Kant & Het Kennen

door Prachtige Pjotr

We hebben de neiging alles snel vanzelfsprekend te vinden. Alles is begrijpelijk in een omgeving waar we zijn opgegroeid. Het lijkt nooit anders geweest te zijn. Toch is die neiging helemaal niet zo voor de hand liggend als zij lijkt. Ons denken ondergaat een bepaald proces vooraleer we komen tot datgene wat we als “denken” of “redeneren” kunnen beschouwen. Je lees het goed, “denken over het denken”. De menselijke redelijkheid is een speerpunt voor de triomftocht van de moderne Westerse filosofie, maar vormt eveneens een kritische voedingsbodem. Zijn we bijvoorbeeld wel zo redelijk als we denken?

Iets verschijnt aan ons. We nemen het waar. Ogenblikkelijk vormen we een geordend geheel van beelden, waaraan we een aantal begrippen koppelen. Daarvoor is apriorische kennis nodig, begrippen die we al voor deze ervaring hebben geleerd. Een GSM is voor ons een herkenbaar voorwerp omdat we op voorhand de kenmerken ervan weten, maar toon het aan een geïsoleerde stam in het Amazonegebied en deze “fenomenale” ervaring valt voor hen niet te begrijpen. Omdat ze het object niet in een kader kunnen plaatsen is deze ervaring niet redelijk. In dat opzicht heeft Wittgenstein gelijk: onze taal begrenst onze wereld. De grens van ons begrip is de grens van onze waarneming.

Immanuel Kant heeft in dit opzicht het empirisme van de Angelsaksische filosofie en het Continentaalse rationalisme weten te verzoenen. Wie alleen stoelt op ervaring of begrippen is blind. We moeten onze ervaringen immers kunnen “vatten” dankzij een voorafgaande denkstructuur. Aan de andere kant moeten begrippen gekoppeld worden aan “fenomenen” waardoor ik een oordeel kan vormen (“dit is een boom”). Kant combineert beiden: je doet kennis op via fenomenen, die je dan weer begrijpelijk kan maken door deze te verbinden met begrippen. Onze eigenlijke kennis beperkt zich tot deze subjectieve ervaringen. Voorbij het fenomenale domein van de ervaring komt men tot wat Kant het noumenale domein noemt. Dat is redeneren voorbij de ervaring, voorbij de waargenomen dingen.

De empirist John Locke benadrukte de zintuigelijke ervaring als basis van ons kennen, maar onderkende wel het belang van een dragende substantie achter deze waargenomen fenomenen. Hij veronderstelde dit. Hume stelde vast dat men voorbij de sensations een geloof moest hebben in een substantie. Kant, daarentegen, zorgde met de nadruk op redeneren voor een veel sterkere fundering die hem tot sleutelfiguur maakte van de Westerse filosofie. Het noumenale domein van het redeneren vormde immers de metafysische ondergrond en de onvoorwaardelijke mogelijkheidsvoorwaarde voor de menselijke moraal. Daarop baseert Kant de universaliteit, die wordt gegarandeerd door de redelijkheid. We gebruiken immers gezamenlijk dezelfde begrippen voor tafels, stoelen, wetboeken, en andere “fenomenen”. Door deze conventies aan te nemen kunnen we in het dagelijkse leven normaal functioneren.

En toch was dit “orgelpunt van de Verlichting” meteen ook een onvermijdelijk keerpunt. De Kantiaanse filosofie impliceert immers dat iedereen de werkelijkheid bekijkt met een “subjectieve bril”, want onze kennis wordt immers gebaseerd op wat wij zien. Niet de werkelijkheid schenkt ons kennis, maar wél de denkstructuur van ons verstand die ons de mogelijkheid geeft de werkelijkheid te interpreteren. Alle denken is dus een menselijke constructie. Maar die universaliteit werd al snel een probleem, want zijn alle begrippenkaders wel op dezelfde leest geschoeid? Denkt een Fransman wel met dezelfde begrippen als een Amerikaan of een Japanner?  Net doordat Kant het “denken over het denken” zo hard heeft doorgetrokken ontstond er al snel een reactie op de Verlichting. Dat van de Romantiek. Dan volgde Hegel. En later in de eeuw begon het grote optimisme van de Verlichting scheuren te vertonen die tot op de dag van vandaag nog altijd tot grote vraagtekens leidt.

P.

Advertenties