“Waarom haastig zijn te Lier?”

door Prachtige Pjotr

Het onderstaande stukje is een relict van vroeger tijden. Omdat de bomen zich in deze tijd in hun gouden tooi kleden en dra hun bladeren zullen afwerpen, vond ik dit onderstaande melancholische stukje passend te zijn voor dit moment. Lier is een stad voor genieters. Een stad waar het tijdloze doorheen alles lijkt te schijnen. En waar kleine verrassingen om iedere hoek te vinden zijn.

———

Zelfs het gure herfstweer ontsiert de Pallieterstad niet van zijn charme

Lier verkoopt zichzelf als een bruisende stad die tegelijk charmant, bourgondisch, historisch, verrassend, veelzijdig en romantisch is. Iets wat niet meer bewezen hoeft te worden. Toch heeft de stad nog meer in petto. Het roemrijke kunstverleden voegt een laatste aspect toe aan de Pallieterstad: tijdloosheid.

“Niet bepaald het weer dat je in gedachten had, zeker?” grapten Berten en Kerstin, een jong koppel dat net in Lier woont, toen we ons in het gure herfstweer begaven. Ik vervloekte eerder die dag de hemelsluizen, die al enkele dagen wagenwijd openstonden. En toch. De melancholische stemming die het gure herfstweer opwekt doet sfeervol aan. “Het heeft iets speciaals en we maken er iets gezellig van” stelt Kerstin ons gerust. Gewapend met paraplu’s gaan we de eindeloze regenbui tegemoet. Wat water kan ons niet deren.

Geen minutieuze planning, maar eerder een soort nonchalance vormt onze leidraad vandaag. Het boekje ‘Schoon Lier’ van Felix Timmermans, dé Lierse schrijver bij uitstek, neem ik mee. En daarmee keer ik niet zozeer terug naar een Lier uit een welbepaald verleden, maar naar een tijdloos Lier. Timmermans schreef geen toeristisch boek met netjes geordende bezienswaardigheden, maar eerder een dromerige evocatie van zijn geboortestad. Op deze manier kan het spontaan ontdekken van een stad een bijzondere ervaring zijn.

We komen aan bij het Lierse begijnhof, ‘d’Amandelboom van Lier’ volgens de schrijver. Hier speelt het boek ‘De zeer schone uren van juffrouw Symforosa, begijntjen’ van Timmermans af. Zij is een begijntje dat verliefd wordt op de hovenier Martienus die haar druivelaar verzorgt. In het voorjaar verlaat hij het Begijnhof om bij de Bruine Paters te gaan. Dit zorgt voor veel hartzeer en vragen bij Symforosa. Ze probeert hem zoveel mogelijk te ontwijken en raapt alle moed bij elkaar om afscheid te nemen op de Begijnenvest. Toen ze na lang aandringen bij moeder overste toelating kreeg om hem te bezoeken, besefte ze bij aankomst dat hij gelukkig was en ging ze voldaan terug naar het Begijnhof.

In het korte verhaal legt zij de zogenaamde ‘Kruisweg’ af, langs een reeks schilderijtjes die de lijdensweg van Jezus afbeelden. We volgden als pelgrims deze minibedevaart. Helaas waren deze schilderijtjes in restauratie, dus konden we enkel de afbeeldingen zien met de bijhorende Bijbelteksten. In een kleine zijstraat van de Sint-Margarethastraat zien we een klein standbeeld van een blijmoedige Symforosa. We passeren het oude werkhuis van Timmermans in de Grachtkant. Iets verderop ligt de Hellestraat waarin het verliefde begijntje een roos ontving van Martienus, vlak voor hij vertrok. We herkennen het huis met het gietijzeren hek, waar Martienus een tuintje onderhield.

Over het huis van Martienus bevindt zich het zogenaamde ‘Ruusbroechuisje’, waar Timmermans samen met de Lierse letterkundige Ernest ‘Nest’ Van Der Hallen en de architect Flor Van Reeth ‘stille uren beleefden’ en zich aan kunst wijdden. Het is tevens het kleinste huisje van het Begijnhof, maar is helaas niet toegankelijk. Vooral ‘Nest’ was in de wolken met het huisje, wat bleek uit de brieven die hij schreef:

“In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee als in ‘nen droom:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …”.

Zijn brieven gonzen van lof over het Begijnhof. Hij, Fé en Flor richtten hier de Pelgrimbeweging op, een kunstenaarsgenootschap die de katholieke kunst wilde moderniseren.

 “Hier wandelt de mystiek in burgerkleding rond” schrijft Timmermans.  Vandaag is er echter weinig volk op de been, het weer houdt de brave burgers van Lier binnen. De mystiek zit hem namelijk vooral in de sfeer die hier rondwaart. “Alsof je van het moderne Lier overstapt naar een tijdloos Lier”, voegt Berten eraan toe. Het laatste begijntje is gestorven in 1994. Ze leeft nog in naam verder in taverne Zuster Agnes, juist buiten het Begijnhof.

 

Niet veel verderop schuilen we even voor de regen in het Convent, vlak aan de uitgang aan de Begijnenvest waar Symforosa afscheid nam van Martienus. Hier is een ruime tentoonstellingsruimte ondergebracht. Vandaag zien we de gedichten van Vera Beau, die inzicht geeft op de gevoelswereld van nabestaanden van een zelfdoding  en de schilderijen van Fons Teijssen.

We verlaten het Begijnhof langs de Begijnenvest, de ‘groene kathedraal’. Ik haal nog eens de laatste pagina van het verhaal van Symforosa naar boven:

“En het regent nu op zijn zeven gemakken. ’t Zal weer een regen voor vele dagen zijn. De lucht is nat en de verten zijn verdronken. Het regent luie, rechte strepen zonder wind en ’t ruist machtig op de bladeren van de bomen”.

Het verhaal komt tot leven. “Je mag dat verhaal eens komen vertellen wanneer we gaan trouwen, behalve het einde want ik hoop niet dat Berten net als Martienus naar het klooster gaat” lacht Kerstin.

Wanneer we de Lierse sportvelden zijn gepasseerd kunnen we de ‘zilveren knoop’ zien waar Felix Timmermans zo lyrisch over was: de samenkomst van de kleine Nete, die door de stad vloeit en de grote Nete die er omheen vloeit. We gaan door het kleine parkje dat haast verzuipt in de regen. Er hangt een melancholische sfeer naarmate het licht vermindert. De vijver treedt stilaan buiten zijn oevers, elders horen we de Lierse ‘pompiers’ druk heen en weer rijden. Mijn gezelschap klaagt niet over het weer.

We komen voorbij het oude zwembad van Lier, volgens Berten een “schande van de buurt” wegens de erbarmelijke staat ervan en spoedig rijp voor de sloop. “Wanneer het oude zwembad gesloopt wordt, zal er een lange groene zone ontstaan rond het einde van de kleine Nete” zegt hij en wijst me de omgeving aan. De letters van het stedelijke zwembad hangen er nog maar halvelings aan en de ingang van het zwembad waar ik vroeger als kind soms heen ging was afgerasterd.

Het Timmermans-Opsomermuseum, dat nabij ligt, stelt het werk van een hele resem Lierse kunstenaars tentoon. Het gelijkvloers is onderverdeeld in drie grote kamers die gewijd zijn aan Isidoor Opsomer (1878-1967), een schilder die flirtte met realisme en postimpressionisme. Die flirt is duidelijk merkbaar bij verschillende schilderijen. Een afbeelding van De processie in het begijnhof leunt sterk aan bij het postimpressionisme en toont ook hier die sterke affectie van een Lierse kunstenaar voor het Begijnhof. Het indrukwekkende Christus predikend in Lier sluit aan bij het realisme. “Een opmerkelijk stuk”, zegt de aanwezige museumgids, die me wat uitleg geeft. “Het stadje is schoon” schreef Timmermans. “En Opsomer kan het schoon laten zien”. Op de eerste verdieping vinden we een deel toegewijd aan Lierse striptekenaars zoals Gommaar Timmermans, zoon van, lokale componisten en architecten zoals Flor van Reeth. Een groot deel is uiteraard gereserveerd voor Felix Timmermans.

Australian Fine Wines is een lokale wijnhandelaar die regelmatig proeverijen organiseert. Timmermans mag dan gezegd hebben dat Lier rijmt op bier en plezier, de druivelaar kreeg evenveel aandacht. De afsluiter van de dag in een wijnkelder doet ons denken aan zijn weemoedige verhaal van Benedikt Serneels, ‘de pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt’. Timmermans schreef het boek in 1921 aan zijn ‘druivesappige vrienden’. Vandaag wordt de Shirazdruif in de kijker gezet, dominant in de Australische wijnproductie.

“Is het daarbuiten nog altijd zo lelijk bezig? Een wonder dat wij in onze kelder nooit problemen hebben met water” gaat de wijnhandelaar een gesprek aan met de aanwezige gasten. Een koppel dat mee binnen kwam zegt dat het pompen geblazen is aan de Grote Markt. Elders horen we inderdaad de Lierse brandweer door de straten razen. De namen van de wijnen in de kelder waar we vertoeven mogen dan geen oervlaamse klanken hebben, we kunnen ons inleven in de weemoedige sfeer van de verhalen die Timmermans schreef. We besluiten een Grant Burge Cabernet Sauvignon uit 2005 te kopen, een passende karakterwijn in dit gure herfstweer.

Met paraplu’s in de aanslag, stuiten we op het moderne Lier op het Zimmerplein. De najaarsfoor zal vandaag niet veel volk ontvangen. Een enkeling betreedt het geruisloze Lunapark, dat er stil bijligt. Net achter de hoek bevindt zich het Begijnhof, waar onze tocht begon. De Gevangenpoort doemt op. Even lijkt de tijdloosheid van ‘d’Amandelboom” zich meester te hebben gemaakt van het moderne Lier. Ik dacht aan wat Fé eens schreef: “waarom haastig zijn te Lier”?


 

P.

Advertenties