“De dood als de wieg van het leven”

door Prachtige Pjotr

Settembrini strekte zijn hand naar hem uit, terwijl hij zijn hoofd voorover boog en zijn ogen sloot – een zeer fraai en mild gebaar om iemand in de rede te vallen en om nadere aandacht te verzoeken. Hij volhardde enkele seconden in deze houding, ook toen Hans Castorp al lang zweeg en enigszins bedremmeld wachtte op de dingen die komen zouden. Eindelijk sloeg hij zijn zwarte ogen – de ogen van draaiorgelmannen – weer op, en zei:

‘Staat u mij toe – staat u mij toe, ingenieur, u te zeggen en u op het hart te drukken, dat de enige gezonde en hoogstaande, en trouwens ook, laat mij er dit uitdrukkelijk aan toevoegen, de enige religieuze manier om de dood te beschouwen, is hem als een onmisbaar bestanddeel, als een heilige voorwaarde tot het leven te zien en te ervaren, en niet, – wat het tegendeel van gezond, hoogstaand, redelijk en religieus zou zijn – hem er in de geest hoe dan ook van de te scheiden, hem in tegenstelling te plaatsen tot het leven en hem er om zo te zeggen zelfs tegen uit te spelen, wat ronduit weerzinwekkend zou zijn.

De Ouden versierden hun sarkofagen met zinnebeelden van het leven en van de voortplanting, met obscene symbolen zelfs – het heilige viel immers in de antieke religiositeit zeer vaak samen met het obscene. Deze mensen wisten de dood te eren. De dood is eerbiedwaardig als wieg van het leven, als moederschoot der vernieuwing. Maar wanneer hij wordt gezien als gescheiden van het leven, dan verandert hij in een spookbeeld, een karikatuur – en in iets nog ergers. Want de dood als zelfstandige geestelijke grootheid is een uiterst verdorven grootheid, welker liederlijke aantrekkingskracht onmiskenbaar zeer sterk is; maar het is evenmin te ontkennen dat het de gruwelijkste dwaling van de geestelijke geest betekent, met deze grootheid te sympathiseren’.

MANN, Thomas, De Toverberg, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2010, 259.

Advertenties