Toespraak op Ernest Van der Hallen – volkshulde. Lier, 9.3.2013

door Prachtige Pjotr

Een grafrede heeft iets triomfantelijks. Het staat in schril contrast met de ingetogen schroom van een begrafenistoespraak. Toen aan mij de vraag werd gesteld om een toespraak te geven voor deze gelegenheid kon ik echter niet anders dan denken aan het einde van De Broers Karamazov van Dostojevski. Rondom het graf van het kind Iljoesja staan zijn schoolkameraadjes te luisteren naar de toespraak van Aljosja Karamazov. Hij zegt hen niet bang te zijn van het leven, omdat het zo mooi kan zijn als je doet wat goed en rechtvaardig is. Deze passage past heel sterk bij Nest, want heel zijn leven heeft hij gezocht naar de juiste levenshouding. Het leven van een mens kan ik niet in enkele woorden samenvatten, maar vanuit bepaalde vertrekpunten kunnen hele levensbomen ontspruiten. Dat maakt van de grafrede een interessant medium.

I.

Het crisisbesef was bij de Nest een pertinent aanvoelen, ook persoonlijk. Er was een spanningsveld ontstaan tussen oude zekerheden en nieuwe waarden, waarbij de eersten steeds sneller vaste grond verloren. Het is niet verwonderlijk dat Nest daarom spreekt van een rusteloze tijd in verval, waar essenties verloren gaan. Wat hem opmerkelijk maakt is dat hij niet enkel een diagnose van de beschaving stelde, maar ook een behandeling opstartte. Hij maakt van idee en praktijk een tandem, waartussen een dialoog ontstaat die van Nest een opmerkelijke cultuurcriticus maakt. Ironisch maakt dat hem een kind van zijn tijd. De desintegratie van de oude maatschappij bracht immers ook een productief proces op gang. Nest had een antimoderne houding aangenomen, maar toch haalde hij de noodzakelijke brandstof en inspiratie uit dat ambigue modernisme. Zoals hij zelf besefte in zijn ‘Brieven aan een jonge vriend’, was zijn cultuurkritiek niet ontstaan uit een plotse bevlieging, maar uit de nood en cultuurcrisis van zijn tijd.

 II.

“Geloof me: we zijn zat van deze beschaving!” luidde het oordeel van Nest. Het was ook niet toevallig de titel van mijn thesis, omdat zij zo treffend haar tijd markeerde. Maar een pessimist was hij geenszins. Niet alleen het verval werd gepredikt, maar ook het vooruitzicht op nieuwe horizonten. Luister even mee naar wat hij te zeggen heeft:

“Wie een aandachtig oog en oor heeft voor onze tijd, voor zijn grauwe massabewustzijn, zijn hang naar bezit en stoffelijke welstand, zijn angsten, zijn eenzaamheidsgevoelen, zijn gekeerdheid naar de aarde en zijn schrijnend heimwee naar God, begrijpt dat slechts één ding ons kan redden: levensheroïek”.

Van Nest kan je veel zeggen, maar niet dat hij bij de pakken bleef zitten.

III.

1935. De AKVS, de studentenbeweging waar Nest zich jarenlang in heeft geëngageerd, is gedecimeerd door interne spanningen en sterke politieke polarisering. Hij belandt in een crisis en voelt plots de nood voor een dwaas avontuur. ‘Frans’, zegt hij tegen zijn vriend, de schilder Frans Mertens. ‘Ik ga er voor een tijd tussen uit. Gaat ge mee?’ vraagt Nest. ‘Waar naartoe?’, informeert Frans voorzichtig. ‘Naar Noord-Afrika’, zegt hij, plots beslist. Dit is het begin van de grote reizen die Nest maakt tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

“Adieu, Europa”, schrijft hij tijdens zijn eerste reis, “het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

IV.

Vraag mij dus om de Nest met 1 woord te beschrijven en ik zeg Pelgrim. Hij is niet enkel een van de stichters van een gelijknamige kunstenaarsgenootschap, maar hij belichaamde het heilige zoeken van een pelgrim. Welnu dan! Lees zijn romans, reis mee naar Noord-Afrika en wandel straks even naar het Ruusbroechuisje in het Begijnhof en je komt Nest in onvervalste vorm tegen. Het Begijnhof is op zijn mooist op druilerige regendagen wanneer je wordt bevangen door de tijdloosheid van Lier. Het is daarom niet verwonderlijk dat Nest juist deze plek uitkoos om stille uren te beleven. Luister en beleef mee:

“In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee als in ‘nen droom:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …”.

P.

Advertenties