De onzinnige zinnigheid

door Prachtige Pjotr

Alles wat we zien is vanzelfsprekend. We ordenen iedere gewaarwording in ruimte en tijd dankzij onze zintuiglijkheid en verstrikken deze in een netwerk van gronden dankzij de structuur van ons kenvermogen. Waarvoor dank, Immanuel Kant. Het is dus niet verwonderlijk dat vele filosofen onze werkelijkheid redelijk hebben genoemd en vice versa (cf. Hegel). Alles wat daarbuiten valt bestaat niet. Natuurlijk is dat wel, maar we kunnen daar geen zinnige uitspraak over doen. Als we het denken van de analytische taalfilosofie van Wittgenstein volgen valt deze buiten de wereld. In dat opzicht bestaan er twee werelden: de ordelijke wereld die wij als dusdanig ervaren en de “werkelijke” wereld die zich daarbuiten schuilhoudt.

Nuja, schuilhouden …

Immanuel Kant stelde ons denken ooit voor als een eiland temidden van een gigantische oceaan. Wat we werkelijk kunnen kennen is slechts beperkt. Alles wat buiten het eiland bestaat is het Ding an sich, das Unbekannte. We kunnen daarover redeneren, maar we hebben daar geen kennis over. Die is immers beperkt door onze zintuigelijkheid en ons kenvermogen. Maar dat Ding an sich was veel te eigenaardig om met rust gelaten te worden. Als we het denken van Arthur Schopenhauer volgen is het Ding an sich een onbewuste bron van kennis, die zich door het lichaam laat vertalen als de wil. Ons empirische denken wordt daardoor on- en voorbewust beïnvloed door de wil. Sigmund Freud zou daar later nog heel wat mee aanvangen. Ergo: wat we weten, redeneren en kennen van de wereld heeft niet alleen ons bewuste denken als bron, maar ook het onbewuste.

Daarom stel ik mij de vraag waarom alles wel zo vanzelfsprekend moet zijn, want die ordelijkheid klinkt te ongelofelijk voor woorden. Moeten we dat juist niet eigenaardig vinden? Waarom is alles logisch en ordelijk, eerder dan absurd en chaotisch? De empiristen stelden dat we geen aangeboren ideeën hebben, wat aannemelijk is. Maar hoe zit het dan met de structuur van ons denken? Het is een veel te immense taak voor onze ouders om ons een denkstructuur mee te geven met een zo doorregen rigiditeit, dat de werkelijkheid noodzakelijk als logisch beschouwd moet worden. Ons verstand moet dus in die mate geschapen zijn dat we al een noodzakelijke basis hebben vanaf onze geboorte om van daaruit een redelijke wereld te bouwen. Maar hoe zit dat dan juist in elkaar? Hoe verschalken wij onszelf in deze speurtocht naar de werkelijkheid? En hoe doorgronden we dit zonder onszelf ten gronde te richten?

P.

Advertenties