Het fenomeen PMC: de terugkeer van de feodaliteit?

door Prachtige Pjotr

Huurlingenbedrijven voegen een nieuwe dimensie toe aan het Amerikaanse buitenlandse beleid.

Op 16 september 2007 bewaken huurlingen van de private militaire organisatie Blackwater een konvooi nabij het Nisourplein in Bagdad, Irak. Een moeder en haar volwassen zoon rijden traag met een Kia aan de verkeerde kant van de weg en negeren een politiebevel om te stoppen. Het veiligheidspersoneel van Blackwater vuurt een resem waarschuwingsschoten af en gooit een aantal aanvalshandgranaten naar de wagen. Deze granaten geven een harde knal en een felle lichtflits, maar zijn niet dodelijk. De Irakese politie- en legerdiensten denken dat het fragmentatiegranaten zijn, waardoor een vuurgevecht ontstaat. 17 mensen laten het leven in het bloedbad. Brigadier-generaal Abdul-Karim Khalaf meldt zelfs dat het Blackwaterpersoneel willekeurig op burgers schoot. Dat wordt bevestigd in de New York Times, waar beschreven wordt hoe een Blackwaterlid ondanks tegenstand van zijn collega’s op burgers bleef vuren. Blackwater gebruikte volgens de opgemaakte rapporten excessief geweld en vuurde op burgers zonder enige vorm van provocatie. Later onderzoek wees overigens uit dat de meesten die stierven zonder enige reden gedood werden. Blackwater werd als gevolg van dit incident tijdelijk geschorst.

Private Military Companies: què?

Blackwater werd in 1990 door de voormalige US Navy Seal Eric Prince opgericht als een private trainingsfaciliteit om leger- en politie-eenheden te trainen. Deze bevindt zich in North Carolina en is 28 km² groot. Het bedrijf kende vooral een steile opmars na de terreuraanslagen op 11 september 2001. Blackwater leverde snel veiligheidstroepen in Afghanistan en heeft een tijd geleden een contract van 9 miljard dollar gekregen om de ambassadeur van de VS in Irak te bewaken.

Het bedrijf kreeg ook immuniteit, waardoor het niet vervolgd kon worden. Het is een van de zestig private beveiligingsbedrijven die in Irak opereren. Momenteel staat Blackwater bekend als Xe, omdat de naam te negatief werd om nog te gebruiken na een aantal rechtszaken. Het bedrijf was naast de Irakmissie ook nog actief als hulpverlener na de Orkaan Katrina, gaf trainingen aan troepen van Azerbeidzjan, verleende inlichtingen aan een Afghaanse anti-drugseenheid en kreeg ook contracten in Japan om radarsystemen te bewaken.

Blackwater is dus in feite een Private Military Company (PMC), een huurlingenbedrijf. Het is een privaat bedrijf dat niet onder controle staat van een staat, maar het sluit er wel heel wat contracten mee af. Een PMC wordt door de Derde Conventie van Geneve (1949) geplaatst onder de noemer ‘defensiedienstverlener’, maar het levert ook personeel om tactische missies te volbrengen, in tegenstelling tot bedrijven zoals Lockheed Martin. Hoewel de Conventie van Geneve een aantal wetteksten heeft laten opstellen, zijn de zogenaamde ‘rules of engagement’ van een PMC nog niet helemaal hetzelfde als die van de reguliere legerdiensten.

Kapitalisme

Voorstanders van de vrije markt maken vaak het onderscheid tussen ‘rentseekers’ en ‘profitseekers’. Een PMC is volgens hen een rentseeker, omdat de eindgebruiker (de staat) niet de totaalkost moet betalen. Deze wimpelt hij af op de belastingsbetaler, die het grootste deel van de contracten van de PMC betaalt. Net omdat de PMC zo afhankelijk is van de staat hoort men wel eens van ultraliberalen dat dit een logische uitwas is van de sociaaldemocratische welvaartsstaat. ‘Kapitalisme 4.0’ is het nieuwe model in hun ogen: de staat wordt een actieve speler op de vrije markt.

Het hedendaagse kapitalistische systeem is een symbiose tussen de staat en het economische systeem. Er bestaat dus een wederzijdse afhankelijkheid. Men merkt in de verbetenheid van libertariërs om hun handen proper te wassen van het huidige economische systeem dezelfde vastberadenheid die men bij hardleerse communisten vindt. Ze zijn vol lof over de sociaaleconomische verworvenheden van de revolutie, maar zeggen wel dat de Sovjetunie niets te maken heeft met communisme wanneer men de negatieve elementen van het Sovjetrijk opsomt. Hoe dan ook zijn PMC’s een gat in de markt: de Amerikaanse hegemonie heeft nood aan andere vormen van militaire bezettingsstructuren. Het is juist dat een PMC afhankelijk is van opdrachten van de staat. Maar dat maakt het nog altijd geen vazal van een staat, zoals in een feodale relatie tussen heerser en onderdaan. De afhankelijkheid van een PMC van de staat is betrekkelijk relatief, omdat bijvoorbeeld Blackwater/Xe ook trainingen geeft aan buitenlandse troepenmachten.

Een andere kritiek die men vaak hoort is het feit dat een PMC een publiek bedrijf is, waarbij de beslissingen vanuit de overheid komen in plaats van de private personen die het bedrijf in handen hebben. Voor Blackwater/Xe is dit zeker niet van tel. Het is immers geen vazal, hoewel het bedrijf inderdaad geen diensten zal verlenen die tegen de Amerikaanse belangen gaan. De Amerikaanse staat is dé belangrijkste klant. Blackwater/Xe zal bijvoorbeeld niet snel Iraanse troepen gaan trainen in North Carolina, laat staan dat het bedrijf morgen de kernreactoren van Noord-Korea zal bewaken. Toch hebben private militaire ondernemingen al bewezen dat zij ondermijnend kunnen zijn voor een vredesproces. Zo heeft Northbridge Services Group in 2003 aan de Ivoorkust een rebellengroepering voorzien van financiële steun en wapens.

Amerikaans imperialisme

PMC’s kunnen voor de VS wel degelijk belangrijk zijn. Omdat militaire expedities tegenwoordig een gigantische overhead met zich meebrengen kan de VS niet alleen meer op zijn eigen leger terugvallen. Daarnaast kan de VS geen troepen blijven uitsturen zonder daarvoor nog eens extra veel moeite te doen om nieuwe legertroepen klaar te stomen voor de strijd. De Amerikaanse hegemonie zal daardoor immers stilaan te groot worden om alleen door het reguliere leger beheerd te worden. Daar komen PMC’s handig bij van pas. Zij leveren extra troepen met een eigen logistiek apparaat, waardoor de kosten-batenanalyse in het voordeel van het aanwenden van PMC’s uitdraait. Dat beaamt ook Donald Rumsfeld in 2005:

“Het bespaart heel wat kosten om aannemers in te schakelen voor een resem zaken die ons leger niet meer hoeft te doen, en, om welke reden dan ook, andere burgers of overheidspersoneel niet kunnen doen. De aannemers komen van ons land maar ook van andere landen. Soms komen de contracten van ons land of een ander land en zij zetten mensen in van verschillende landen zoals Irakezen en mensen van naburige landen. En daar zijn er veel van. Het cijfer groeit”.

Toen Rumsfeld van het oorlogstoneel verdween, was er een verhouding van ongeveer één huurling per soldaat.

PMC’s kunnen ook een aardige invloed uitoefenen op het buitenlandse beleid van de VS. Eric Prince, de oprichter van Blackwater, is een religieuze Republikein. Het is niet ondenkbaar dat er met de groei van contracten van PMC’s ook een sterke lobbygroep op gang komt. Momenteel zullen zij zeker niet de lobbygroepen die uitgaan van banken of machtige pharmagroepen overklassen. Maar Prince heeft echter wel miljoenen dollars uitgegeven aan conservatieve christelijke kandidaten voor de Republikeinse Partij. Dat is eigen aan de Amerikaanse corpocratie: bedrijven hebben een sterke invloed op het binnenlandse en buitenlandse beleid. Een voorbeeld daarvan is de actieve inmenging in Midden- en Zuid-Amerika ten behoeve van de Amerikaanse multinationals, zoals de United Fruit Company. De voorzitter van Starbucks, Howard Schultz, heeft sympathieën voor de Israëlische zaak en geeft jaarlijks miljoenen dollars via de inkomsten van Starbucks aan de staat Israël. En daarnaast zijn er honderden andere bedrijven die een verborgen politieke agenda hebben en belangen hebben die gelijklopen met het Amerikaanse buitenlandse beleid. Het Amerikaanse defensiebedrijf General Dynamics zag zijn winst driemaal verdubbelen sinds de invasies van Afghanistan en Irak tijdens de Bush-administratie. Dit bedrijf stelt momenteel heel wat mensen uit het voormalige Cheney-kabinet te werk. Het is dus helemaal niet ondenkbaar dat PMC’s bepaalde kandidaten financieel zullen steunen zodat zij verkozen geraken.

Bovendien zijn er altijd conflicten op de wereld die door clandestiene operaties verder opgestookt kunnen worden. De CIA heeft de afgelopen decennia heel wat verschillende rebellengroepen en opstandige generaals in links georiënteerde landen in Zuid-Amerika gesteund zodat daar een militaire junta aan de macht kon geraken. Maar het zijn blijkbaar niet enkel overheidsinstanties die hun invloed uitstrekken. In augustus 2004 was Blackwater betrokken bij een poging tot een coup in Equatoriaal-Guinea. Mark Thatcher, zoon van Margareth Thatcher, zou hierin een rol gespeeld hebben.

Niet altijd even legaal

In de eerste helft van 2009 kwamen er 2500 huurlingen bij in Irak, maar Blackwater zit daar niet meer bij. Het bedrijf verlegde haar zwaartepunt naar anti-drugsoperaties in Latijns-Amerika. DynCorp nam de rol over, een bedrijf dat eveneens een berucht verleden heeft. Zo waren voormalige personeelsleden van het bedrijf betrokken bij mensenhandel in het voormalige Joegoslavië. Met behulp van de Servische maffia vervoerden zij Roemeense en Russische seksslavinnetjes. Andere bedrijven blijven ook aanwezig in Irak: Aegis, Eirlys, de Steele Foundation, …

De vraag van rechtsgeldigheid is daarom belangrijk, want hoe kunnen zulke bedrijven dit blijven doen zonder vervolgd te worden? PMC’s moeten geen directe verantwoording afleggen aan het Amerikaanse Congres. Door gebrek aan een degelijke wetgeving rond PMC’s zijn een aantal leden van DynCorp die zich in Bosnië schuldig hebben gemaakt aan verkrachtingen vrijuit gegaan. De Titan Corporation leende een aantal vertalers en ondervragers uit aan de beruchte Abu Ghraibgevangenis. In 2009 is er dan weer een onderzoek opgestart naar Amerikaanse PMC’s die konvooien van het Amerikaanse leger in Afghanistan beschermden door Afghaanse krijgsheren en talibanstrijders te betalen. Zo zou de VS indirect geld afdragen aan de opstandelingen die zij net trachten te bestrijden.

De toekomst

Stellen dat de oorlog met de opkomst van PMC’s wordt geprivatiseerd zou een boude stelling zijn. Ten slotte worden oorlogen in eerste plaats nog altijd aangegaan door staten en niet door bedrijven. Het is twijfelachtig dat een PMC vandaag de dag zoveel geld zou hebben dat het de kost van een ‘militaire overhead’ zou kunnen dragen. Een staat heeft veel meer mogelijkheden om geld in te zetten voor een militaire expeditie. Het is echter wel zo dat de belangen van de private sector zeer sterk verwikkeld zijn met het Amerikaanse buitenlandse beleid en zo een aardig stukje bijdragen aan de uitbouw en de in stand houding van de Amerikaanse hegemonie. Door lobbygroepen op te richten en bepaalde Congresleden te steunen kunnen PMC’s wel een aardige invloed uitoefenen op de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Sommige mensen zeggen dat de Amerikaanse economie alleen maar beter wordt van oorlogsvoering. Dit geldt zeker voor PMC’s: zij staan en vallen bij Amerikaanse aanwezigheid in het buitenland. Tegenstanders willen zware sancties opleggen tegen zulke bedrijven. Andere stemmen, zoals de kritische Britse commentator Robert Fisk, willen dat het Midden-Oosten vrij van Westerse inmenging blijft. In zulke ogen is het buitenlandse beleid van de VS een grotere bedreiging voor de wereldvrede dan ‘schurkenstaten’ zoals Iran of Noord-Korea. Met de opkomst van PMC’s ziet men die bedreiging gedeeltelijk in private handen belanden.

 

P.

Advertenties