‘Eenzaamheid. Het is een absolute heerlijkheid’

door Prachtige Pjotr

‘Eenzaamheid. Het is een absolute heerlijkheid’, zegt de verweerde Zwerver plots, terwijl hij het vuur aanport en zijn tijdelijke metgezel, een jonge vagebond uit een nabijgelegen dorp, aankijkt. Hij lijkt niet te luid te willen spreken, dat lag overigens niet in zijn aard. Het zou zonde zijn, dacht de Zwerver, de wonderlijke stilte die nu over het bos is gevallen plots te verbreken. Hij beschouwt tijd en ruimte als heilig. Elk tijdstip, elk ruimtedeel is geladen met een symbolische betekenis. Niet dat dit zijn leven onnodig bezwaart, het zorgt eerder voor een uiterst diep respect voor de omgeving waarin hij vertoeft en de manier waarop hij zijn tijd wenst in te vullen. Dit respect vormt de totale tegenpool van het leven dat hij eens gekend had: jachtig en betekenisloos. Rond hen treedt de nacht in alle stilte aan en doorruist een koele maar zachte wind de bomen, die stilaan hun stralende kruin verloren. Het bruisende zomerleven maakt plaats voor de verstilling.

‘Waarom een heerlijkheid?’, vraagt de metgezel met een nieuwsgierige blik, die duidelijk gebrand was op een discussie, ‘is het niet heerlijk, te vertoeven onder je geliefden? Is het niet heerlijk je geluk te delen met anderen en je leed te verzachten in het nabij zijn van anderen?’. De Zwerver kijkt op en glimlacht zonder een schim van minzaamheid en arrogantie te laten zien. Hij spreekt zijn woorden haast uit alsof hij een gedicht citeert, in een bijzondere kadans die zijn toehoorder lijkt te hypnotiseren.

‘Zeker. Ik heb dat geluk gekend, onder vele geliefden te verblijven. En ik heb ook mijn leed verzacht in hun nabij zijn. Het is iets waar ik met een groot genoegen naar terug kijk. Maar toch is de mens een fundamenteel eenzaam wezen, daar ben ik van overtuigd. Menselijke ervaringen zijn de bron van wijsheid, en door hun uniekheid zijn zij uiterst persoonlijk. Esse est percipi. Het bestaan dat het meest logische, concrete en redelijke is, kan enkel het bestaan zijn dat tegemoet komt aan je eigen verbeelding, idee en fantasie van de werkelijkheid. De wereld, en daarmee bedoel ik het zinvolle weefsel van ruimte en tijd, is de creatie van de unieke menselijke geest. Slechts weinigen beseffen dit en schrijven dit toe aan anderen.’

Niet veel verder, op een kaal, braakliggend weiland stuiven honderden zwarte vogels weg, opgeschrikt door iets. Een aanzwellende golf, net iets donkerder dan de donkerblauwe nachthemel, vliegt haast geruisloos over de hoofden van de twee vagebonden. De Zwerver kijkt nog eens naar zijn jonge metgezel, die op zijn wederwoord leek te broeden. Hij had een eigenaardige tic: iedere keer wanneer hij het woord nam, leek hij zijn baard aan te raken en te strelen. De metgezel is een stevige kerel van gemiddeld postuur met een knokig, rechthoekig gezicht, en er opmerkelijk jong uitziet. Dat heeft hij vooral te danken aan de vurige kracht die uit zijn ogen lijkt te stralen.

‘Maar deel je die ervaringen dan niet met allen die bij je zijn? Dit moment van stilte, dit magische moment in deze wonderlijke natuur, delen wij dit niet met elkaar?’

De Zwerver moest lachen. ‘Neen, mijn beste vriend. Wat ik ervaar en wat jij ervaart kunnen evengoed mijlenver uit elkaar liggen. Wat wij delen is slechts de illusie dat wij hetzelfde ervaren’.

‘Is iedere vorm van samen iets delen of samen iets ervaren, dan een illusie? Is het nutteloos?’

‘Zeer zeker niet! Ik schat je hoog in, beste, en op dit eigenste moment doen wij beiden indrukken op die als bouwstenen dienen voor het begrip van onszelf, de wereld en nog veel meer. Het zou trouwens waarlijk gek zijn te denken dat je niemand nodig hebt. De mens is immers een sociaal wezen, dat slechts ten volle kan groeien tot een volwaardig lid van een gemeenschap door de steun van anderen. In dit opzicht is de mens niet eenzaam, daarover spreek ik overigens niet. Ik doel op het domein van de gedachte, vooral daarin is de mens eenzaam. Die bepaalde eenzaamheid moet hij koesteren, want daarin kan hij iets heel bijzonders vinden. Namelijk wijsheid in iets dat boven hem uitstijgt; een “meer-dan-leven” als het ware. Hij begint in zichzelf, verliest zichzelf gaandeweg in zijn innerlijke zoektocht en keert terug naar zichzelf in een nieuwe gedaante’.

‘Wat bedoel je? Wat voel jij dan, als jij alleen bent? Ik zou toch liever bij de mensen verblijven, zeker op koude en donkere winternachten. Want dan voel ik me ver van alles en iedereen. Die afstand is ondraaglijk’.

‘Toen ik nog in de stad woonde wandelde ik eens op een donkere winteravond door de straten naar huis toe. Ik moest door het park wandelen en toen ik me daarginds bewust werd dat ik me helemaal alleen bevond, zonder iemand rond mij, voelde ik iets heel bijzonders. De opkomende mist en de kale bomen, die me op andere momenten heel bevreemdend en zelfs beangstigend overkwamen, en waar ik anders snel voorbij wandelde, voelden heel vriendelijk aan; zorgzaam en beschermend. Toen ik omhoog keek zag ik de sterren helder fonkelen en zich organiseren in sterrenbeelden, zomaar, uit zichzelf en zonder mijn toedoen. Ik werd plots overmand door het abrupte idee dat ik me middenin de kosmos bevond; die machtige architectuur van het Leven. Op dat moment dacht ik dat geen enkele plek me nog bevreemdend en beangstigend zou overkomen en kwam ik te beseffen dat we als mens wel eenzaam kunnen zijn in onze gedachte, maar nooit hopeloos alleen. Want wat is dat, ondraaglijke afstand en ver zijn van alles en iedereen? Kan je meten wanneer een bepaalde ruimtelijke afstand je alleen en verloren maakt? Deze hele aarde is slechts een miniem punt in het hele heelal, zijn we daarom als mens hopeloos alleen? In stad waar ik woonde voelde ik me eenzaam tussen de krioelende massa, maar daar, in het nachtelijke park, waar niemand was en niemand naar me omkeek of nog maar zelfs aan me dacht, daar werd ik me van een nabijheid gewaar van iets dat veel groter was dan het leven zelf. Dát, mijn beste, is de heerlijkheid van de eenzaamheid’.

P.

Advertenties