Hugo Claus: “De geruchten” (1996)

door Prachtige Pjotr

hugoclaus

De terugkeer van René Catrijsse, deserteur uit de koloniën en verwekt door een Vlaamse Obergruppenführer in de onzalige jaren veertig, veroorzaakt de nodige commotie in zijn Vlaamse geboortedorp Alegem. Het is een tamelijk gesloten dorp nabij Waregem, waarin de achterklap sterk aanwezig is en iedereen elkaar kent. Zijn komst veroorzaakt een reeks noodlottige incidenten die door de bewoners van het dorp als een “pest” beschrijven, veroorzaakt door de verloren zoon en zijn kompaan en mededeserteur Charlie. Beetje bij beetje kom je achter het schokkende verhaal van de onfortuinlijke René, die niet meer weet te aarden in het dorp dat hij een aantal jaar eerder verliet. Alles zit hem dan ook tegen: zoon van een moffenhoer, deserteur en verspreider van een mysterieuze ziekte uit de tropen. Twintig jaar later vertelt zijn broer Noël, die in zijn jeugd door moeder Alma op zijn hoofd is gevallen en als achterlijk wordt bestempeld, een gruwelijk verhaal dat tot een climax komt.

“De geruchten” is in eerste opzicht een bezinning over twee onverwerkte verledens: het trauma collaboratie waarover Claus reeds in onder andere “De verwondering” (1962) en “Het verdriet van België” (1983) heeft geschreven en het andere gaat over ons koloniale verleden in Kongo, waarover de protagonist van het verhaal minder fraaie dingen laat vallen. Een belangrijke rol speelt de Kap, de aanvoerder van René en Charlie die hen tot gruwelijke misdaden heeft aangespoord in Kongo, maar terug in het thuisland de bescherming heeft van hogerhand en alles in de doofpot wil steken. Daarnaast is het ook een herkenbare blik op het gesloten en bekrompen Vlaamse dorp, een orde van de schone schijn dat het deksel over de beerput aardig goed dicht heeft gemetseld. Claus wil laten zien dat zo’n deksel af en toe wel eens opengetrokken kan worden.

De verhaalstijl is een reeks korte hoofdstukken, waarbij telkens het perspectief wordt verschoven naar een ander personage. Op die manier krijg je snel het sociale weefsel van Alegem onder de loep, waardoor je met ieder hoofdstuk de nodige eindjes aan elkaar kan knopen. Dat maakt het boek overzichtelijk, al weet Claus deze perspectiefwisseling niet altijd consistent aan te houden en zie je in plaats van dat ene personage eerder Hugo Claus in de regiestoel zitten en het personage woorden in de mond leggen. Noël, de broer van René, die door een ongeval in zijn kinderjaren problemen heeft met zijn geheugen en als achterlijk wordt beschouwd, weet in beide delen verdomd scherpzinnig uit de hoek te komen en heeft in het tweede deel een geheugen waar ik soms jaloers op ben.

Een van de personages is het collectieve “wij”, dat je mag bekijken als het collectieve geweten van Alegem, namelijk de stamgasten van café Den Doofpot. “Wij” is telkens een plezier om te lezen, omdat Claus de gave heeft dialogen neer te pennen die ontzettend herkenbaar zijn wanneer je zelf een volkskroeg binnenstapt en aan de toog begint mee te praten over wat Jeanneke van de kapper zijn zuster haar schoonbroer heeft gezegd of met wie Elske van de bakker een affaire heeft. In die banale achterklap zit ook iets heel menselijks: onze nieuwsgierigheid heeft een aandoenlijke zijde, maar ook een schijnheilige. Die mentaliteit brengt Claus op een sublieme wijze aan het licht, zoals eerder genoteerd in deze blogpost.

Het geheel bestaat uit twee delen, waarvan het ene deel een half jaar in 1966 beslaat en het andere een vraaggesprek is tussen Noël en een oud-politiecommisaris. René is dan verdwenen en zijn broer denkt dat hij vermoedelijk ergens in Afrika rondzwerft. De lezer weet tegen dan wel anders. Dieu le veut. Bij aanvang van het tweede deel verwacht je dat de verhaallijn van twintig jaar eerder opnieuw wordt opgenomen, maar die komt er later pas bij kijken. Wat er juist in gebeurt ga ik niet verklappen, maar het is begrijpelijk dat Die Zeit op de achterflap van het boek spreekt over het “donkerste juweel onder al zijn romans”. Het onvoltooide verleden krijgt daar zijn bekomst. Vooral in het tweede deel weet Claus de spanning te doseren en er haast een thriller van te maken.

Ik voelde me af en toe op café in een Vlaams dorp bij het lezen van de roman, althans zeker het eerste deel, en hoewel ik op dit moment in het historische centrum van Antwerpen woon kan ik mij perfect inbeelden dat ik in een café achter de hoek dezelfde “geruchten” mag horen over mensen hier in de buurt als in een typisch café aan de dorpskerk. Ook buiten de romans wordt gesproken over onverwerkte verledens, of dat nu collectieve trauma’s zijn of hoogstpersoonlijke verledens die amper ter sprake worden gebracht, tenzij tussen pot en pint, waarbij de alcholische roes remmingen losmaakt en oude spanningen even vrij laat. Dat “wij”-perspectief dat Claus hier en daar bijhaalt om de eindjes aan elkaar te knopen is misschien gewoon jij en ik, die samen aan de toog zitten van het café hier achter de hoek om op verhaal te komen.

P.

 

Advertenties