“We zijn Goden, de Architecten van de Wereld”

door Prachtige Pjotr

‘Maar zonder mythe verliest elke cultuur haar gezonde,

scheppende natuurkracht: pas een door mythen omkaderde

horizon smeedt een hele cultuurbeweging tot een eenheid’[1]

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche dreef in jaren 1870, toen hij zijn ‘Unzeitgemäße Betrachtungen’ schreef, het probleem van de waarheid op de spits. Zijn idealistische[2] voorganger Immanuel Kant stelde in zijn ‘Kritik der reinen Vernunft’ vast dat het kenbare een eiland was, omringd door een weidse stormachtige oceaan, wat hij het ‘Ding an sich’ noemde. Deze absolute werkelijkheid, ook wel het Immense genoemd, zou volgens Nietzsche maar draagbaar zijn door een mythescheppende kracht. Deze vond hij in het muzikale werk van de Duitse componist Richard Wagner, dat hij bewonderde in ‘Richard Wagner in Bayreuth’. De mythe is volgens Nietzsche een “gecondenseerd wereldbeeld”, wat het leven in het licht van een hogere zin plaatst. Daardoor heeft de mythe volgens de Duitse Nietzschebiograaf en filosoof Rüdiger Safranski niet enkel een individuele betekenis, maar waarborgt het ook een maatschappelijk-culturele samenhang. ‘Mythen scheppen waarden die als doel hebben een diepgaande coherentie in de maatschappij tot stand te brengen. Mythen antwoorden dus op […] de erosie van zin in de maatschappij’[3]. De huidige mens, die het zonder God moet stellen, klampt zich vast aan bezittingen, techniek en wetenschap en de archieven van de geschiedenis. In Nietzsches’ wereldbeeld, voor zover deze te synthetiseren valt[4], daagt de zingevende mythe continu deze onverschillige wereld uit. Aangezien de waarheid gesneuveld is na de dood van God[5], speelt de schijn van de mythe een belangrijkere rol dan de waarheid. Men kan zelfs stellen dat Nietzsche een ‘omgekeerd platonisme’ huldigt.

Mensen kunnen de werkelijkheid nooit an sich kennen, waardoor er altijd een subjectieve vervorming van de werkelijkheid aanwezig is. Mensen hebben, in tegenstelling tot dieren, de unieke mogelijkheid om de werkelijkheid te kunnen abstraheren. Een tussenstap tussen de werkelijkheid en de gepercipieerde werkelijkheid is onvermijdelijk. Daardoor kan de waarheid geen kenbaar en objectief gegeven zijn. Daarmee komen we nogmaals in aanraking met het Duitse idealisme. Een voorganger van deze invloedrijke filosofische school is de Ierse filosoof George Berkeley, die de stelling ‘esse es principi’ naar voor schoof. Dat wil zeggen dat het enige zijnde waarover een mens concreet en redelijk over kan praten datgene is wat overeenkomt met zijn eigen perceptie. Arthur Schopenhauer opperde, in navolging van Kant, dat de ‘wereld de eigen representatie’ is. Absolute Idealisten zoals Johann Gottlieb Fichte beargumenteerden dat de ‘wereld de eigen positie’ is. Een andere generatie sprak van ‘de wereld als de eigen creatie’, waarbij het solipsisme[6] om de hoek komt loeren. Dit radicale perspectief lijkt terug te koppelen naar de Hindoeïstische filosofie, waarin de kosmische eenzaamheid van het Ego in een wereld van Māyā[7] troef is.

Ik ga mee met de stelling “esse est percipi”. En ik ga zelfs zover dat het enige zijnde waar we concreet en redelijk over kunnen praten datgene is wat overeenkomt met onze eigen perceptie. Ook al is de “wereld als representatie” hevig beïnvloed door ideologische processen en andere extra-individuele invloeden, toch ervaren we dit alles als een individu, vanuit ons innerlijke zelf. En als de wereld een droom is, een sluier van illusies, impliceert dit niet dat er ook een dromer moet zijn? Men kan het geheel van ervaringen beschouwen als vals, illusoir of onbestaande – maar wie ook deze valsheid, schijn en dit onbestaande als argument gebruikt tegen die droom, kan zelf als persoon niet vals, illusoir of onbestaande zijn. Voorbij alle “dingen die zijn en dingen die niet zijn”, is er immers een enkele zekerheid: het “Ik”. Welaan! Gooi de ketens van je af! Bestrijd de verlammende retoriek, waarmee de mens zichzelf reduceert tot een onmachtig creatuur. We zijn Goden, de Architecten van de Wereld.

P.


[1] SAFRANSKI, Rüdiger, Nietzsche. Een biografie van zijn denken, Amsterdam, Olympus, 2006, 77.

[2] Het Duitse idealisme is nauw verbonden met de Romantiek en met de revolutionaire ideeën van de Verlichting. Kant wordt als de eerste idealist gezien en werd gevolgd door andere filosofen zoals Georg Wilhelm Friedrich Hegel, Immanuel Hermann von Fichte en Friedrich Schleiermacher.

[3] Ibidem, 79.

[4] Het is haast onmogelijk om een synthese te maken van Nietzsche’s werk, dat sterk evolueert in zijn loopbaan als filosoof. De zingevende mythe speelt vooral een rol in zijn vroege werken.

[5] Zie paragraaf 125 van: NIETZSCHE, Friedrich, De Vrolijke Wetenschap, Amsterdam, 2007, 130.

[6] Solipsisme is de filosofie dat er maar één bewustzijn bestaat, namelijk die van de waarnemer. Het ‘Ik’ is de enige realiteit.

[7] Māyā is een begrip uit het hindoeïsme en boeddhisme en wordt vertaald als ‘sluier van illusies’. De wereldvisie van de mens staat in deze Oosterse filosofieën ver af van de werkelijkheid. De ware toestand van de wereld is dus aan het zicht van de mens onttrokken. Deze sluier kon opgetrokken worden door middel van meditatie.

Advertenties