Californische Capriolen I

door Prachtige Pjotr

“Why travel half around the world and say ‘No’?” zegt M., terwijl hij nonchalant met zijn schouders schudt toen hij besloot tóch weg te gaan. We bevinden ons in de jeugdherberg en we zijn vertrokken. De deur uit. M. uit Australië, ikzelf uit het zeemzoete Boechout en een verloren lopen vrijbuiter uit Los Angeles die even over en weer is gekomen. “Change of scenery” noemt men dat. Die avond gaan we naar een of andere keet in de Castrobuurt van San Francisco, die ook wel bekend staat als de homobuurt van de vrijgevochten stad. Mijn moeder zou zeggen dat ik een taloor in mijn broek zou moeten steken ter bescherming van mijn innerlijke zelf, maar ik heb geen angst en ga de deur uit, gewapend met een camera en mensen die een halve wereld van elkaar wonen. Dat zou voldoende moeten zijn.

Uitgaan in de Verenigde Staten is een bijzondere ervaring. Je bent sterk gelimiteerd in de tijd. Om 02.00 moeten alle panden die alcohol serveren sluiten. De enige manier om nog open te blijven is de tap af te sluiten en uitsluitend non-alcoholische dranken te serveren. En wil je nog naar de nachtwinkel om alsnog in de alcohol te vliegen, moet je de geestrijke dranken goed verbergen. Want in het openbaar wandelen terwijl je zichtbaar van een fles alcohol nipt, wordt niet bepaald geapprecieerd door de lokale arm der wet. Toen ik de week na deze nacht iets ging halen met A., heb ik toch deze absurde regelgeving getrotseerd en een biertje gedronken op de top van Corona Heights, terwijl de gele verkeersaders in het nachtelijke San Francisco rusteloos stroomden aan onze voeten.

 

“I.D.’s please, gentlemen”. Nors kijkt de piekfijn geklede man naar mijn internationaal paspoort. Hij heeft wat weg van een basketballer uit de NBA. Iets groter dan mezelf, breed, gespierd maar volgens mij capabel voor een glimlach die wel een miljoenencontract bij een tandpastagigant waard is. We worden toegelaten. Dit is inmiddels de tweede bar die we aandoen, want de eerste bar in de Castro was weinig soeps. Hoewel ik reeds een Chimay binnen heb, laat ik me verleiden tot het proeven van een aantal lokale bieren. De reisgids die ik af en toe meesleur op pad weet me immers te zeggen dat de lokale “micro-breweries” best wel te pruimen zijn. Vooral de witbieren weten me wel te smaken. Zomerbiertjes zijn het, maar verdomd lekkere.

Het is stil, daarbuiten. Een doordeweekse dag. Maar in alle stilte bruist de stad. Vaag hoor ik de  misthoorn langgerekt en verlangend in de baai weergalmen terwijl niet ver boven het dak van de bar de mist als een langgerekte arm over de stad reikt. Zij komt van de zee, gebaard uit een ingewikkeld samenspel van warme, vochtige lucht en het koele oceaanwater. Het is tochtig. Koortsig waait de wind binnen en draagt de geuren van de stad met zich mee. Het subtiele parfum van een nabijgelegen bloemenperk wordt verstoord door de aanblik van drie voorbijtrekkende zwervers. In al deze gedaanten schreeuwt de stad haar ziel uit. Verlangend, smartelijk en hartstochtelijk. Een donkere schim doemt op en verheft zijn stem. “Gentlemen, we close in fifteen minutes. Just saying”.

P.

Advertenties