Spengler: het oneindige bos als verlangen van alle Westerse bouwvormen

door Prachtige Pjotr

SONY DSC

Het woord ‘God’ klinkt anders onder de bogen van gotische kathedralen en in de kloosters van Maulbronn en Sankt Gallen dan in de basilica’s van Syrië en de tempels in het republikeinse Rome. In de bosachtige atmosfeer van de kathedralen, het imposante uitrijzen van de hoofdbeuk boven de zijbeuken in vergelijking met het platte dak van de basilica, in de transformatie van de zuilen, die door basement en kapiteel als opzichtig-zelfstaande individuele dingen in de ruimte waren opgesteld, tot pilaren en reeksen pilaren die uit de bodem verrijzen en waarvan de vertakkingen en lijnen zich boven onze hoofden tot in het oneindige verdelen en met elkaar verstrengelen, terwijl door de reusachtige ramen die de muren hebben opgelost een onbestemd licht door de ruimte stroomt, licht de architectonische verwerkelijking van een wereldgevoel dat in het hoogopgaande geboomte van de Noord-Europese vlakten zijn meest oorspronkelijke symbool had gevonden. En wel in het loofbos met zijn mysterieuze wirwar van takken en het gefluister van de eeuwig bewogen bladermassa boven het hoofd van de toeschouwer, hoog boven de aarde, waarvan de kruin middels van de stam probeert los te komen. Denk wederom aan de romaanse ornamentiek en haar diepe affiniteit met de betekenis van de bossen. Het oneindige, eenzame, schemerige bos is het geheime verlangen van alle westerse bouwwerken gebleven. Daarom lost, zodra de vormenergie van de stijl verflauwt, zowel in de late gotiek als aan het einde van de barok, de beheerste abstracte lijnentaal direct weer op in naturalistisch takwerk, in ranken, twijgen en bladeren.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Advertenties