Wreedheid op een mooie lentemiddag

door Prachtige Pjotr

“Bijna dromerig ging hij verder: ‘Hoe zouden ze in de oorlog rust en orde hebben kunnen handhaven als het niet was door mensen in het openbaar een gewelddadige dood te laten sterven? Ze zijn ermee opgehouden omdat ze bang waren, dat het publiek bloeddorstig zou worden, zegt men. Wat een onzin! De mannen, die na een luchtaanval de lijken opruimden zagen er allemaal zachtaardig en vriendelijk uit. Menselijk lijden te zien, en bloed, en het gekreun van stervenden te horen maakt mensen nederig, de mensenharten worden er verfijnd en licht en vredig door. Het is nooit in zúlke tijden dat we wreed en bloeddorstig worden! Nee, wreed worden we plotseling op een mooie lentemiddag als vandaag; als we op een glad gemaaid grasveld rustig zitten te kijken hoe het zonlicht door de bomen kruipt. Geloof je ook niet?'”

Kashiwagi in Yukio Mishima, Het Gouden Paviljoen.

Het is een doordenker, dit citaat van het personage Kashiwagi. Het meeste bloed vloeit, logisch, tijdens een oorlog en de vele oorlogsmisdaden duiden op een hardnekkige wreedheid onder dat vreemde dier dat wel eens mens genoemd wordt. Toch houdt het citaat steek. De menselijke gemeenschap krijgt tijdens een oorlog een heel ander gezicht dan in vredestijd. De angst, die Mishima aanhaalt, vormt een katalysator voor die zachtaardigheid van veel mensen. Wanneer zij hun medeburgers zien sterven worden ze geconfronteerd met iets wat zij ervoor nooit gezien hadden. Een expliciete vorm van sterven in de ogen van een leek schept een daarom vorm van nederigheid. Door angst en andere extreme vormen van menselijke emotie worden banden gesmeden die in vredestijd onmogelijk geacht worden.

Het is een opmerkelijk fenomeen dat de inherente menselijke wreedheid bizarre uitingen krijgt in rijke, Westerse landen die decennialang geen oorlog hebben gezien. Niet alleen pathologische seriemoordenaars heb ik op het oog, maar ook mensen die uit wanhoop drastische maatregelen nemen of schrijvers van horrorverhalen de meest gruwelijke martelmethoden bedenken. In zekere mate kan verveling en het gebrek aan een zin of doel in het leven een motor zijn tot wreedaardigheid. Dat wordt in andere boeken van Yukio Mishima ook aangehaald, meer in het bijzonder in het magistrale ‘Een zeeman door de zee verstoten’, waar jonge kinderen een bijzondere rol spelen. En ergens vind ik die oorzaak ook terug in Fight Club, het boek van Chuck Palahniuk, waar Tyler Durden het volgende zegt:

“We don’t have a great war in our generation, or a great depression, but we do, we have a great war of the spirit.  We have a great revolution against the culture.  The great depression is our lives.  We have a spiritual depression.”

Interessant is het vervolg van  Kashiwagi’s betoog:

“Alle nachtmerries in de wereld en in de geschiedenis zijn op die manier begonnen. Maar hier, in het witte daglicht, brengen bezwijmende en met bloed bevlekte menselijke gestalten duidelijk tekening in de nachtmerrie, zij zetten de boze droom om in werkelijkheid.”

Misschien is er wel sprake van een soort wederkerigheid: wrede drang in vredestijd tot zachtmoedigheid in oorlogstijd. Het ene dwingt het andere continu tot onderwerping, waardoor er een soort dialectiek ontstaat. Een aanzwellende golf van geweld, die afneemt door de stuwende kracht van de zachtaardigheid. En ook gooi ik er nog aan toe dat ik werkelijk geloof dat de meeste mensen een moordlustige kant hebben. Splijtende schedels, afgerukte armen, uitstouwende darmen, urenlange martelingen, … Mensen voelen zich daardoor op een vreemde manier tot aangetrokken. Horrorfilms en verhalen zijn altijd al aantrekkelijk geweest voor het grote publiek. Vanouds zijn die lusten gekanaliseerd in culturele evenementen of andere vormen van sociale omgang. En ik vermoed dat die kanalisering ervoor zorgt dat we onbewust wreed zijn, maar dat we het nooit zullen toegeven. Een soort sociale institutionalisering van de wreedheid, zo je wil.

“‘Wat een stommelingen’, zei Kashiwagi. Er klonk een spoor van afgunst in zijn stem. ‘Wat willen ze toch? We zijn zo gezond, zullen ze waarschijnlijk zeggen. […] Er zijn tegenwoordig overal van die openbare sportvertoningen. Een duidelijk symptoom van decadentie. En wat in het openbaar vertoond zou moeten worden krijg je niet te zien. Wat ze moesten vertonen zijn … openbare terechtstellingen! Waarom doen ze dat toch niet, hè?'”.

P.

Advertenties