De chaosmos van de late oudheid

door Prachtige Pjotr

De scheiding tussen heidendom en christendom liep in de vierde en vijfde eeuw op een andere wijze dan ze werd voorgesteld in de negentiende en twintigste. Het contrast is later aangebracht, destijds liepen de kleuren veel meer ineen. De blijde boodschap en het licht stonden niet tegenover de duisternis en angsten van het late heidendom. De ene God van de liefde stond niet tegenover de vele goden, godinnen, demonen en velerlei angsten. De verlosser, Christus, stond niet tegenover de scabreuze flauwekul van geile goden en godinnen, wonderwerkers en ongeloofwaardige verhalen en mythen over halfgoden. Er bestond geen tegenstelling tussen het heidense pessimisme, troosteloze, uitzichtloze ‘geniet van de dag, gij sterft’ en een christelijke verlossingsleer, toekomstperspectief en opstanding uit de dood. De amorele wreedheden, circusspelen en slavernij, stonden helemaal niet tegenover de christelijke naastenliefde. Slaven hadden toegang tot de heidense tempels en erediensten en werden nog in de zede eeuw op de Siciliaanse landgoederen van paus Gregorius de Grote doodgeranseld. Vrouwen verbreiden het nieuwe geloof en vonden er tevens een meer oosterse houding van onderdanigheid en dienstbaarheid.

De werkelijkheid van de vijfde eeuw is heel wat diffuser dan het beeld dat we er later van maakten. Kijk omhoog in de Santa Costanza even buiten Rome, een grafkerk boordevol mozaïeken met taferelen van dronkenschap en vrolijke oogstfeesten en wijnpersen. Is dat bacchantisch en hoort het bij de eredienst van Dionysos of zullen we het interpreteren als allegorie van de eucharistie?

Soms dalen we onder in die Romeinse kerken trappen af die ons tevens eeuwen terug in de tijd brengen. De kerken staan erboven, onder woelt het verleden. Onder San Clemente werd een beeld gevonden, waarvan ook een wereldberoemde andere versie in het Vaticaan prominent uitgestald staat: Christus als de goede herder, als de Davidstelg. Maar er zijn enkele tientallen van dat soort beeldjes, en we weten nooit of het Christus of Hermes de drager voorstelt. Onder de Sint Pieter vlak bij het vermeende graf van Simon Petrus – die daar niet ligt en zelfs nooit in Rome is geweest – is een grafkamer met een afbeelding van Christus die als Apollo de triomferende zonnekar ment. Ook keizer Constantijn bleef in het spoor van zijn voorgangers met de zonnecultus van Apollo, bleef de heidense titel pontifex maximus dragen en schonk de Romeinse senaat het gouden beeldje van Victoria waar enkele tientallen jaren later zo’n verbitterde strijd over zou ontstaan. Nog omstreeks het jaar 600 moest paus Gregorius de Grote zijn priesters weer eens verbieden om de hymne op de onoverwinnelijke zon aan te heffen op het hoogtepunt van de mis, de consecratie.

VERGEER, Charles, Wanden van de werkelijkheid. Filosofie van de late oudheid, Damon, Budel, 2011, 44-45.

Advertenties