Dostojevski: “Iets al te geheimzinnigs”

door Prachtige Pjotr

Dosto

– Mijn broers richten zichzelf te gronde, vervolgde hij, en mijn vader ook. En ze richten behalve zichzelf ook nog anderen te gronde. Dat is de “aardse kracht der Karamazovs” waar vader Paisi het laatst nog over had, aards en onstuimig, ongepolijst … Zelfs of de geest Gods boven deze kracht zweeft, zou ik niet weten. Ik weet alleen dat ik zelf ook een Karamazov ben … Ik ben een monnik, een monnik? Ben ik een monnik, Lise? Daarnet zei u toch dat ik een monnik was?
– Ja, dat zei ik.
– Misschien geloof ik wel helemaal niet in God.
– U niet geloven, wat is er met u? zei Lise zacht en behoedzaam.

Maar Aljosja gaf geen antwoord. In die al te onverwachte woorden lag iets al te geheimzinnigs en te subjectiefs dat hij misschien zelf ook niet begreep, maar dat hem onmiskenbaar bedrukte.

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De broers Karamazov, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 2005, 268.

Ik kan dat gevoel van Aljosja door en door. Je denkt na over iets en dan valt plots een zinnebeeld vlak voor je ogen. Je taalbegrip is ver ontoereikend om het te communiceren naar een vatbaar begrijpen, maar je wéét instinctief wel waar het in essentie om gaat. Dit gaat veel verder dan de Aha-Erlebnis, dit is waar de intuïtie de plaats van de rede inneemt.

P.

 

Advertenties