“Een heel gekke geschiedenis”

door Prachtige Pjotr

Een heel gekke geschiedenis, het is in twee woorden verteld, begon de generaal zelfvoldaan. Twee jaar geleden, ja, dat klopt wel ongeveer, het was kort na de opening van de nieuwe spoorweg, had ik, (en ik was toen al civiel) mijn handen vol met allerlei beslommeringen in verband met mijn dienstoverdracht en zo nam ik op een keer een kaartje eerste klas: ik stapte in de trein, ging zitten en begon te roken. Of liever gezegd: ik ging door met roken, want ik had mijn sigaar al eerder opgestoken. Ik zat moederziel alleen in mijn coupé. Roken is daar niet verboden, maar ook niet direct toegestaan; ze laten het oogluikend toe, zoals dat vaak gaat en het hangt er ook van af, wie er rookt.

Het coupéraampje stond open. En opeens, net voor het vertreksein, stappen er twee dames in met een schoothondje en gaan recht tegenover mij zitten; ze waren net op het nippertje. Een van die twee was chique gekleed, in het lichtblauw, de andere dame bescheidener in een zwartzijden japon met een pelerine. Ze waren niet onknap, van die gezichten wie-doet-me-wat? en ze spraken Engels. Ik nam natuurlijk geen notie van ze en rookte lekker door. Dat wil zeggen, ik aarzelde wel even, naar ging er toch maar mee verder, het raampje stond immers open en ik blies de rook naar buiten. Het hondje maakte zich gemakkelijk op de schoot van de lichtblauwe dame, het was zo’n klein, zwart mormel, niet groter dan mijn vuist, met van die witte pootjes, een zeldzaam exemplaar zelfs. Een zilveren halsband met de een of andere inskriptie.

Ik bemoei me nergens mee. Ik merk alleen dat de dames zich ergens over schenen op de winden, over die sigaar van mij natuurlijk. Een van de twee fixeerde mij door een lorgnet met een handvat van schildpad. Ik doe nog aldoor of mijn neus bloedt, zij van hun kant geven immers ook geen kik! Hadden ze er ook maar iets van gezegd, gewaarschuwd, gevraagd, ze hebben toch een tong in hun mond! Maar niks daarvan, geen boe of ba … tot me daar die lichtblauwe opeens, – en zonder de geringste waarschuwing, zeg ik u, zonder iets erop wees, zo maar pardoes, alsof het haar plotseling in haar bol was geslagen, – mijn sigaar afpakte en die hup het raam uitsmeet!

De trein vliegt over de rails, ik zit te kijken of ik een klap van de molen beet heb. Een wilde vrouw; een volkomen wild wijf, zo een uit het oerwoud overgeplant, een dikkerd anders, zo’n grote blondine met van die weelderige vormen en een rood gezicht (te rood zelfs) en een paar vuurschietende ogen, waarmee ze mij probeert te verzengen.

Zonder een woord te zeggen, maar buitengewoon beleefd, met een volmaakte beleefdheid, met een verfijnde beleefdheid om het zo uit te drukken, steek ik mijn duin en wijsvinger naar het schoothondje uit, pak het dier behoedzaam in zijn nekvel en slinger het door het coupéraampje naar buiten, mijn sigaar achterna! Het jankt even … De trein snelt verder …

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De Idioot, G.A. Van Oorschot, Amsterdam, 1960, 138-139.

Advertenties