De sprong van Schopenhauer

door Prachtige Pjotr

Arthur Schopenhauer en de verschalking van de wilsdrang

 “We are such stuff

as dreams are made of, 

and our little life

is rounded with a sleep”

Shakespeare, Tempest, Act 4, Sc. 1.

Arthur Schopenhauer (1788-1860) had evenwel geen filosoof kunnen zijn. Hij was voorbestemd zijn vader Heinrich Floris Schopenhauer op te volgen als koopman van een rijk patriciërsgeslacht. Toch kon de jonge Arthur de geleerde boeken van zijn vader maar niet laten rusten, tegen de zin van zijn ouders. Zijn vader stelt hem op vijftienjarige leeftijd voor een ultimatum: of hij blijft in Hamburg om op het gymnasium te studeren of hij vergezelt zijn ouders op een avontuurlijke reis door Europa, waarna hij bij terugkeer in de leer moet gaan bij zakenman en senator Jenisch. Hij kiest voor de reis, zoals iedere vijftienjarige zou doen, maar bij terugkomst dringt de ironie van het leven zich op: terwijl Arthur de wereld van de handel betreedt, wordt duidelijk dat zijn vader spoedig de zijne verlaat. Arthur blijft na diens dood vertwijfeld achter. Het zal uiteindelijk zijn moeder zijn, die al snel na het overlijden van haar man in Weimar een schrijversbestaan ging leiden, die Arthur overhaalt om voluit voor de filosofie te gaan. Door de erfenis van zijn vader moest hij de filosofie nooit als een normale carrière beschouwen.

De weg naar de filosofie was lang en onzeker voor Schopenhauer, maar in de filosofie heeft hij snel vaste voet gekregen. Reeds in 1815 identificeert hij het Kantiaanse ‘Ding an sich’ als ‘Wil’. Uit zijn dissertatie Over de viervoudige wortel van de stelling van de toereikende grond uit 1813 zal op korte tijd de totaliteit van zijn filosofie ontstaan die wordt samengevat in De wereld als Wil en Voorstelling. Deze werd tijdens zijn leven verder aangevuld en genuanceerd.

Het gebrek aan erkenning maakte Schopenhauer een verbitterd man, hoewel zijn eigenwijsheid daar ook een belangrijke rol in speelde. Het zou pas tijdens de laatste levensjaren zijn dat Schopenhauer roem zou vergaren, na de publicatie van Parerga en Paralipomena (1853), een verzameling van waarnemingen, essays en aforismen. Hij verklaarde dat een zware last, die sinds zijn vierentwintigste op zijn schouders rustte, eindelijk van hem was weggenomen. Ironisch was hij bijzonder kritisch geweest over het nastreven van roem en predikte hij heel zijn leven lang een ideaal van afzijdigheid en wereldverzaking. Toch kon hij zijn pessimistische wereldbeeld combineren met eigenbereide pragmatische suggesties voor het behalen van aards geluk.

 

Immanuel Kant

Om Schopenhauer te begrijpen, is de transcendentaalfilosofie van de Duitse filosoof Immanuel Kant onvermijdelijk. Waar Descartes een fundamentele scheiding markeerde tussen het subject en de wereld erbuiten, was het Kant die zijn project afwerkte met de Kopernikaanse Revolutie. Met Kant treedt het subject op als autonome wetgever op vlak van de kennis en de moraliteit. De inbreng van het subject op vlak van zintuigelijkheid, verstandelijke kennen en het redelijke redeneren is doorslaggevend. Met andere woorden: wie wil spreken over de werkelijkheid, spreekt over de structuur van ons subjectieve kennen en denken. Alleen op die manier komt de wereld binnen

Volgens Schopenhauer is de grootste verdienste van Kant de strikte scheiding tussen de verschijning enerzijds (de fenomenale wereld) en het Ding an sich dat zich achter deze verschijning schuil houdt (de noumenale wereld). De werkelijkheid ‘op zich’ kan niet worden gekend: “Das Ding an sich ist ein ‘X’, ein Unbekanntes”. Zij kan enkel geredeneerd worden. Als gevolg kennen we de wereld enkel als verschijning, maar niet zoals ze an sich is. Met de woorden van Schopenhauer: we kennen geen zon en aarde, maar wel een oog die de zon ziet en een hand die de aarde voelt. Het intellect staat immers tussen mij en de wereld.

Het omineuze ‘Ding an sich’ wekte te veel nieuwsgierigheid op om ‘ein Unbekanntes’ te blijven. Terwijl Schopenhauer zijn wilsmetafysica uitbouwde gaf de filosofie zich over aan een vernieuwde metafysica van het absolute. Zij geloofde het ‘Ding an sich’ te kunnen ontcijferen, dat er een transparant iets bestond aan de zin van het zijn. Schopenhauer zou deze “wereldgrond” echter zien als a-logisch: de rede als werktuig van de blinde, roekeloze wil. Hij stapt over van optimisme naar pessimisme. Pas vele jaren later, na de mislukking van de revolutie van 1848, was Europa klaar hem hierin te volgen.

Het ‘Ding an sich’ als wil

‘Men ging naar buiten in alle richtingen in plaats van in zichzelf te keren, 

waar ieder raadsel moet worden opgelost’.

Schopenhauer

Al vroeg ontmaskert Schopenhauer het ‘Ding an sich’ als wil, de primaire en onverzadigbare levenskracht die de wereldvoorstelling aanstuurt. Waar Kant de wil laat bepalen door het a priori en eisend karakter van de zedenwet, valt de wil volgens Schopenhauer helemaal niet te bepalen. Door haar dominante optreden is onze voorstelling van de werkelijkheid illusoir en raadselachtig. Het gevolg hiervan is dat de werkelijkheid zinloos is, wat Schopenhauers’ systeem in de metafysische traditie een unicum maakt: het Ware is niet het Goede, maar het radicaal Kwade. Over een her-ijking gesproken! Hoewel de wil alles verenigt, is haar eenheid geen harmonie maar een zinloze emanatie van eindeloze verlangens en strevingen. Vanuit dit vertrekpunt is het dan ook niet verwonderlijk dat de filosofie van Schopenhauer pessimistisch mag heten.

Om de wereld als wil te zien schuift Schopenhauer het lichaam naar voor, omdat hierin de wil zich bij uitstek manifesteert. Ook hier druist hij in tegen Kant: die had weinig van doen met lichamelijkheid of instincten, tenzij ze aan de rede waren onderworpen. In tegenstelling tot de kennis die we van onze kenvermogens vergaren is de kennis van het lichaam de meest onmiddelijke en wordt niet uit andere kennis afgeleid. Dit onbewuste, intuïtieve kenvermogen is reeds een voorafschaduwing van de psycho-analyse van Sigmund Freud en C.G. Jung.

Het gevolg is dat Schopenhauer, tegen de tijdsgeest in, de kracht van de rede relativeert. Schopenhauer sluit niet uit dat de rede de wil beweegredenen biedt, maar hoe deze hierop reageert gaat buiten de macht van de rede om. De rede wordt hierdoor een bedriegelijk instrument om de werkelijkheid te ordenen. Niet de abstracte begrippen bouwen de wereld voor ons op, maar wel de zintuigelijke, intuïtieve waarneming die met het verstand doorregen is. Dat maakt dat we met onze rede minder grip hebben op het verschijnen van de fenomenale wereld aan ons

Deze ontnuchtering geldt ook voor zijn analyses over recht en staat: Schopenhauer ontwikkelt geen morele maximes omdat de wil de wereld bepaalt en er dus geen moraal kan bestaan. Opvattingen zoals het geweten of de categorische imperatief van Immanuel Kant zijn voor hem ‘wishful thinking’. De mens, de kroon van de schepping, is niets anders dan de meest perfecte moordmachine in de natuur. Toch bestaat er wel een manier om met deze genadeloze wil om te gaan, omdat we van zowel onze wreedheid als ons lijden als de hele zinloosheid van het bestaan bewust zijn.

De verschalkte wilsdrang

Het bestaan, aangedreven door de wil, stelt Schopenhauer voor als het rad van Ixion: genadeloos vastzitten in een cyclus van behoefte, bevrediging, verzadiging en verveling om terug opnieuw behoevend te zijn. De verveling zet ons weer aan tot de behoefte, want hier heerst een pertinent aanvoelen: de werkelijke zinloosheid van het bestaan. Dat is Schopenhauers pessimistische beeld over de condition humaine: een woeste, oncontroleerbare maalstroom van begin tot einde. Hoewel de ware essentie van het bestaan wil is, vindt de mens zijn ware heil pas wanneer deze uit het bewustzijn is verdwenen.

De wereld als wil en voorstelling wordt door de Duitse filosoof Rüdiger Safranski een bestaanshermeneutiek genoemd: een intuïtieve, betekeniszoekende aanschouwing waarin het subject zijn eigen innerlijk in de buitenwereld terugvindt. Op deze manier maakt hij de overgang van de wilsdrang naar het wilsschouwspel, waarin de scheiding ik-wereld tijdelijk verdwijnt. Deze contemplatieve houding is vergelijkbaar met een passage uit Prousts À la recherche du temps perdu waarin de verteller het gevoel heeft dat de bloem van de hagendoorn hem iets te zeggen heeft. In dit aanschouwen verliest hij het besef van het hier en nu en ook van zichzelf als persoon. Dit is een pertinente vraag in Schopenhauers’ wilsmetafysica: van waaruit kan ik de wil zien zonder zelf wil te zijn?

Aanvankelijk noemde hij deze ‘negatie van de wil’ nog het ‘betere bewustzijn’: een geestelijke activiteit die vrij is en los staat van doel en behoefte. Op dat moment zijn we volgens Schopenhauer ‘bevrijd van de ellendige wilsdwang en staat het rad van Ixion stil’. Bij de kunstbeleving staat subject even buiten de door wil bepaalde poppenkast van het leven. Schopenhauer doorprikt met deze houding de droomachtige sluier van de voorstellingenwereld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij de mosterd haalde bij de oude Indische Veda’s. Het is met de woorden van Goethe dat hij zijn hoofdwerk aanvangt en meteen ook zijn schaamteloze intentieverklaring blootlegt: ‘Ob nicht Natur zuletzt sich doch ergründe?’.

Omdat we zowel tot lijden als wreedheid in staat zijn, ziet Schopenhauer in medelijden en vrijwillige wilsverzaking de gepaste metafysische houdingen in ons zinloos bestaan. Net door ons bewustzijn beseffen we dat onze eigen wil een incarnatie van de blinde wereldwil is die, zoals Saturnus, zijn eigen kinderen verslindt. Daarom ziet hij individualisme en egoïsme als valstrikken die de wil voor onze voeten spant, waarmee we elkaar met een gevoel van vanzelfsprekendheid vernietigen. Volgens Schopenhauer is dit medelijden de dichtst mogelijke benadering van verlossing die we in deze zinloze wereld kunnen bereiken.

 P.

Bibliografie:

SAFRANSKI, Rüdiger, Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie, Olympus, s.l., 2006.

SCHOPENHAUER, Arthur, De wereld als wil en voorstelling, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2012.

STÖRIG, Hans Joachim, Geschiedenis van de filosofie, Spectrum, Houten-Antwerpen, 2011.

Advertenties