“In ondoorgrondelijke harmonie”

door Prachtige Pjotr

“Hoger echter nog dan deze uren, die in fonkelende vrolijkheid vergleden, waardeerden wij de stille weg naar huis door wijngaarden en velden in diepe dronkenschap, wanneer de morgendauw reeds neersloeg op het bonte lover. Wanneer wij de Hanenpoort van de kleine stad achter ons hadden zagen wij aan onze rechterhand wit het strand langs het meer, en links van ons rezen, hel stralend in het maanlicht, de Marmerklippen omhoog. Daartussen ingebed strekten zich de heuvels met hun wijnstokken uit, en ons pad ging op in de hellingen.

Met deze nachtelijke tochten zijn herinneringen verbonden aan een helder, verbaasd ontwaken dat ons zowel met schroom als opgewektheid vervulde. Het was of wij uit de diepte van het leven omhoog rezen naar de oppervlakte. Alsof een kloppen ons had gewekt uit onze slaap viel dan een beeld in het duister van onze roes – soms de bokshoorn, die de boeren daar aan hoge palen in de bodem van hun wijngaard slaan, soms de oehoe die met gele ogen op de nok van een schuur zat, of een meteoor die spattend door het zwerk schoot. Steeds bleven wij dan als versteend staan, en een plotselinge rilling voer door ons bloed. Dan hadden wij het gevoel alsof wij een nieuw zintuig om het land te zien hadden ontvangen; wij keken alsof wij ogen bezaten wie het vergund is in lichtende aderen het goud en de kristallen diep onder de glasachtige aarde te zien. En dan kwamen ze naderbij, grauw en schimmig, de oergeesten van het land die hier al woonden voordat de klokken van de kloosterkerk weerklonken en voordat een ploeg de bodem scheurde. Ze naderden aarzelend, met grove, houten gezichten, en hun uitdrukking was vrolijk en angstaanjagend tegelijk, in ondoorgrondelijke harmonie, en wij zagen hen in de wijnbergen, met schrik en diepe ontroering in het hart. Soms leek het dat ze wilden spreken, maar alras trokken ze weg als wind en rook.”

JÜNGER, Ernst, Op de Marmerklippen, Uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 1999, 8-9.

Advertenties