Pjotr leest … Dostojevski

door Prachtige Pjotr

‘Hoezo? Wat wil dat zeggen? Het recht op misdaad? Maar toch niet ‘door inwerking van het milieu’?’ wilde Razoemichin zelfs enigszins geschrokken weten.

‘Nee, nee, niet alleen daardoor,’ antwoordde Porfiri. ‘Het komt er helemaal op neer dat alle mensen in mijnheers artikel in “gewone” en in “buitengewone” kan worden verdeeld. Gewone mensen behoren in gehoorzaamheid te leven en hebben niet het recht de wet te overtreden omdat ze, ziet u, gewone mensen zijn. Maar buitengewone mensen hebben het recht allerlei misdaden te begaan en de wet op allerlei manieren te overtreden, alleen al daarom omdat ze buitengewone mensen zijn. Zo zegt u het toch als ik me tenminste niet vergis?’.

‘Hoe kom je erbij? Dat kan hij toch nooit zo gezegd hebben!’ mompelde Razoemichin verbaasd.

Raskolnikov grinnikte weer. Hij had meteen begrepen waarom het ging en waar men hem wilde hebben; hij herinnerde zich zijn artikel. Hij besloot de uitdaging te aanvaarden.

‘U hebt mij niet helemaal juist geciteerd,’ begon hij eenvoudig en bescheiden. ‘Trouwens, ik moet toegeven dat u het bijna getrouw hebt weergegeven, zelfs, zo u wenst, volmaakt getrouw … (Hij leek het plezierig te vinden om toe te geven dat het volmaakt getrouw was). Het verschil ligt slechts hierin dat ik helemaal niet met nadruk stel dat buitengewone mensen beslist gehouden en verplicht zijn om altijd allerlei onoorbare handelingen te verrichten zoals u zegt. Het komt mij zelfs voor dat een dergelijk artikel ook niet in druk had mogen verschijnen. Ik heb er slechts heel eenvoudig op gezinspeeld dat een “buitengewoon” mens het recht heeft … Dat wil zeggen, niet het formele recht, maar dat hij het recht met zijn geweten overeen te komen om over … bepaalde obstakels heen te stappen, en dan alleen nog in dat geval wanneer het verwezenlijken van zijn idee (dat soms misschien wel heilzaam kan zijn voor de gehele mensheid) dit eist. U meende te moeten zeggen dat mijn artikel vaag was; ik ben bereid om het u zo goed mogelijk uit te leggen. Ik vergis me misschien niet wanneer ik veronderstel dat dit ook uw wens lijkt te zijn; staat u mij dus toe.

Ik ben van mening dat, indien de ontdekkingen van Kepler en Newton ten gevolge van bepaalde combinaties de mensheid niet anders bekend hadden kunnen worden dan door het opofferen van één, tien, honderd, enzovoort mensen die deze ontdekking in de weg hadden gestaan of verhinderd, Newton het recht en zelfs de plicht zou hebben gehad … om deze tien of honderd mensen uit de weg te ruimen om zijn ontdekkingen aan de gehele mensheid te openbaren. Dit wil trouwens helemaal niet zeggen dat Newton het recht zou hebben om iedereen, de eerste de beste, naar goeddunken te vermoorden of elke dag op de markt te gaan stelen. Verder, herinner ik me, ontwikkel ik in mijn artikel de gedachte dat alle … wel, bijvoorbeeld, wetgevers en grondleggers van de beschaving, te beginnen bij de alleroudste en vervolgens mensen zoals Lycurgus, Solon, Mohammed, Napoleon, enzovoort, allemaal stuk voor stuk misdadigers waren, alleen al daarom omdat ze bij het uitvaardigen van een nieuwe wet juist door deze uitvaardiging de oude door de gemeenschap als heilig beschouwde en door hun vaderen overgeleverde wet schonden  en natuurlijk geen halt hielden wanneer het tot bloedvergieten kwam, indien het vergieten van dat bloed (soms geheel onschuldig en roemrijk vergoten voor de oude wet) hen helpen kon. Het is zelfs opvallend dat een groot deel van deze weldoeners en grondleggers van de mensheid verschrikkelijke bloedvergieters waren.

Kortom, mijn gevolgtrekking is dat alle mensen, en niet slechts de groten maar ook zij die nauwelijks het rechte spoor verlaten, die dus zelfs nauwelijks in staat zijn iets nieuws te zeggen, van nature, in meer of mindere mate vanzelfsprekend, beslist misdadigers moeten zijn. Anders zou het moeilijk voor hen zijn om het rechte spoor te verlaten en ook zouden ze er zich natuurlijk niet bij neerleggen, wederom van nature, om in het rechte spoor te blijven, en volgens mij hebben ze zelfs die plicht om zich daar niet bij neer te leggen. Kortom, u ziet: er is hier tot nu toe niets dat bijzonder nieuw is. Dit is al duizend maal gedrukt en gelezen.

Wat betreft mijn indeling van de mensen in gewone en buitengewone, ik moet toegeven dat die enigszins willekeurig is, maar ik sta immers niet op exacte cijfers. Ik geloof alleen in mijn belangrijkste gedachte. Die behelst namelijk dat de mensen volgens de wet van de natuur over het algemeen in twee categorieën worden verdeeld: in een lagere (van de gewone), dus zogezegd in materiaal dat alleen maar dient tot het voortbrengen van zijn eigen soort, en in eigenlijke mensen, dat wil zeggen in hen die de gave of het talent bezitten om in hun milieu iets nieuws te verkondigen. Er zijn hierbij vanzelfsprekend eindeloze onderverdelingen, maar beide categorieën zijn nogal scherp afgebakend: de eerste categorie, het materiaal dus in het algemeen gesproken, is die van de van nature conservatieve en keurige mensen, die in gehoorzaamheid leven en ervan houden om gehoorzaam te zijn. Volgens mij is het ook hun plicht om gehoorzaam te zijn omdat dit hun bestemming is, en hierin steekt voor hen absoluut niets vernederends. De mensen van de tweede categorie overtraden allen de wet; het zijn omverwerpers of gezien hun kwaliteiten daartoe geneigd. Het spreekt vanzelf dat de misdaden van deze mensen betrekkelijk en zeer verschillend zijn; zij eisen merendeels, in uitingen van velerlei vorm, de omverwerping van het bestaand ein naam van het betere; Maar indien hij voor zijn ideaal over lijken zou moeten gaan of bloed moeten vergieten, dan kan hij zichzelf volgens mij, innerlijk, met een zuiver geweten, veroorloven om bloed te vergieten; echter, bedenk dit wel: met inachtneming van het ideaal en zijn maatstaven. Het is dan ook slechts in deze zin dat ik in mijn artikel over hun recht op misdaad spreek. (u herinnert zich toch dat we van het juridische vraagstuk uitgingen?)

Er is trouwens weinig reden tot ongerustheid: de massa zal hun bijna nooit dat recht toekennen; die stelt hen terecht en hangt hen op (min of meer) en vervult daarmee geheel rechtmatig haar conservatieve bestemming, met het voorbehoud echter dat deze zelfde massa in de volgende generaties de terechtgestelden op een voetsutk plaatst en hen (min of meer) vereert. De eerste categorie is altijd heer van het heden, de tweede categorie is heer van de toekomst. De eersten behoeden de gemeenschap en zorgen voor getalsmatige vermeerdering; die van de tweede houden de gemeenschap in beweging en leiden haar naar haar bestemming. Zowel dezen als genen hebben een volkomen gelijkelijk recht om te bestaan. Kortom, bij mij zijn allen gelijkberechtigd en, vive la guerre éternelle, tot het Nieuwe Jeruzalem, dat spreekt vanzelf’.

DOSTOJEVSKI, Fjodor M, Misdaad en Straf, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam, 2007, 269-271

Advertenties