Over vrome witgepijde asceten en de Onsterfelijke Roos

door Prachtige Pjotr

“Nu wil ik eenzaam henengaan naar verre Egyptelanden
Daar weet ik oude monken, traag, met witte baarden gaan,
Héél heilig peinzend door den avond … en hunne witte handen
Zijn goed en zacht voor hem die zonde ‘en boete heeft gedaan

Daar weet ik pyramiden stil in wondre Wijding staan,
Wijl late karavanen trekken langs hun naakte wanden
En d’heiligê Ibis traag alom hun wijde vleugelen slaan
En witte pelikanen droomen aan de vijverranden

En sfinkxen turen er met vreemden raadsel-glimlach naar
De vrome boetelingen die er gaan met moe gebaar
En arme wreed-verwonde voeten in ’t woestijnzand prenten

Daar wil ik zijn gelijk een vrome witgepijde asceet
Die stil en rustig, vreemd omlicht, door kalmen avond treedt
En Hooge Wijs- en Schoonheid leest in oude perkamenten”

G.v.d.H. in: Storm, jaargang 3, nr 6, maart 1921.

Vorig jaar kwam ik het bovenstaande gedicht tegen in een oud tijdschrift uit het interbellum. Ik zat in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, in de volksmond wel eens de ‘Stadsbib’ genoemd. Voor mijn thesis nam ik een aantal kranten door waar Ernest van der Hallen, een Lierse letterkundige, voor schreef. En toen kwam ik dit opmerkelijke gedicht tegen. Ik kan er geen naam op plakken, maar iets trekt me enorm aan in dit gedicht.

Het gedicht beschrijft een pelgrimage. In het interbellum, waarin dit gedicht geschreven werd, was er een spiritueel reveil bezig waarin vele antimodernisten pleitten voor een ‘retraditionalisering van de maatschappij’. Maar ook van zichzelf. Zo werden middeleeuwse praktijken terug tot leven gebracht, wat er zelfs toe leidde dat sommige ‘moderne pelgrims’ brieven naar elkaar schreven in het Middelnederlands. De secularisering bracht een ravage aan en ontzielde de maatschappij, meenden zij. De spirituele herbronning die zij ondernamen duidde op een streven naar zuiverheid en orthodoxie maar ook een beantwoording van een ‘heroïsche vocatie’ en de noodzaak tot actie en strijd.

Het pelgrimeren naar bepaalde plaatsen was voor velen een zoektocht naar een zinvol bestaan. Ernest van der Hallen en vele anderen behoorden tot een bijzondere generatie in het interbellum, meent de historicus Benjamin Lazier: ‘They discovered that the crisis of religion in the modern world was also a crisis of nature, the crisis of nature, the crisis of nature a crisis of art or sacrifice, and the crisis of them all a crisis of what it meant to be a modern man’. De verwondering van een bergbeklimmer ‘op pelgrimage’ in de hoge Alpen leidde naar een diep verlangen naar het oneindige en het vormeloze. In het kapel, op de berg of in de woestijn herontdekte men een sacrale ruimte, die onaantastbaar leek te zijn. Dat was bijzonder: niet enkel ‘traditionele’ gewijde plaatsen zoals een kerk of kapel waren sacrale ruimtes, maar ook ‘onbezielde’ plaatsen die onverbiddelijk waren. De herontdekte of gecreëerde sacrale ruimtes boden de moderne pelgrims de mogelijkheid tot een innerlijke verwerkelijking die in de profane wereld niet mogelijk was.

Toch was het toerisme vaak een verstorende factor. Zo leek Van der Hallen eerder teleurgesteld dan opgetogen te zijn over zijn bezoek aan de vele pelgrimsplaatsen in het Britse Mandaatgebied Palestina. De ‘orthodoxe devotiewansmaak’ profaneerde volgens hem de heilige plaatsen in Jeruzalem. Een ander voorbeeld was een verstoorde misviering in de kapel van Sint Helena aan de Golgothaheuvel door ‘een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd […]’. Hij hekelde het ‘Cooktoerisme in zijn meest verfoeielijken vorm’, dat een onjuist beeld vormde op een land.

In tegenstelling tot mijn professor ethiek geloof ik wél in een metafysische essentie. De ware aard is onaanraakbaar door morele of sociale conventies. Ik vergelijk het met de Onsterfelijke Roos van Dante. Het leven is een pelgrimage op zich, dat zich centreert rond die Onsterfelijke Roos. Iedereen wandelt de cirkel rond, sommigen helaas vroegtijdiger dan anderen. Volgens de Britse schrijver G.K. Chesterton was waarlijk geluk te vinden in de onverzettelijke blik naar de Onsterfelijke Roos van Dante. En  niet in de willekeurige rozenblaadjes van Oscar Wilde. Mij lijkt het een combinatie van beiden te zijn. Enerzijds een drang naar iets Absoluuts, maar anderzijds ook het besef dat het geluk in de kleine dingen zit.

Ik sluit af met een veelzeggend citaat. Het sierde op de eerste pagina van mijn inleiding en draagt onnoemelijk veel betekenis met zich mee.

‘Iets maakt de mens, die om welke reden ook in de verlaten eenzaamheid van het tropisch woud of der woestijn verbleven heeft, tot een eeuwig non-conformist; er is iets in hem dat hem plots, dikwijls op de minst gelegen ogenblikken, onttrekt aan de realiteit van zijn arbeid en omgeving, en hem met een dwaas en onbegrijpelijk heimwee vervult om weg te vluchten uit de kleinheid van zijn onbelangrijk leven, naar de verre horizonten waar het hard en bitter is, te leven en te strijden, maar waar de mens immer het gevoelen heeft het leven te beheersen; een bewustzijn, dat de man in de doodgeorganiseerde beschaving van het oude Europa zo schaars gegund is’

 

P.

Advertenties