Apsjeronsk, 1 januari 1943

door Prachtige Pjotr

Mantische nieuwjaarsdromen – ik verbleef in een groot hotel en sprak met de portier, die op zijn jas in zilver geborduurde sleutels droeg, over de koffers van de reizigers. Hij was van opvatting dat ze daar zelfs in de grootste nood slechts ongaarne afstand van deden – ze betekenden meer dan het omhulsel van hun have, daar zat ook hun verdere reis in, evenals hun aanzien en kredietwaardigheid. Ze zouden zijn als het schip dat men op een zeereis als laatste in de steek liet, of zelfs als de eigen huid. Vagelijk begreep ik dat het hotel de wereld was, en de koffer het leven.

(…)

Vroeg opgestaan voor de terugreis naar Apsjeronsk. De zon glansde schitterend op de bergen, waar de bossen ademden in de violette kleuren van het eerste begin van de lente. Ik was ook goedgehumeurd, als een zwaardvechter die opnieuw de arena betreedt. De kleine alledaagse bezigheden op deze eerste dag van het jaar verricht je met meer liefde – wassen, scheren, ontbijten en de aantekeningen in het dagboek: symbolische handelingen die je celebreert.

Drie goede voornemens. Ten eerste: ‘Matig leven’, want bijna alle problemen in mijn leven zijn veroorzaakt door de overtredingen jegens de matigheid.

Ten tweede: ‘Steeds oog voor de ongelukkigen.’ De mens heeft de aangeboren neiging het ware ongeluk niet te zien, en meer zelfs: hij wendt de blik af. Het medelijden komt achteraan hinken.

Tot slot wil ik het peinzen over individuele redding uitbannen in deze maalstroom van mogelijke catastrofes. Belangrijker is dat je je waardig gedraagt. We beveiligen onszelf toch slechts op bepaalde punten van het oppervlak van een geheel dat voor ons verborgen blijft, en juist de uitvlucht die wij bedenken, kan onze dood zijn.

(…)

Uit: ‘Kaukasische aantekeningen’ in: JÜNGER, Ernst, Parijs dagboek 1941-1943, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1986, 239-240.

Advertenties