“Als het huis klaar is, komt de dood”

door Prachtige Pjotr

Hieronder een kort stuk uit De Buddenbrooks, een roman die Thomas Mann in 1901 liet publiceren toen hij de prille leeftijd 26 jaar had. De roman gaat over de bloei en neergang van een machtige koopmansfamilie uit Lübeck. Wat mij betreft tot hiertoe de meest leesbare Mann, wat ik nodig had na eerder dit jaar het loodzware Doctor Faustus gelezen te hebben. Literaire indigestie, noemt men dat. Dit boek brengt me er weer bovenop. Verrassend verteerbaar, hoewel het geen kwaad kan achtergrond te hebben over het negentiende eeuwse Duitsland.

In ieder geval, Mann lijkt in onderstaand stuk, naar mijn bescheiden mening de essentie van de roman, inspiratie opgedaan te hebben bij Nietzsche. In het befaamde stuk De dolle mens van De Vrolijke Wetenschap laat een eenzame dolende mens weten dat God dood is, maar dat wij het nog niet weten: “Deze daad is nog steeds verder van hen af dan de verste gesternten, – en toch hebben ze haar verricht!”. In iedere kiem zit ook verval, alles gaat ten gronde.

P. 

‘Een mens is zo jong of zo oud als hij zicht voelt. – En als het dan komt, het goede en wat men gewenst heeft, moeizaam en te laat, dan komt het, behept met alle onbenullige, hinderlijke, ergerlijke bijzaken, al het bijkomstige stof van de werkelijkheid, waarmee je in je fantasie geen rekening hebt gehouden, en dat je tergt … tergt …’

‘Ja ja … Maar zo jong of zo oud als men zich voelt, Tom?’

‘Ja Tony. het gaat misschien wel over … zo’n ontstemming – zeker. Maar ik voel me tegenwoordig ouder dan ik ben. Mijn eigen zaken baren mij zorg, en in de raad van toezicht van de Büchener Spoorweg heeft consul Hagenström mij gisteren met zijn tegenargumenten eenvoudig in een hoek gedreven, bijna belachelijk gemaakt … Het lijkt mij, alsof mij iets begint te ontglippen, alsof ik datzelfde iets, dat onbestemde, niet meer zo vast in handen heb als eertijds. Wat is succes? Een geheime, onbeschrijfelijke kracht, omzichtigheid, bereidheid … het bewustzijn louter door mijn bestaan druk uit te oefenen op al het gebeuren om mij heen. Het geloof aan de plooibaarheid van het leven te mijnen gunste … Geluk en succes hebben we in ons. Dat moeten we vasthouden: stevig, diep. Zodra inwendig iets begint te verslappen, aan spanning begint te verliezen, moe gaat worden, maakt alles om ons heen zich vrij, gaat tegenwerken, rebelleert, onttrekt zich aan onze invloed. Dan komt het een bij het ander, het ene echec volgt op het andere en dan is het gedaan met je. Ik heb de laatste dagen vaak aan een Turks spreekwoord gedacht, dat ik ergens las: “Als het huis klaar is, komt de dood”. Nu, het behoeft nog niet direct de dood te zijn. Maar de achteruitgang – de weg omlaag – het begin van het einde – Zie je, Tony’ ging hij voort, zijn arm onder die van zijn zuster schuivend, en zijn stem werd nog zachter: ‘Toen we Hanno doopten, herinner je je nog? Toen zei je tegen mij: “Het lijkt me, dat er nog een heel nieuwe tijd moet aanbreken!” Ik hoor het nog heel duidelijk en het scheen dat je toen gelijk zou krijgen want daarna werd ik tot senator gekozen, het geluk was met mij, en hier verrees het huis uit de aardbodem. Maar “senator” en huis zijn uiterlijkheden en ik weet iets, waaraan jij nog niet gedacht hebt; het leven en de geschiedenis hebben het mij bijgebracht. Ik weet, dat de uiterlijke, zichtbare, en grijpbare tekenen en symbolen van het geluk en de opkomst dikwijls pas verschijnen als in werkelijkheid alles weer bergafwaarts gaat. Deze uiterlijke tekenen hebben tijd nodig om op te komen, zoals het licht van zo’n ster daar in de hoogte, waarvan we niet weten of hij al niet aan het uitdoven is, or reeds uitgedoofd is, als hij op zijn helderst straalt …’

Advertenties