Hugo Claus: “Het verdriet van België” (1983)

door Prachtige Pjotr

hugoclaus

Het nadeel van het lezen van een “grote klassieker” is dat je oordeel half gevormd wordt door de roem dat het boek al heeft mogen vergaren. De superlatieven en lofvieringen zijn moeilijk te ontwijken en dreigen zelfs je eigen oordeel zodanig te kleuren dat je mensen begint na te praten wanneer je je mening wil geven. De teleurstelling kan dan ook groot zijn wanneer het boek tegenvalt, zoals ik ervoer bij het lezen van “Wuthering Heights” van Emily Brontë (maar misschien moet ik deze nog eens opnieuw lezen). Het magnum opus van Claus had ik enkele jaren geleden al eens gelezen, maar vond het tienjarige “jubileum” van zijn overlijden een passend moment om het nog eens ter hand te nemen. Ik weet dat ik andere verwachtingen had bij een eerste leesbeurt en dat de aparte aanpak van Claus me, na enige aanpassing, wel beviel. De titel vond ik vanzelfsprekend: het “verdriet” zou gaan over de moeizame erfenis van de collaboratie, een vaak voorkomend thema in het oeuvre van Claus. Als je het boek echter begint te lezen en passages tegenkomt waar het “verdriet” ter sprake komt, gaat het om meer dan alleen collaboratie.

Het werk bestaat uit twee delen en bestrijkt een tijdspanne van 1939 tot 1947. Het eerste deel “Het verdriet” is een kostschoolroman, opgedeeld in hoofdstukken en geschreven door protagonist Louis Seynave en semifictief alterego van Claus, waarin de lezer wordt meegesleept in de rijke verbeeldingswereld van een kind. Hierin zit een flinke dosis Bildung verscholen: Louis Seynaeve probeert zich aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog met zijn vrienden staande te houden in het pensionaat dat wordt geregeerd door nonnen. Hij probeert structuur te geven aan zijn bestaan door een ridderorde te stichten, ter meerdere eer en glorie van God. De periodes op het pensionaat worden afgewisseld voor vakantieperiodes thuis. Het tweede deel “van België” vertelt over de inval van de Duitsers, de daaropvolgende bezetting en collaboratie en de bevrijding. De puberende Louis flirt met de collaboratie, maar neemt er toch snel afstand van en wil zijn ontluikende schrijverschap ontwikkelen. Uiteindelijk neemt hij deel aan een schrijfwedstrijd waar hij “Het verdriet” inzendt. Kijk eens aan: een roman in een roman.

Het werk mag een klassieker zijn in het literaire canon van het vaderland, het is alleszins geen klassieke roman. Toen ik het werk voor de eerste keer vastnam verwachtte ik me aan een eerder conservatieve vertelling van een collaborerende Vlaamse familie, maar werd verrast door de gewaagde aanpak van Claus. Al eerder was James Joyce een inspiratiebron voor zijn “De verwondering” (1963) en ook nu zijn werken als “Ulysses” of “A portrait of the artist as a young man” niet veraf. De vergelijking gaat trouwens ook op met de lezing van de werken: niet iedereen wie “Het verdriet van België” in zijn kast heeft staan is erdoor geraakt, laat staan mensen die “Ulysses” in hun kast hebben staan. Om die reden is “Het verdriet van België” een roman die polariseert: niet iedereen kan de schrijfstijl van Claus appreciëren. Waar je bij de realistische romans van Dostojevski of Tolstoj hoogdravende discussies krijgt bij zowat alle personages is Claus een stuk prozaïscher. Zo wordt een uiteenzetting over Descartes verstoort door de dienstmeid die droogweg meldt dat het vertrek verstopt is. Het niveau is soms van een groteske slapstick en dat is net de charme van “Het verdriet van België”: Claus neemt zichzelf niet te serieus en zet ons allemaal te kakken. Daarmee worden we ook met onszelf geconfronteerd en wordt ons een spiegel voorgezet.

Het werk is voor een deel autobiografisch, want net als het hoofdpersonage Louis Seynaeve komt Claus uit een collaborerende drukkersfamilie uit West-Vlaanderen en heeft Claus zelf in zijn prille jeugdjaren geflirt met de collaboratie. De Bildung van het personage Seynaeve is dus ook een spiegel die Claus voor zichzelf houdt. De heimelijke lijfspreuk van Louis wordt toujours sourire: wat mensen zeggen is niet wat ze bedoelen en laat nooit zien wat er in je hart omgaat. Hier zit ook een maatschappijkritiek in, die ook terugkeert in “De geruchten” (1996): in tegenstelling tot de meer directe Nederlanders zijn Vlamingen zelfbehoudend en wordt de schone schijn vaak hooggehouden. Louis, en wellicht de andere personages in het boek, weet deze leugens wel te doorprikken, maar laat dit niet merken aan de omstaanders.

De taal die Claus in het werk hanteert is bijzonder rijk en geeft ook een inzage in het belang van taal om de personages te begrijpen. Je hebt de sterke invloed van het Frans op de Vlaamse taal, die anno 2018 in de dagelijkse omgang nog altijd aanwezig is. Daarnaast is er ook de tegenstroom die in de negentiende eeuw ontstond bij de flaminganten: “Staf, gij met uw Frans altijd, zeg liever: duimspijkers” luidt het antwoord van Louis’ grootvader wanneer Staf spreekt over punaises. Deze drang naar culturele zuiverheid kan ook overhellen naar het gebruik van Duitse woorden, want dat is een Germaanse taal. “Voor het eerst zijn we onder Germanen”, klinkt het dan tijdens de bezetting. Later in de roman krijg je ook de Amerikanen en Canadezen, waarbij de Engelse invloed op onze hedendaagse taal dan wel niet wordt benadrukt, maar wel in het achterhoofd belandt. Op die manier zie je dat onze taal dan wel gebonden mag zijn aan bepaalde spelregels, maar dat zij bovenal een levend organisme is waarbij het gebruik ervan allerminst objectief is. Wie taal gebruikt, neemt een stelling in. Mocht Claus gebruik hebben gemaakt van een gepolijst taalgebruik dat aanleunt bij dat van nieuwsankers, zou “Het verdriet van België” alle charme hebben verloren. Het is immers dat weelderige, volkse taalgebruik dat zo sterk aanleunt bij de werkelijkheid je als lezer overweldigt.

Na het schrijven van deze recensie heb ik zin gekregen om het boek opnieuw vast te nemen, want dit magnum opus heeft een niet te ontkennen aantrekkingskracht. Als historicus besef ik dat het begrip “tijdsgeest” problematisch en arbitrair is, maar Claus weet als geen ander je zodanig mee te sleuren in zijn verhaal en in zijn jeugd dat je er bij lijkt te zijn. Zijn er dan geen minpunten? Natuurlijk! De laatste tientallen pagina’s lijken me afgehaspeld, maar misschien heb ik er te snel over gelezen omdat ik onder de indruk was dat het belangrijkste al gezegd was. Zo nu en dan verslapt de aandacht en kom je enkele minuten later tot de conclusie dat je niet meer weet wat er juist is gebeurd. Dat overkomt me bij ieder boek of iedere film of ieder gesprek. Gelukkig zijn goede boeken, in tegenstelling tot wat sommigen denken, quasi oneindig herleesbaar en is dat bij “Het verdriet van België” voor mij betreft een fantastische herontdekking gebleken.

P.

Advertenties