De mystieke vervoering van Aljosja

door Prachtige Pjotr

Er brandde iets in Aljosja’s hart, dat zich opeens ergens mee vulde zodat het bijna pijn deed, tranen van vervoering welden op uit zijn hart … Hij wreef in zijn handen, slaakte een kreet en werd wakker …

Weer de kist, het openstaande raam en het zachte, gewichtige, afgemeten lezen van het Evangelie. Maar Aljosja luisterde al niet meer naar wat er gelezen werd. Vreemd, hij was ingeslapen terwijl hij op de knieën lag, maar nu stond hij op zijn benen, en opeens rukte hij zich als het ware los van zijn plek en liep met drie ferme snelle passen tot vlak bij de kist. Hij raakte vader Paisi zelfs eventjes met zijn schouder aan zonder er erg in te hebben. Vader Paisi keek heel even op uit het boek, maar sloeg zijn ogen meteen weer neer, omdat hij begreep dat er iets vreemds met de jongeman gaande was. Aljosja keek een kort moment naar de kist, naar het afgedekte, onbeweeglijke, uitgestrekte lichaam in de kist, met de icoon op de borst en de kap met het achtpuntige kruis op het hoofd. Daarnet had hij zijn stem gehoord, en die stem klonk hem nog steeds in de oren. Hij luisterde nog eens goed, hij verwachtte nog meer geluiden … maar opeens draaide hij zich resoluut om en liep de cel uit.

Ook op het bordes bleef hij niet staan, hij liep snel naar de treetjes af naar beneden. Zijn hart was in vervoering en dorstte naar vrijheid, ruimte, weidsheid. Boven hem was onafzienbaar, weids, de hemelkoepel gekapseisd, vol van stil stralende sterren. De Melkweg, nog onhelder, verdubbelde zich van het zenit tot de horizon. Een frisse, bijna roerloos stille nacht had de aarde omvat. De witte torens en gouden koepels van de kerk fonkelden aan de robijnen hemel. De overvloedige herfstbloemen in de bloembeden bij het huis waren tot de ochtend in slaap. De stilte op aarde leek over te vloeien in de hemelse stilte, het mysterie van de aarde raakte aan dat van de sterren … Aljosja stond daar en opeens viel hij neer alsof iemand hem had beentje gelicht.

Hij wist niet waarom hij de aarde omhelsde, hij gaf zichzelf geen rekenschap waarom hij zo’n onbedwingbare drang voelde de aarde te kussen, met kussen te bedekken, maar hij deed het wenend, snikkend, de aarde met zijn tranen drenkend, en buiten zichzelf zwoer hij haar lief te hebben leief te hebben tot in de eeuwigheid. “Drenk de aarde met uw vreugdetranen en heb uw tranen lief …” klonk het in zijn hart. Waarom huilde hij? O, hij huilde in zijn vervoering zelfs om de sterren die vanuit het uitspansel naar hem straalden en “hij schaamde zich niet voor zijn vervoering”. Alsof de draden van al die talloze werelden Gods tegelijk in zijn ziel samenkwamen, en zijn ziel beefde “bij de aanraking van andere werelden”. Hij wilde alles en iedereen vergeven en vergiffenis vragen, o! niet voor zichzelf maar voor alles en iedereen op de wereld , “en anderen vragen voor mij vergiffenis”, klonk het weer in zijn hart. Hij voelde steeds duidelijker, bijna tastbaar, dat er iets even vast en onwankelbaar als het uitspansel in zijn ziel neerdaalde. Het was of zijn verstand beheerst werd door een bepaald idee – en dit voor zijn hele verdere leven en tot in alle eeuwigheid. Als een zwakke jongeling was hij ter aarde gevallen, als een voor de rest van zijn leven onverzettelijk strijder stond hij op, dat besefte en voelde hij opeens, op ditzelfde moment van vervoering. En nooit, nooit in zijn latere leven zou Aljosja dit moment vergeten. “Toen is mijn ziel door iemand bezocht” zei hij later, vast overtuigd van zijn eigen woorden …

Drie dagen later verliet hij het klooster voorgoed, wat in overeenstemming was met de woorden van wijlen de starets, die hem had opgedragen “in de wereld te verkeren”.

Bernini. De extase van Theresa (1652)

 

DOSTOJEVSKI, Fiodor M., De broers Karamazov, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2005, 442-443

Advertenties