bewonderen van een beroemde wapensmid. Vooral de onvoorwaardelijke trouw aan de keizer en de woede tegen de om zich heen grijpende verwestersing van Japan stonden centraal in het betoog dat hij op het balkon van de kazerne voerde. Toch stond dit protest in gespannen voet met Mishima’s levensstijl: een enorme kitsherig aangeklede Westerse villa, hunkerend naar literaire erkenning in de VS en een liefhebber van alles wat uit Amerika kwam. De eeuwige paradox van de mens!

 

Hij sprak:

 

‘Een volk dat niet bereid is zichzelf te verdedigen wordt een volk zonder ziel, en vergeet de eer die voor de samoerai de essentie was van zijn leven’

 

‘Onze bossen en onze bergen, onze zeeën en meren worden verpest door fabrieken, en daar waar wij vroeger naar parels doken, sterft thans de helft van een vissersdorp aan door olie vergiftigde vissen zonder dat wij er een traan over vergieten’.

 

Tenslotte een voorafspiegeling van zijn vroegtijdige einde:

 

‘Omdat er reeds te veel lege woorden gezegd en gedrukt zijn wil ik heden op de wijze der oude samoerai sterven’.

 

En zodoende, toen zijn opstand mislukte toen het lokale garnizoen geen gevolg gaf aan zijn pleidooi pleegde Mishima seppuku. Ongetwijfeld een daad van protest. Eerder werd hij wel eens een poseur genoemd door critici. Op 25 november 1970 kregen zij ongelijk. De sepukku was een nauwkeurig bepaald en betekenisvol ceremonieel. De zelfmoordenaar kleedde zich in het wit, ‘om de zuiverheid van zijn bedoelingen tot uitdrukking te brengen’. Hij zat geknield en werd bijgestaan door een helper die voor hem een tafeltje neerzette met een zwaard of een dolk, een sakekopje, papier en schrijfgerief.

‘De zelfmoordenaar dronk twee kopjes sake, in twee teugen elk: minder dan vier teugen zou van gulzigheid, meer dan vier van aarzeling getuigen, terwijl in het Japans vier bovendien hetzelfde is als dat voor dood; […]’.  Het papier was bedoeld om het zwaard of de dolk mee vast te nemen, zonder dat de zelfmoordenaar zichzelf sneed. Het schrijfgerei was om een doodsgedicht te schrijven, ‘waarin onder geen beding gewag mocht worden gemaakt van het feit dat men op punt stond te sterven’. Sepukku geschiedde door het planten van het mes in de onderbuik, volgens de Japanse cultuur waar de ziel in huist. Dat was een daad van volledige blootgeving. Bovendien was het ook een daad van moed en zelfbeheersing, aangezien het opensnijden van de buik veruit de pijnlijkste manier van sterven was.

De helper was aanwezig om de zelfmoordenaar uit zijn lijden te verlossen. ‘Men plantte het lemmet links in zijn onderbuik en sneed men zich overdwars om, om, rechts aangekomen, de klus met een scherpe opwaartse bocht te voltooien; wie er nog toe in staat was, sneed zijn buik vervolgens ook van onder naar boven open, eindigend met een scherpe zijwaartse bocht onder de ribbenkast’.

 

Yukio Mishima is een van de grootste Japanse schrijvers en wellicht ook een van de meest controversiële schrijvers. Hij had een culturele gespletenheid waardoor zijn invloeden reikte van D’Annunzio tot de Japanse klassieken. Zijn barokke wijze van schrijven ging gepaard met een rijke woordenschat, en een ‘voorkeur voor moeilijke, weinig gebruikte schrifttekens [die] soms aan het pretentieuze grensde’. Hij schreef altijd ’s nachts, met wat men een ijzeren discipline kan noemen. Eerst wijdde hij zich aan de broodschrijverij, maar daarna was er tijd voor de literatuur. Op zijn 28-jarige leeftijd werden zijn verzamelde werken uitgegeven in zes delen. Tegen dat hij stierf waren dat er zesendertig. Uiteraard was dit van wisselende kwaliteit, waarover zijn biografe Marguerite Yourcenar schrijft dat dit te wijten is aan de feuilletonvorm van de Japanse roman. Zelfs de meest geniale schrijver heeft geen onfeilbare schrijversbezieling. Bovendien was het in zijn positie moeilijk om over elke zin een week na te denken, zoals Gustave Flaubert deed.

 

Zijn bekendste boeken zijn de Zee Der Vruchtbaarheid, dat bestaat uit vier delen en Het Gouden Paviljoen. Dat laatste boek gaat over de kwellende schoonheid van een Japanse tempel in Kyoto, door Hayashi Shõken, een priesterleerling die het moedwillig in brand steekt. Toch ben ik meer gecharmeerd door het iets onbekendere Een zeeman door de zee verstoten. Het betreft een portret van de dertienjarige Noburu, zijn moeder Fusako Kuroda en de stuurman Ryuji Tzukazaki. Hoewel Noburu aanvankelijk vol bewondering is voor zijn aanstaande stiefvader, verandert dit naar een grondige haat voor de huisvader. Noburu is deel van een soort bende onder een niet nader benoemde leider. Deze beschouwt het menselijke ras als nutteloos en vind het Leven onbeduidend. ‘Er is niets waar een volwassene toe in staat is en dat wij niet zouden kunnen doen’ stelt hij. ‘Over de hele wereld is een enorm zegel “Onmogelijk” geplakt. Maar vergeet nooit dat wij de enigen zijn die dat voor eens en altijd kunnen verbreken’. Op een bepaald moment doden ze een jong katje. ‘Ik heb het zelf gedood’ zegt Naburo. ‘Ik kan alles doen, hoe verschrikkelijk ook’.  Ryuji streeft naar roem en wordt na lang zoeken en het tijdelijke opgeven ervan ermee geconfronteerd op het einde van het boek: ‘Oprijzend uit de pracht van de zee was de dood op hem neergestreken als een donkere donderwolk. Een visioen van de dood, nu voor eeuwig buiten zijn bereik, een majesteitelijke, roemrijke, heroïsche dood, vervulde zijn brein met vervoering. En als de wereld juist gemaakt zou zijn voor deze stralende dood, waarom zou de wereld er dan ook niet aan ten onder gaan?’.

 

Zijn finale daad op 25 november 1970 was geen drieste wanhoopsdaad. Zijn moeder zei na afloop, dat hij ‘voor het eerst van zijn leven heeft gedaan wat hij wilde doen’. Volgens sommige literatuurspecialisten werd de toespeling op zelfmoord reeds gemaakt in zijn Bekentenissen van een gemaskerde (1949). Het is een autobiografisch werk, waarin Mishima zijn fascinatie en smoorverliefdheid erkent voor prinsen die ten dode opgeschreven stonden: ‘Ik was smoorverliefd op iedere jongeman die gedood werd’. Toen hij in het boek beschreef toen hij soldaatje speelde met de buurtkinderen, vond hij het prettig vermoord te worden. ‘Ik was verrukt over mezelf, zoals ik daar gewond en verminkt lag te sterven. Die onmiddelijke doodsverwachting gaf me een zalig gevoel’. Het boek vermeld de seksuele prikkels over de twaalfjarige die zijn piemel ontdekt en ‘met steeds minder weerstand naar de wensen van [zijn] speelgoed [begon] te luisteren’.  Maar het was vooral de Sint-Sebastiaan van Guido Reni die hem vervoerde van extase. Toch bagatelliseert biografe Yourcenar de rol van de seksualiteit bij Mishima. De sadomasochistische fantasieën verdwijnen geleidelijk bij het benaderen van de volwassenheid. De vraag komt in me op of die gewelddadige fantasieën geen constante vormen in zijn werk.

 

Uit Het Gouden Paviljoen:

 

‘Wat is er zo gruwelijk aan een buik waar de ingewanden uithangen? Waarom moeten we van schrik de handen voor de ogen slaan als we de binnenkant van een mens zien? Waarom krijgen de mensen een schok als ze bloed zien vloeien? Wat is er voor lelijks aan menselijke ingewanden? … zijn ze niet precies even mooi als een jonge, gladde huid?’.

 

Misschien dat het einde van zijn autobiografische boek meer inzicht kan beiden, stelt Willem Melchior. Daarin zijn de erotiserende verlangens van Dood, de Nacht en het Bloed duidelijk aanwezig. Het doet denken aan de extatische roes van een strijdende Ernst Jünger. Niet voor niets wordt Mishima voor een late exponent van de Conservatieve Revolutie gesleten. Het boek eindigt in een dansgelegenheid waarin de ‘gemaskerde’ Sonoko ontmoet met wie hij ooit een vergeefse poging heeft gedaan om een liefdesverhouding mee te beginnen. Zijn aandacht wordt getrokken door een jonge man. ‘Het hele bestaan van Sonoko was ik vergeten. Ik dacht slechts aan één ding. Ik zag hem zo, half naakt, aan het hoofd gaan van zijn bende, tot ze een andere bende tegenkwamen. Een dolk drong plotseling door de grijze gordel zijn lichaam binnen. Het mooie, scharlaken bloed vloeide in een brede stroom langs zijn been. Toen legden ze dat bloedige lichaam op een geïmproviseerde baar, die van vensterluik vermaakt was, en droegen het weg’. Melchior stelt dat deze drift aan kracht niets ingeboet heeft. Mishima zou bij het schrijven van het boek er geen raad mee geweten hebben waardoor er ‘geen ander einde mogelijk is dan de volstrekte leegte waarin hij achterblijft’. Pas twintig jaar later, stelt Melchior, zou Mishima zijn passende einde vinden.

 

 

Mishima als Sint Sebastiaan.

P.

 

Bron: nawoord Willem Melchior in ‘Een zeeman door de zee verstoten’.

Advertenties