Piktors Verwandlungen

door Prachtige Pjotr

Piktors Verwandlungen [1]

Schilderij aan de hand van Hermann Hesse

Die avond las ik in het hotel van Signor Ceccarelli het boekje dat [Hermann] Hesse mij had gegeven. Het was het verhaal van een jongeman, genaamd Piktor, die het Paradijs was binnengekomen en daar een boom ontwaarde die tegelijk man en vrouw was. Hij beschouwde die met verwondering en vroeg: ‘Zijt gij de Boom des Levens?’. De Boom antwoordde niet, maar in plaats daarvan kwam de Slang tevoorschijn; en Piktor vervolgde zijn weg. Hij bekeek alles nauwkeurig en was verrukt over wat hij zag.

 

Toen hij doorwandelde, zag hij een andere boom die tegelijk zon en maan was. ‘Misschien zijt gij de Boom des Levens?’. Lachend bevestigde de Zon dit; de Maan deed het met een glimlach. Overal om Piktor in het rond groeiden bossen met bloemen. Zij schenen mensengezichten te hebben; sommigen lachten uitbundig, andere brutaal; nog andere zwaaiden luchtig heen en weer. Er waren er ook die niet bewogen of lachten; zij waren somber en in zichzelf verzonken, als waren zij dronken van hun eigen geur. Sommige bloemen zongen Piktor toe: één zong een weemoedig lied der seringen, een ander een donkerblauw wiegelied. Eer was een bloem met ogen die hard als saffier leken; een ander herinnerde hem aan zijn eerste liefde: weer een ander deed hem denken aan de stem van zijn moeder, wanneer hij als kind met har door de tuin liep. De meeste bloemen lachten vrolijk en één stak de tong naar hem uit, een klein roze tongetje. Piktor bukte zich en stak de zijne uit om het aan te raken en toen hij dit deed, ervoer hij een smaak die wrang was en bitter-zoet, als van druivensap en wilde honing en ook als de kus van een vrouw.

 

Alleen tussen al die bloemen werd Piktor overstelpt door een gemengd gevoel van heimwee en angst. Zijn hart klopte hevig alsof het verlangde samen te stemmen met de ritmen van die omgeving. Toen zag Piktor op een korte afstand een vogel in het gras zitten. De vogel had veren gelijk een pauw, waarop alle kleuren van het spectrum weerkaatsten. Piktor was verbijsterd door de schoonheid van de vogel. Hij trad naderbij en vroeg:

 

‘Vogel, waar kan men het geluk vinden?’

‘Geluk’, antwoordde de vogel, ‘geluk is overal – in de bergen en in de dalen, in elke bloem en kristal’.

 

De vogel strekte zijn hals en schudde zijn veren alvorens weer bewegingsloos te gaan zitten. Plotseling bemerkte Piktor dat de vogel zich in een bloem veranderd had. De veren waren bladeren, de klauwen wortels geworden. Verwonderd zag Piktor toe en bijna onmiddellijk hierna begon de bloem haar blad te bewegen. Zij was het alweer moet een bloem te zijn en ze begon langzaam zich in de licht te verheffen. Zij had zich in een vlinder veranderd en was toen een vlam van zuivere, zwevende kleur.

 

Tot Piktors stijgende verbazing begon deze vrolijke vogel-bloem-vlinder hem fladderend te omcirkelen. Doch na een poosje zweefde hij ter aarde als een sneeuwvlok en bleef trillend voor zijn voeten zitten.  Nog even fladderden de vleugels, toen was hij plotseling veranderd in een kristal dat een diep rood licht uitstraalde. Het glinsterde tussen het gras met een fantastische glans.

 

Terwijl Piktor het nog aanstaarde, leek het langzamerhand in de grond te verdwijnen, alsof het werd aangetrokken door het hart van de aarde. Maar juist toen het op het punt van verdwijnen was, reikte Piktor omlaag en greep het. Hij hield het stevig in zijn hand, want het leek hem een talisman bij alles wat hem in de wereld nog kon overkomen.

 

Op dit ogenblik gleed de slang van een boom in de nabijheid en fluisterde in Piktors oor: ‘Dit juweel kan u doen veranderen in alles wat ge wenst te worden. Maar spreek uw verlangen vlug uit, voordat ge verdwijnt’. Uit vrees dat hij de kans zou missen fluisterde Piktor het geheime woord tot de steen en plotseling was hij veranderd in een boom. Hij had altijd gewenst een boom te zijn omdat hij de kracht van de bomen, hun rust en hun waardigheid zo bewonderde. Al gauw voelde hij dat zijn wortels in de aarde drongen en zijn takken hemelwaarts reikten. Nieuwe bladeren en takken ontsproten aan zijn stam en hij was voldaan. Zijn dorstige wortels namen het vocht uit de aarde op en zijn takken verkwikten zich in de luchtige wind van het woud. Insecten woonden in zijn schors en een egel vond een schuilplaats aan zijn voet.

 

Staande in het Paradijswoud nam hij de voortdurende metamorfose waar, die rondom hem geschiedde. Hij bemerkte hoe bloemen tot edelstenen werden of zich in vogels veranderden. Hij zag een boom in zijn omgeving plotseling in een beek overgaan. Een andere werd krokodil, een derde veranderde zich in een vis die blij en gelukkig wegzwom. Heel de schepping nam deel aan dit spel der veranderingen; olifanten werden rotsen, giraffen geweldige, bloeiende bomen.

 

Te midden van al die verandering bleef alleen Piktor steeds dezelfde. Toen hij zijn toestand begon te beseffen, week zijn geluk en langzamerhand begon hij oud te worden en kreeg dat vermoeide, afwezige voorkomen dat men bij menige oude boom bespeuren kan. Overigens is dit verschijnsel niet tot bomen beperkt; paarden en honden en zelfs menselijke wezens verliezen de samenhang met de tijd en daarmee hun schoonheid doordat zij de gave der verandering zijn kwijtgeraakt. Dan eindigen zij hun dagen in zorg en leed.

 

Lange tijd daarna geraakte een jong meisje met blond haar in het Paradijs doordat zij al dansend haar weg kwijtraakte. Zij droeg een blauw kleedje en zong vrolijk terwijl zij voorthuppelde. Al de schepselen in het bos namen haar verschijnen met gretigheid waar; de struiken strekten hun takken naar haar uit en vele bomen lieten hun vruchten voor haar vallen. Maar het jonge meisje lette niet op hun vriendelijkheden. Tenslotte kwam zij ook bij het open plekje waar Piktor stond als een boom. Toen hij uit de hoogte naar haar keek, overviel hem een diep gevoel van heimwee en een onmetelijk verlangen om het geluk te grijpen vóór het te laat was. Het was hem of geheel zijn wezen die hem gebood zich op de zin van zijn bestaan te concentreren en die met geweld te laten doordringen tot zijn open bewustzijn. Hij herinnerde zich zijn vroeger leven, zijn jaren als mens voordat hij het Paradijs binnentrad. En bovenal heugde hem het ogenblik dat hij het toverjuweel in zijn hand hield, want juist toen, met àlle mogelijkheden tot verandering, was het leven het machtigst in hem geweest. Toen dacht hij ook weer aan de vogel en aan de vrolijke boom die tegelijk Zon en Maan was en bij dit alles besefte hoe noodlottig de raad van de Slang geweest was.

 

Het meisje voelde de rusteloze beweging van Piktors bladeren en takken en toen zij omhoog keek werd zij door een vreemde onrust vervuld. Zij begon, zittend in de schaduw van de boom, te gevoelen hoe droevig en eenzaam hij was en tegelijkertijd besefte zij dat zijn volkomen afzondering iets edels betekende.  Terwijl zij tegen de ruwe stam leunde, voelde zij iets van de beroering die Piktor geheel en al doortrok en ook zij zelf begon te sidderen in een onverklaarbare passie. Spoedig brak zij in wenen uit, de tranen bevochtigden haar kleed en zij vroeg zich af waarom dit lijden moest bestaan. In haar eigen verlatenheid voelde zij zich in medelijden aangetrokken tot de eenzame boom.

 

Toen Piktor haar gevoelens bespeurde verzamelde hij al zijn levenskrachten en richtte die op het jonge meisje. Het was hem nu heel duidelijk hoe schandelijk het bedrog van de Slang was geweest en hoe dwaas hij had gehandeld. Als de enkele boom die hij nu was, overweldigde hem het beeld van de boom die man en vrouw tegelijk was.

 

Op dit ogenblik vloog een groene vogel met rode vleugels naderbij en omcirkelde de boom. Het meisje keek naar zijn vlucht en zag iets dat een stralend licht gaf, uit zijn snavel op het gras vallen. Zij bukte zich om het op te rapen en ontdekte dat het een kostbare karbonkel was. Nauwelijks had zij de steen een ogenblik in de hand, of de verwarde gedachten die haar verontrust hadden, verdwenen en nog slechts één verlangen heerste haar. In een vlaag van vervoering werd zij één met de boom; zij veranderde zich in een nieuwe tak die naar de hemel toe groeide.

 

Nu was alles volmaakt, er was weer orde in de wereld. Op dat ogenblik was het Paradijs waarlijk gevonden. Niet langer was Piktor een eenzame, oude boom; hij was nu geheel vervuld en droeg een nieuwe naam, Piktoria. Luid en helder zong hij het: ‘Piktoria, Victoria’. Uiteindelijk had hij ook zijn nieuwe gestalte gevonden en de waarheid ervaren van de eeuwige metamorfose, nu hij immers van een half tot een geheel wezen geworden was. Van toen af wist hij dat hij in staat was zich te veranderen zo vaak hij wilde. De kracht der bestendige schepping was nu in hem op gang gebracht: hij wist dat hij zichzelf nu kon vernieuwen als ster of vis of wolk of vogel. Hij was zich echter ook bewust dat, welke vorm hij ook zou aannemen, deze steeds een geheel zou zijn en dat hij in iedere gestalte een paar zou zijn. Hij droeg zowel de Zon als de Maan in zich, hij was tegelijk Man en Vrouw.

 

De verstrengeling der geliefden.

De sleutel tot dit ogenschijnlijk sprookjesachtig verhaal is een zin die door Hermann Hesse werd uitgesproken:‘In hun ouderdom hebben sommige mensen de gave nog eens de paradijselijke staat van hun kindertijd te ondervinden’[1]. Het verhaal is het visioen van het herwonnen Paradijs, naar de terugkeer naar de pure vorm, de totaliteit. Hermann Hesse vergeleek deze terugkeer als het vallen in het ‘collectief onbewuste’ van Carl Gustav Jung.

 

“Under the influence of C.G. Jung, with whom he underwent psychoanalysis, Hesse entered fully into the Germanico-alchemical dream of the Androgyne – which is the opposite of homosexuality – whose aspiration is totality and the fusion of the opposites, the unity of Nietzsche’s ‘Self,’ the inner homo, of coelo, Demian, beloved and admired by Sinclair; that is to say, by Hesse. His most intimate ego. Narcissus and Goldmund. In the original German version of Steppenwolf, the female protagonist is called Hermina, which is the feminine of Hermann. And this is the same alchemical-tantrio game as in Mozart’s Magic Flute: Pamino and Pamina. Hermann Hesse, like the great Germans of the grand tradition, was steeped in the music of Mozart and Bach”.

Uit een brief van Don Miguel Serrano Fernandez, juni 1991.


[1] Integraal over genomen uit: SERRANO, Miguel, De Hermetische Cirkel. Jung en Hesse., Leminiscaat, Rotterdam, 1975

[2] De Hermetische Cirkel., 27

Advertenties