Schopenhauer: de metafysische behoefte van de mens

door Prachtige Pjotr

“Trouwens, de eigenlijke filosofische aanleg bestaat allereerst hierin, dat we in staat zijn ons over het gewone en alledaagse te verwonderen, waardoor we worden genoodzaakt het algemene van de verschijning tot ons probleem te maken, terwijl de beoefenaars van de empirische wetenschappen zich enkel verwonderen over heel speciale en zeldzame verschijnselen”.

Bijna volmondig ja! Net omdat we alles niet vanzelfsprekend vinden, verstomt de verwondering ons. We kunnen daarin ver gaan, zoals de filosoof die door het Thrakische meisje wordt uitgelachen omdat hij in een put viel omdat hij te begeesterd was door de sterren boven hem. De verwondering maakt ons echter allen dwazen. Wat de empirische wetenschappen betreft, geef ik Schopenhauer in deze ongelijk. Het is ook een vorm van verwondering die de wetenschapper doet duiken achter andere algemene gebeurtenissen zoals de wisseling van seizoenen of het parmantige kleurenspel van een herfstavond. Niet de wetenschap als een afstandelijke, objectieve bezigheid, maar als een betrokken, verwonderende onderzoekspraktijk.

“Hoe lager een mens in intellectueel opzicht staat, des te minder raadselachtig het bestaan zelf voor hem is; alles schijnt hem vanzelfsprekend te zijn – hoe het is en dat het er is. Dit komt doordat zijn intellect nog volledig trouw is gebleven aan zijn oorspronkelijke bestemming, namelijk als medium voor de motieven dienstbaar te zijn aan de wil; als integrerend deel is het dan ook nauw verbonden met de wereld en de natuur. Het komt niet in hem op zich als het ware los te maken van de totaliteit der dingen, er tegenover te gaan staan en als tijdelijk zelfstandig wezen de wereld objectief te aanschouwen.”

Dit doet me denken aan een aantal denkbeelden van de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset (cf. De opstand der horden), die in zijn denken een beeld schetste van de beschaafde barbaar, die alles vanzelfsprekend vindt en vast zit in het “eeuwige heden”. In dat beeld vergde het een soort aristocratie om de complexiteit van de eenvoudige, alledaagse dingen en praktijken in te zien. Die was, met de opstand van de massamens, in een hoek gedreven: doordat alles met een handomdraai beschikbaar is, valt ons bestaan ten prooi aan de vanzelfsprekendheid. Hoewel een eigentijdse tijdsdiagnose gelijk staat aan het betreden van glad ijs, voel ik wel aan hoe we vandaag de verwondering naar het algemene verstommen door een ommeslag naar de “bewondering” van het concrete en het momentane. De waan van de dag zegeviert: we pinnen ons vast op iets dat enkel op dit moment belangrijk lijkt, terwijl we het perspectief sub specie aeternitatis helemaal verliezen. Geen wonder dat de stille contemplatie is verdreven: we leven in de radeloze maalstroom van het nu en zijn verblind voor de omineuze omvang van het Zijn.

“Want is het is ongetwijfeld het besef van de dood en de daarmee verbonden ervaring van het lijden en de noden van het leven, dat de sterkste impuls geeft tot filosofische bezinning en metafysische interpretatie van de wereld. Wanneer ons leven eindeloos en smarteloos zou zijn, zou het misschien wel bij niemand opkomen te vragen waarom de wereld bestaat en is zoals ze is: alles zou dan vanzelfsprekend zijn.”

Waarmee Heidegger op het idee kwam dat de mens een Sein zum Tode was weet ik niet, maar in dit citaat moet hij vast sterk beaamd hebben. Net door het besef van onze eigen historiciteit en eindigheid, zijn we erop uit ons bestaan daar voorbij te katapulteren. Hermann Hesse leek in Narziss und Goldmund  een soortgelijk idee te opperen over de kunst: de vereeuwiging van het vergankelijke. De dood is de ultieme barrière, de ultieme grensoverschrijding. Pas dan zijn we helemaal afgerond als mens, want op dat punt zijn we niet meer onderworpen aan het brute heen-en-weer geschuifel van de geschiedenis.

P.

 

Advertenties