Uit: ‘Het verdriet van België’ van Hugo Claus

door Prachtige Pjotr

‘Het wordt tijd dat Brussel eens grondig gekuist wordt. Brussel is van in de Middeleeuwen van ons, Vlamingen, geweest. Van in de tijd van de hertogen Jan de Eerste en de Tweede en de rest.’
‘De hertogen spraken Frans, Papa.’
‘Wie zegt dat? Is dat wat ze u leren in ’t College? En ik heb het deze week nog gelezen! Over de slag van Woeringen en over Jan de Eerste die van zijn paard viel tijdens een toernooi. Gij kent uw geschiedenis niet, gij! Geen sprake van dat zij Frans spraken. En Jan de Tweede die de lakenhal van Leuven heeft laten bouwen. Hij gaf zijn instructies aan zijn werkvolk in het Frans zeker?’
‘Jan de Tweede sprak Engels.’
‘Dat is helemaal het toppunt. Gij gaat mij uit mijn vel doen springen.’
‘Hij was in Engeland opgegroeid. Zijn schoonvader was de koning van Engeland.’
‘Ik spreek niet meer tegen u’, zei Papa, en zei: ‘Wij zouden een van die duiven daar de kop kunnen omringen en met die droge takjes een vuurtje maken, lijk in die goeie tijd dat ik met Cosijns op stap was in Frankrijk.

Advertenties