Enkele citaten uit ‘L’oeuvre au noir’

door Prachtige Pjotr

‘Er zijn dagen waarop ik, mijn Plutarchus overlezend, tegen mezelf zeg dat het te laat is, dat de mens en de wereld hun tijd hebben gehad’, zei de kapitein.

‘Zinsbedrog’, zei Zeno. ‘Het is met jouw gouden tijden als met Damascus en met Konstantinopel, die mooi zijn van een afstand; men moet door hun straten lopen om hun melaatsen en hun gecrepeerde honden te zien. Jouw Plutarchus leert me dat Hephaestion volhield op vastendagen te eten als de eerste de beste ziekelijke veelvraat, en dat Alexander dronk als een Duitse huurling. Weinig tweevoeters sinds Adam hebben de naam mens verdiend.’

***

‘(…) Het irriteerde me dat de mens aldus zijn wezenlijke functies verspilde aan haast altijd schadelijke ficties, over kuisheid sprak alvorens de geslachtelijke machine te hebben ontleed, over de vrije wil redetwistte in plaats van de ontelbare duistere redenen na te gaan die je doen knipperen als ik plotseling een stok voor je ogen breng, of over de hel alvorens de dood van naderbij te hebben geobserveerd.’

***

‘Wij twijfelen’, zei de prior met plotseling trillende stem, ‘we hebben getwijfeld … Gedurende hoeveel nachten heb ik niet de gedachte teruggedrongen dat God slechts als een tiran of als een onbekwame monarch boven ons troont, en dat de atheïst die hem loochent de enige mens is die niet blasfemeert … Maar toen is me een licht gaan schijnen; de ziekte opent ons de ogen. Als wij ons eens vergasten wanneer we Zijn almacht postuleren en in ons lijden het werk van Zijn wil zien? Als het eens aan ons was te maken dat Zijn rijk komt? Ik heb onlangs gezegd dat God Zijn afgevaardigden zendt; ik ga nog verder Sébastien. Misschien is Hij slechts een kleine vlam in onze handen en is het onze taak deze te voeden en te zorgen dat hij niet dooft; misschien zijn wij het verste put tot waar Hij kan reiken … Hoeveel ongelukkigen die zich ergeren aan het idee van Zijn almacht zouden uit het diepst van hun wanhoop toesnellen als men hun vroeg om Gods zwakheid te hulp te komen?’

***

In deze wereld zonder geesten was zelfs de wreedheid zuiver: de vis die in het water dartelde zou over een ogenblik niets anders meer zijn dan een bloederig hapje in de snavel van een gevleugelde visser, maar de vogel gaf geen valse voorwendsels aan zijn honger. De vos en de haas, de list en de angst, bevolkten het duin waar hij had geslapen, maar de doder beriep zich niet op wetten, eertijds uitgevaardigd door een wijze vos of ontvangen van een hemelse vos; het slachtoffer waande zich niet voor zijn misdaden gestraft en betuigde onder het sterven niet luid zijn trouw aan zijn vorst. Het geweld van de zee was zonder woede. De dood, altijd obsceen bij de mensen, was in deze eenzaamheid een propere zaak.

Uit: Marguerite Yourcenar, L’oeuvre au noir

Advertenties