Spleen op de trein

door Prachtige Pjotr

© James Muspratt

Uit het raam zag ik grijs-witte kilometerpalen, klein maar opvallend, aan de zijkant van het spoor. Ze telden af. 4.2 kilometer. En niet veel later, snel voorbijgaand als in een droom, 4.1 kilometer. Zo ging het steeds verder. Iets verderop zag ik een zakenman die was verzonken in zijn krant. Hij had een grijze baard met eigenaardige kleurschakeringen en had naast zich een oude aktetas met een zilveren sluitstuk, die open stond en iedereen een blik verschafte op de inhoud ervan. Hij schraapte zijn keel, sloeg de pagina om en keek met een aandachtige blik naar een artikel in de linkerbovenhoek van zijn krant. Ik keek terug het raam uit. 2.9 kilometer. En beneden zag ik een eindeloze galerij van rode lichten. Als er mist was, vormde deze galerij een opmerkelijk baken langs het spoor, waardoor de hele buurt in een rode waas leek te baden. Vandaag was het helder, maar de glazen kamers waren vrijwel allemaal leeg. Een enkeling gaapte nog naar een overgebleven madelief, die moe opkeek naar haar bewonderaar, maar deze wandelde weer verder zodra de trein hem voorbijreed. Geen pret vandaag. 1,7 kilometer. Over mij kwam een vrouw zitten die helemaal ingepakt was tegen het weer. Ze was ouder dan mij, ik schat ergens tegen de veertig, maar behoorlijk goed bestand tegen de tanden des tijds. Ze deed haar lange regenmantel uit en gooide hem op het grijze draagrek boven mij. Een frisse regengeur streelde even mijn geurzin en enkele druppels vielen neer op het tafeltje. Ze nam een krant. Dezelfde kruising van de benen en eenzelfde zorgeloze blik als de man die ik eerder opmerkte. En twee rollende ogen, die rusteloos het hele krantenoppervlak afschuimden naar interessant nieuws. De pagina wordt omgeslagen. Haar ogen vinden een rustplek. En daar. 0.2 kilometer. Eindelijk.

P.

Advertenties