Pjotr en de Walkurenfietsrit

door Prachtige Pjotr

Akkoord, akkoord, ik moest behoorlijk vloeken toen ik de eerste regendruppels voelde vallen. In alle eerlijkheid was het al aan het druppelen toen ik vertrok, dus ik heb het zelf gezocht. Hou in het achterhoofd dat ik 16.5 kilometer naar huis moet gaan en aanvankelijk twijfelde om de fiets te nemen of toch maar de bus. De bus was gemakkelijk: droog, op het gemakje naar het station stappen en dan de trein huiswaarts.

Maar verderop zag ik de vlaggen wapperen in de richting waar ik moest zijn, de hele tijd wind in de rug is geen slechte deal. Dus: appeltje uit de tas, rustig opeten en toen ik de rondborstige bocht van de Noorderlaan begon af te ronden gooide ik hem als een NBA-speler in de vuilbak. Hoewel de grijsheid de hele hemel omvatte, had ik er nog een goede hoop in om het thuisfront droog en wel te bereiken. Stoere mannen nemen geen bussen.

Helaas, helaas …

Het begon aan het beruchte kruispunt van Berchem-station. Een gevreesde verkeersader en iedere keer zie ik weer die chauffeurs halsoverkop remmen voor de fietsers die mogen oversteken. Het valt me iedere keer weer op, en je ziet de chauffeurs zich haasten om toch niet te hoeven stoppen voor dat stelletje ongeregeld die zomaar te voet of te fiets de baan oversteekt. Klootzakken zijn het in hun ogen, klootzakken die zichzelf zwakke weggebruikers noemen, maar wel te pas en te onpas zichzelf voor hun wagen gooien om toch maar huiswaarts te geraken. Zelf deel ik ook die onweerstaanbare drift om linea recta huiswaarts te gaan. Al het andere gedraal is doelloos.

Ingewijden weten welke bepaalde oversteekplaats ik hiermee bedoel. Dikke druppels vielen toen ik die grijze auto iets verderop hard zag remmen. Het licht sprong op groen voor ons klootzakken. Niet de Fat Boys die je zeiknat maken, maar venijnige druppels die hard aanvoelen. De wind komt achter mij, dus ik moest gewoon snel gaan en de wolk voor zijn. Hoe naïef van mezelf, bedenk ik nu ik dit neerschrijf, om dat te geloven.

Aanvankelijk viel het nog goed mee, maar een tweetal kilometers verderop was het prijs. De Fat Boys kwamen, en hoe! Vanuit een typerende irrationele karaktertrek begon ik het weer uit te dagen. Want ik was kwaad. Kan je je dat voorstellen? Kwaad op een weersomstandigheid waar niets, maar dan ook niets aan te doen is. Tenzij je beschikt over Chinese jachtvliegtuigen die wolken bombarderen met een special chemisch mengsel dat waterstofdeeltjes zwaar genoeg maakt om tot regen te transformeren. Dat had ik nu niet bepaald in mijn broekzak zitten. “Is dat alles wat je kunt? Komaan! Storm, breek los en verwoest!”.

En toen besefte ik het plots. Eigenlijk was deze regen, die zo dramatisch uit de lucht kwam gevallen, een zegen. Het was heerlijk, en zelfs magisch, te fietsen in dit heerlijke apocalyptisme. Een jeugdige lenteregen van mythische proportie. Een omstreden Vlaamse kapelaan beschreef ooit dat het “Noordsch” was om mee te stormen, in plaats van als een Fransman melancholisch te zitten treuren omdat het slecht weer was. En in dat ogenblik, of beter gezegd: vanaf dat ogenblik, voelde ik me heel sterk verbonden met dit natuurlijke fenomeen dat de vloek van menig mens oproept. En dat stuk tekst, uit een boek ik ooit als een late puber op de kop wist te tikken, heeft me nooit meer losgelaten. Lees mee en laat ieder nietszeggend vooroordeel varen in het oog van het elementaire.

“Stemming was dat en stemming is zich laten gaan, de natuur meester laten, haar stormen lijden. Noordsch was anders: meestormen was’t. Onze vrede hing niet af van la grande paix des choses, wij schiepen hem al meeschormend met wind en wolken, met al wat joeg en joelde. Eén drift hield ons recht: de wilde wil niet lijdzaam te zijn. Onze wil hield het wilde, ons voelen het woelen, onze persoonlijkheid de losgebroken krachten in bedwang, ons instinct bevestigde ons dat wij top en toom en teugel bleven van de warrelende vaart aller dingen, de auriga (menner) boven de rollende raderen en hollende paarden der wereldkwadriga. Wij wisten dat een Vlaming van echten bloede, Beethoven, dit gedaan had: ontketenen en richten, stormen mennen, chaos harmoniseeren, ’s levens storm tot den zijnen maken met in den storm te springen en op hem het menschenkenmerk van zijn eigen leven te slaan. Wij wisten dat die andere Noorderling, de ons zoo na gevoelde Wagner het deed in de opperste wilde klaarheid van zijn Walkurenrit”.

P.

VERSCHAEVE, Cyriel, In ’t verre land, vreeselijk alleen, Boekengilde Brederode, St. Job In ’t Goor, s.l. 29.

Advertenties