“Kunt u het kort houden?”. De problematische aard van ons eigen fantasme.

door Prachtige Pjotr

Volgens de Sloveense filosoof Slavoj Žižek was de film The Truman Show uit 1998, waarin het hoofdpersonage leeft in een fictieve geïdealiseerde maatschappij, een voorbeeld hoe het laatkapitalistische Californische consumentenparadijs in zijn hyperrealiteit[1] eigenlijk onwerkelijk is. De ontwerkelijking zette zich voort na de ineenstorting van de WTC-torens: het contrast tussen de steriele ‘Coca Cola-idylle’ en de ‘woestijn van de werkelijkheid’, namelijk de reële Derde Wereld, bleef behouden. Wat de ramp op 11 september had kunnen veranderen in de ‘Eerste Wereld’, werd gewoon voortgezet: de afstand tussen Wij en Zij bleef absoluut. De entertainmentwereld speelt hierin een grote en belangrijke rol, waardoor Peter Sloterdijks idee van de illusoire ‘sfeer’ wordt verwerkelijkt. Sciencefictionfilms als Logan’s Run anticiperen op de postmoderne maatschappij door een geïsoleerde groep af te beelden die een steriel leven leidt, maar wel streeft naar de ervaring van de werkelijke wereld. Deze drang wordt gekanaliseerd door de entertainmentwereld met gewelddadige films. Toch weekte 9/11 iets los: de illusoire ‘sfeer’ waar Sloterdijk over sprak werd gepenetreerd door iets ‘reëels’; de ‘werkelijkheid’, vaak slechts een spookbeeld voor vele Westerlingen op het televisiescherm, drong binnen in onze ‘eigen sociale werkelijkheid’.

Shit just got real. Trumans' 9/11 moment.

Sinds de ontzuiling intrad, begon de entertainmentwereld een belangrijke rol te spelen in het dagelijkse bestaan van de westerling. Binnen deze omwenteling ondervond ook de journalistiek een belangrijke transformatie. De ontzuiling gaf meer ademruimte aan de media, die de kans kreeg om zich los te weken van de dominante Moederpartij, commerciële ontwikkelingen boden lucratieve kansen en de journalistiek ontwikkelde zich veel breder dan voordien. De krant van vandaag is iets onwezenlijks voor iemand uit het interbellum. De ontvoogding van de media, zeker in de Belgische context, leidde tot de vorming van mediaconglomeraten. Vele nieuwskanalen zijn vandaag in handen van de bedrijven die ook entertainmentkanalen in de hand hebben. Naast de aloude aanwezigheid van politieke belangen komen ook commerciële belangen in het grote speelveld van de media en dus ook de journalistiek.

De vraag stelt zich of de journalistiek niet teveel bijdraagt aan het behoud van de illusoire ‘sfeer’, die Žižek problematiseert. De ‘Vierde Macht’ is immers zelf een machtsinstelling die de grootste invloed heeft op de publieke opinie, ongetwijfeld een enorme verantwoordelijkheid. De vermenging tussen de reclame- en entertainmentwereld met de journalistieke wereld wordt als zeer problematisch ervaren, stelde Rik van Cauwelaert (directeur van het weekblad Knack) onlangs op een mediadebat. De betrouwbaarheid van de media lijdt hieronder en het onderscheid tussen goed verkoopbaar nieuws en goed nieuws wordt vaak genegeerd. Optimisten geloven dat de mediawereld, vrijgemaakt van verzuiling en paternalistische betutteling, net als de vrije markt zichzelf zal corrigeren. Gekleurde zenders als Fox News Channel bestaan, maar er bestaan ook genoeg andere, meer objectieve en kwalitatieve nieuwsbronnen op de markt. Foutieve informatie wordt zo dus meteen afgestraft en gecorrigeerd door alternatieve nieuwsbronnen. Maar staat de gemiddelde mediaconsument wel zo kritisch tegenover de bronnen en kan deze zich ontvoogden van zijn toegeëigende mediaconsumptiegewoonten? Idealiter zou men kunnen stellen dat het massapubliek een kritisch wezen is dat zelf fungeert als een democratisch orgaan. Toch botst dit met de realiteit: het is utopisch te geloven dat iedere burger zich zal inspannen en evenveel zal bijdragen aan een kritische publieke opinie. Daarom is het de belangrijkste taak van de journalistiek zelf om ervoor te zorgen dat de commerciële belangen niet in de weg staan van degelijke nieuwsberichtgeving.

De ‘illusoire sfeer’ herinnert aan de ‘enclavistische’ verstandhouding die Britse antropologe Mary Douglas onderscheidt. Deze verstandhouding gaat uit van een sterke Wij-Zij tegenstelling, waarin de eigen groep wordt beschouwd als een veilige zone met een officiële cultuur. Typerend hieraan zijn televisie- en radioprogramma’s met een sterke ons-kent-ons-mentaliteit, waarbij gezelligheid en vrolijkheid de politieke berichtgeving “plebejiseert”. Op deze manier wordt zowel de journalistiek als de politiek gebracht naar een niveau waar het helemaal niet hoort te zijn. Dit is een belangrijk gevolg van de omvangrijke invloed van de entertainmentwereld: er is geen plaats voor serieuze nuanceringen en de diepgaande analyses op de drukbezochte media. Het debat op Terzake, toch een van de meer serieuze duidingprogramma’s, tussen een Gentse professor en de woordvoerder van Field Liberation Movement op 30 mei 2011 was bedroevend kort en weinig duidend. “Kunt u het kort houden, professor?” vroeg Lieven Verstraete, “anders zijn we te wetenschappelijk bezig”. Deze teneur is problematisch. Programma’s als Basta die hun verdienste hebben wanneer ze schandelijke praktijken aan het licht brengen, wekken dan weer de indruk dat onderzoeksjournalistiek alleen maar bekend lijkt te worden bij het grote publiek wanneer het ‘leuk’, ‘ludiek’ en ‘humoristisch’ gebracht wordt.

Slavoj Žižek

De vraag om het verschil tussen de journalistiek en de entertainmentsfeer draait om de  aanwezigheid van deze ‘illusoire’ sfeer. Er treedt belangenvermenging op die op zijn minst deels te maken heeft met de gevolgen van de ontzuilde maatschappij. Spreken we van een maatschappij in verval, als we de beschavingsdenkers uit de twintigste eeuw erbij nemen? Er is zeker sprake van een toenemende trivialisering in de journalistieke wereld: het imago van een politicus hangt vaak niet meer af van zijn doen en laten in het parlement, maar zijn ‘market credibility’ en het daarop volgende doen en laten in de mediawereld. Er is een asverschuiving aan de gang en niet in de goede richting. Wezenlijke veranderingen zijn nodig, maar het invoeren van meer regelgevingen of controleorganen zijn slechts van repressieve aard en wellicht ook niet wenselijk. Het gaat veeleer om een mentaliteitsverandering, die uitgaat van een wezenlijk beschavingsideaal en een verzet tegen de algemene apathie, myopie en inertie van de maatschappij. De pers kan die verantwoordelijkheid op zich nemen. De vraag is of dit binnen de huidige maatschappelijke context kan. Is de onwerkelijkheid ervan niet te gebetonneerd? Is de menselijke component, het doelpubliek van de pers, niet te verslaafd aan dit levensgroot fantasme?

P.


[1] Volgens Žižek hét bepalende kenmerk van de postmoderne maatschappij.

Advertenties