“Meneer”

door Prachtige Pjotr

24 jaar oud. Bijna een kwarteeuweling, zou je kunnen zeggen. Vier-en-twintig. Twintig plus vier. Of acht maal drie. Het klopt allemaal. ‘Den deze’ is een oude meneer aan het worden. Het ‘meneren’ is echter al vroeger begonnen, toen het Era van Kronos nog volop bezig was. Ik weet nog dat ik in een mythisch verleden stond aan te schuiven aan de reeds lang door de tijd en economische conjunctuur verzwolgen Delhaize in de Heuvelstraat en ik als minderjarige een resem alcoholische tienerdrankjes wou kopen. Gniffelend en schuifelend schoof ik en mijn bende rabauwen aan. Ik was de grootste van de hoop en zag er ouder uit dan zestien. Het gewicht van de wereld kwam op mijn schouders terecht en ik ondernam een Herakliaans karwei. Toen kwam het moment van de waarheid. Zou de kassierster doorhebben dat ik minderjarig was of niet? De nietsvermoedende kassierster kon wel eens onmenselijk kwaad worden, naar het onderdrukkende repressieapparaat van Boechout bellen en ons allemaal voor de eeuwigheid en een dag opsluiten in de donkerste gevangenis van Boechout. Geen prettige vooruitzichten, een heel leven lang zeepjes oprapen voor een aan mij opgelegde ‘sjoe’ met snor, dikke hangbuik en vol goesting. Een beetje zenuwachtig gaf ik mijn smokkelwaren aan. Ik zette toen een engelengezichtje op. Dat arme kind achter de kassa moest eens weten hoe oud ik was.

“Dat is dan xx euro meneer”.  ‘Wablief? Meneer?’ spookte rond in mijn hoofd. Ik was een puber vol puisten, beenharde gel in mijn haar en een skateboard waar ik helemaal niets mee kon. En die noemt mij meneer? Ondertussen ben ik al meer dan 9 jaar ‘gemeneerd’ geweest en begin ik het wel gewoon te worden. Maar toch. Het voelt wat oud aan. ‘Jongeheer’ klinkt wel beter, maar tegelijkertijd ook een beetje belerend bij momenten. Zeker wanneer het uit de moment van een oude knar komt die de versheidsdatum reeds jaren gepasseerd is. Het lijkt alsof de ‘jongeheer’ een schouderklopje krijgt en een vleesje van de beenhouwer. Paternaliserend, weet je wel?

Vierentwintig jaar oud. Dat lijkt niet eens jongvolwassen meer, maar ‘volvolwassen’. Nu ik dit klein epistelletje lees, lijk ik wel een oude grijze brompot met pijn in de rug en een abject gedrag dat neigt naar anachronistisch reactionaire ideeën, belerende gedachten over de decadente jeugd van het jaar onzes heeren 2011 en een heerlijke buik vol Bourgondische verlangens. Maar binnen acht of negen jaar, zestien of achttien jaar na mijn schelmenstreek in de Boechoutse Delhaize, zal ik nog wensen dat ik 24 was. En vele jaren daarna 24+8/9.

TEMPVS FVGIT & πάντα ῥεῖ. Daar gaat het om! Omgaan met de genadeloze mars van Vadertje Tijd is in mijn ogen eerder een kwestie van stoïcijnse acceptatie, dan een vruchteloze daad van verzet. Dat leidt tot rusteloosheid, wat de bron is van alle lijden. Wat telt is de geest, niet het materiële dat vluchtig en tijdelijk is. En zo relativeer ik mijn ouderdom. Het is maar een getalletje. Doe het dus maar rustig aan, meneer.

P.

Advertenties