Een snuifje Ruusbroec …

door Prachtige Pjotr

“Hij is hongherig ende dorstig, want hi siet der ingelen spise en de hemelschen dranc. Hi arbeit sere in minnen, want hij siet sine raste. Hi is pelgrim, ende hi siet zijn lantscap. Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine crone. Troest, vrede, vroude, ende scoenheit, ende rijcheit, ende al dat verbliden mach, dat wert vertoent der verlichter redene in Gode”.

“Over de plaats van afkomst blijft het voorlopig nog gissen. Sommige wetenschappers verwijzen naar Ruisbroek, een dorp tussen Brussel en Halle, anderen situeren de kindertijd van Ruusbroec in de gelijknamige wijk van Brussel. Op elfjarige leeftijd wordt hij toevertrouwd aan zijn oom en priester Jan Hinckaert, kapelaan van de St. Goedelekathedraal – de huidige St. Michielskathedraal. Na een opleiding van vier jaren aan de Brusselse kapittelschool wordt hij in 1317 tot priester gewijd. Gedurende 25 jaren bekleedt hij de functie van kapelaan of plaatsvervangend priester in de kathedraal. Het jaar 1343 is een belangrijke wending in zijn leven: samen met zijn oom en een ander inwonende priester, Vrank van Coudenbergh, verlaat hij de stad voor het Zoniënwoud. Zij vestigen zich in Groenendaal, in het vroegere verblijf van een kluizenaar. Men vermoedt dat zij het drukke Brussel ruilen voor een plaats waar zij voor God kunnen leven in een geestelijk geschikt klimaat. Aanvankelijk leven zij zonder regel en zonder overste. Ofschoon deze kleine religieuze gemeenschap niet de bedoeling heeft een klooster te stichten, neemt zij in 1350 de Regel van Reguliere Kanunniken van de Heilige Augustinus aan. Van dan af wordt de gemeenschap een proostdij met Vrank van Coudenbergh als proost en Ruusbroec als prior. Omwille van zijn hoge leeftijd besluit Jan Hinckaert de Regel van de Orde niet te volgen. Verbonden met de gemeenschap woont hij zijn verdere leven als kluizenaar in een afzonderlijke woning.

Wat het literaire aspect van Ruusbroecs leven betreft: in Groenendaal zet hij het werk voort dat hij in Brussel is begonnen. In de drukte van de stad schrijft hij vijf werken, in de stilte van het Zoniënwoud breidt hij zijn oeuvre uit met zes traktaten en enkele brieven. Het valt echter op dat zijn gezamenlijke literaire werk van één en dezelfde grondgedachte getuigt: de liefdesontmoeting tussen God en mens in dit leven. Ruusbroecs mystiek is liefdesmystiek. Hij beschrijft Gods liefdesinitiatief en de gevolgen van het menselijke antwoord hierop. Het resultaat van deze gerichtheid op God is een goddelijke omhelzing die tot stand komt in levensgemeenschap met Christus en die de ziel opneemt in Gods trinitaire liefdesleven. Hier gaat de hemel open voor de ziel: dankzij Gods genade voelt zij niet alleen dat en hoe God liefde is, zij wordt ook gewaar dat ze één is met Beeld waartoe ze is geschapen. De innerlijke gewaarwording van eenheid moet men echter niet op het zijnsniveau verstaan. Ruusbroec heeft het over een “eenheid in liefde”; de mens blijft mens en wordt niet God. Dat alle werken een variante zijn op deze fundamentele intuïtie doet vermoeden dat Ruusbroec van bij de aanvang uit een persoonlijke beleving schrijft en dat zijn “mystieke” periode niet tot Groenendaal is beperkt. Ofschoon niet bedoeld voor een breed publiek zijn Ruusbroecs mystieke geschriften tijdens en na zijn leven verschillende malen gekopieerd. Enkele zijn nog vóór 1381 in het Latijn vertaald wat de verspreiding op ruimere schaal in de hand heeft gewerkt.”

(Bron (klik))

De flarde tekst van de Middeleeuwse mysticus vormde in 1931 het openingsmotto van de periodiek De Pelgrim van de gelijknamige kunstenaarsgenootschap, waartoe onder andere de priester Léonce Reypens, de architect Flor Van Reeth, de letterkundige Ernest Van der Hallen en de schrijver Felix Timmermans behoorden. De aandacht naar Ruusbroec is veelbetekenend, omdat de naamgeving van De Pelgrim duidde op een streven naar spirituele herbronning in de Middeleeuwen, in een tijd die door velen als decadent en in acute crisis werd beschouwd. De volkstaal die Ruusbroec hanteerde, zonder zich te wenden tot het Latijn, betekende dat de “hemel reeds kan beginnen op aarde”. Het citaat beschrijft enerzijds het lijden en de noodzakelijke opofferingen om het geloof te belijden, maar stelt anderzijds wel ‘troest, vrede, vroude, ende scoenheit, ende rijcheit, ende al dat verbliden mach’ in het vooruitzicht.

P.

Literatuur:

HEYNICKX, R., Meetzucht en mateloosheid. Kunst, religie en identiteit in Vlaanderen tijdens het interbellum, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2008.

De Pelgrim (1929-1931)

Advertenties