Mishima: de scheepshoorn brult; alles valt samen

door Prachtige Pjotr

Noot: de reden waarom ik boeken lees is dat je gedachten tegenkomt waarvan ik het bestaan van tevoren maar vaag kon raden; in een onvolmaakte vorm heb je het fundament van je werkelijkheid opgebouwd, maar het kan nog niet tot wasdom komen omdat de cement van ondermaatse kwaliteit is. Noem het maar een je ne sais quoi; dat onbestemde ontbreekt.

En dan lees je een passage waarin alles samenvalt. In onderstaande scène uit het begin van het boek Een zeeman door de zee verstoten van Yukio Mishima lees je een soortgelijke ervaring. Het personage Noboru ervaart plots een samenvallen van alle bouwstenen die hij tot dan toe had vergaard. Stukjes werkelijkheid die slechts met een bovennatuurlijke kracht aan elkaar gesmeed kunnen worden.

P.

Plotseling welde door het open raam het langgerekt geloei van een scheepshoorn. Het vulde de halfduistere kamer – een kreet van grenzeloze, sombere, verlangende smart; pikzwart en glibberig als de rug van een walvis en geladen met alle hartstochten van het getij, de herinnering aan ontelbare reizen, aan vreugden en vernederingen: de zee schreeuwde haar ziel uit. Vervuld van de glans en de razernij van de nacht brulde de scheepshoorn, vanuit het diepst van de volle zee, zijn dorstig verlangen uit naar de donkere nectar in het kleine vertrek.

Tsukazaki draaide zich met een ruk om en keek uit over het water.

Het was alsof Noboru deel uitmaakte van een wonder: op dat ogenblik werd alles wat hij vanaf de eerste dag van zijn leven in zijn binnenste had vergaard, verlost en vervuld. Totdat de hoorn weerklonk was het nog maar een voorlopige, ruwe schets. De beste bouwstoffen lagen klaar, alles was voorbereid, tot aan het ogenblik van het bovennatuurlijke. Maar één element ontbrak: de kracht die nodig was om die bonte mengeling van stukjes werkelijkheid tot een prachtig paleis te herscheppen. En toen, op het sein van de scheepshoorn, vielen alle delen op hun plaats en vormden een volmaakt geheel.

Daar waren de maan en een koortsige wind, de extatische naaktheid van een man en een vrouw, zweet, parfum, de littekens van een leven op zee, de vage herinnering aan havens, over de gehele wereld verspreid, een bedompte, benauwde spiedplaats, een stalen jongenshart – àl deze waarzegsterskaarten lagen nog door elkaar en er viel niets uit te voorspellen. Maar uit de alzijdige orde, door de plotselinge kreet van de scheepshoorn ten slotte geschapen, kwam het beeld van een onontkoombare levensketen naar voren – de kaarten hadden zich tot paren gevoegd: Noboru en zijn moeder – zijn moeder en een man – een man en de zee – de zee en Noboru …

Hij snakte naar adem, bezweet en in vervoering. Overtuigd dat hij een verward kluwen draad zich had zien ontwikkelen tot een heilig patroon, dat tot iedere prijs behouden moest worden: waarschijnlijk was hij er de dertienjarige schepper van.

Als het ooit verstoord zou worden, zal dat het eind van de wereld betekenen, mompelde Noboru, zich nauwelijks bewust van zijn woorden. Ik denk dat ik alles zou doen om dat te voorkomen, al was het nog zo verschrikkelijk!

Uit: Mishima, Yukio, Een zeeman door de zee verstoten, Amsterdam: Meulenhoff, 2007, 14-15.

Advertenties