“Ik ben het, Faust, ben jouw gelijke!”

door Prachtige Pjotr

Toen in 1887 het nalatenschap Luise von Göchhausen, een voormalige hofdame in Weimar, werd doorgenomen, deed men een bijzondere vondst: een vroege versie van Goethes Faust. Het ging om een afschrift, gebaseerd op een voordracht die Goethe in kleine literaire kring gaf. Dat was de typische ‘saloncultuur’ van de 18de eeuw, waar allerlei literaire activiteiten werden gehouden en plannen werden gesmeed om de wereld te verbroederen (of net andersom). Het document dateert wellicht omstreeks 1775-6, ruim dertig jaar voor Goethe Faust I uitgaf en een halve eeuw voor hij het tweede deel postuum publiceerde. De euforie was aanvankelijk groot, want Faust was inmiddels wereldliteratuur. Erich Schmidt, die de vroege Faustversie vond, publiceerde het afschrift met de overmoedige naam Goethes Faust in ursprünglicher Gestalt. Niet iedereen was daarmee gediend.

Het ging immers slechts om een afschrift, waarvan het nog maar de vraag was in hoeverre mate het een betrouwbare tekst is. Welke slordigheden zijn er immers ingekropen bij het kopiëren of, inderdaad, bij het dicteren ervan? Binnen de gespecialiseerde wereld is het ingeburgerde begrip Oerfaust filologisch aanvechtbaar. Daarnaast was de Oerfaust, zoals het gepubliceerde wonder werd genoemd, niet de allervroegste versie. Die heeft Goethe samen met het ‘konfuse Manuskript’, waarin de eerste verhaallijnen werden getekend, vernietigd. Maar de bijzondere vondst bevat wel de essentie van de latere Faust-tragedie.

Gretchen im Kerker (Faust I), Margret Hofheinz-Döring

Gretchen im Kerker (Faust I), Margret Hofheinz-Döring

In de Oerfaust komt de tragische liefdesaffaire van Faust en Margarete (“Gretchen”) veel sterker op de voorgrond. Zo blijven een aantal scènes uit de latere versie weg in het vroegere verhaal, zoals ‘Fausts en Mefisto’s tussentijdse klim naar de wellustige excessen van de Walpurgisnacht [en] de eenzame onderzoekersdrift waarmee Faust zich in grotten en holen aan de gevolgen van zijn liefdesavontuur onttrekt’, aldus Nederlandse Faustvertaler Ard Posthuma. De tragische liefde tussen deze twee protagonisten werd later door Goethe te sterk geacht in verhouding met de rest van het werk.

Johann Wolfgang von Goethe im 70. Lebensjahr, Joseph Karl Stieler (1828 ).

Het tweede deel van Faust, dat in 1832 postuum werd uitgegeven wordt als een bijzonder complex werk beschouwd. Vele commentatoren hebben boeken volgepend met kritische aantekeningen, maar de complexiteit werd er niet minder op. De Urfaust kan soelaas brengen, meent vertaler Ard Posthuma: ‘Wie dit alles nog een brug te ver is, doet er verstandig aan om voorlopig in het voetspoor van de ‘Oerfaust’ te blijven. Er is geen betere introductie in Goethes magnum opus dan via deze tekst, die zich beperkt tot de ‘kleine wereld’ van Gretchens kamertje, geschilderd op een tijdstip dat het einde van Fausts reis nog ruim een halve eeuw op zich zou laten wachten’.

 

En dat is wat mij te wachten staat, want ik heb deze parel uit de wereldliteratuur voor mij liggen. Mijn boekenkast zal het vreugdevol in de armen sluiten. Toch geeft Wagner, de assisent van Faust, me nog een laatste waarschuwing mee wanneer ik even schalks door het boek blader:

 

Ach! wie slaaf van zijn boekenwand is,

de wereld hooguit op een zondag ziet,

is vaak onzeker als hij wil proberen

de mensheid overtuigend te beleren.

 

P.

 

Gebaseerd op het nawoord van Ard Posthuma in Faust (oerversie), Athaneum, Amsterdam, 2009.

Advertenties