TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Categorie: Cultuurkritiek

Johan Huizinga: van spel tot heilige handeling

Het versiert het leven en het vult aan, en het is als zoodanig onmisbaar. Het is onmisbaar voor het individu, als biologische functie, en het is onmisbaar voor de gemeenschap om den zin, dien het inhoudt, om zijn beteekenis, zijn uitdrukkingswaarde, om de geestelijke en sociale verbindingen, die het schept, kortom als cultuurfunctie. Het bevredigt idealen van uitdrukking en samenleving. Het heeft zijn plaats in een hoogere sfeer dan de strikt biologische van het proces voeding-paring-beschutting.

Met deze uitspraak komt men schijnbaar in tegenspraak met het feit, dat in het dierenleven de spelen van den paringstijd een groote paringstijd innemen. Maar zou het absurd zijn, om aan eht zingen, het dansen, het pronken der vogels evengoed als aan het menschelijke spel een plaats buiten het strikt biologische toe te kennen? Hoe dit zij, het menselijke spel heeft in al zijn hoogere gedaanten, waar het iets beteekent of iets viert, zijn plaats in de sfeer van feest en cultus, de heilige sfeer.

Johan Huizinga, Homo Ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur

Advertenties

Herfsttij der Middeleeuwen

Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu. Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk scheen de afstand groter dan voor ons; al wat men beleefde had nog die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed nu nog hebben in de kindergeest. Elke levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakke, vaste levensstijl. De grote dingen: de geboorte, het huwelijk, het sterven, stonden door het sacrament in de glans van een goddelijk mysterie. Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.

Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre koude en het bange duister van de winter waren een wezenlijker kwaad. Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden nog dat hoge genotsgehalte, dat misschien door de Engelse novelle in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel en hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken, en stalden er hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar aan zijn kleed. De grote heren bewogen zich nooit zonder pralend vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging, venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg het teken van zijn dame, de genoten het embleem van hun broederschap, de partij de kleuren en blazoenen van haar heer.

Huizinga, Johan, Herfsttij der Middeleeuwen, Amsterdam: Olympus, 2012, 19.

Flux & reflux

SONY DSC

L’idée de passer l’hiver sur des côtes ensoleillées d’entre les Tropiques est délicieuse, mais fausse. Nous exigeons de l’arbre de la vie qu’il fleurisse toute l’année. Mais sous les Tropiques aussi, les arbres perdent leurs feuilles. La nuit hivernale ne nous est moins nécessaire que la nuit quotidienne. Il faut respecter, même quand il s’agit du coeur, le flux et le reflux. Vouloir ne connaître que le flux, c’est exposer aux ruptures de digues. Nous ne pouvons être toujours dispensés des douleurs, sans ombres; il nous fait aussi héberger la melancholie.

JÜNGER, Ernst, Graffiti/Frontalières, Paris: Christian Bourgeois éditeur, 1977, 179.

De grote weelde van ons bestaan komt door het continue afwisselen van tegenstellingen. Wie kent de waarde van het geluk als hij geen ongeluk kent? Ik zie Jünger in dit citaat teruggrijpen naar de antieke filosofie van Heraclitus, maar dit kan ook geïnterpreteerd worden als een kritiek op de hedendaagse geest. Door ons eenzijdig te richten op het aangename verliezen we zicht op het hele plaatje. Daar ligt het gevaar van de comfort zone: eens je daar in zit is losbreken niet evident.

De hedendaagse mens zit vol bewondering, zij bevredigt ons verlangen naar iets om naar op te kijken vanuit onze comfort zone. De verwondering is interessanter, maar wekt onbehagen op omdat we de betekenisloosheid van de comfort zone opmerken. In deze melancholische neiging zit echter de grote schoonheid van het leven besloten.

P.

Oswald Spengler: de soldaat van Pompeï

Wij zijn in dezen tijd geboren en moeten dapper den weg, die voor ons bestemd is, ten einde gaan. Er is geen andere. Op de verloren post blijven zonder hoop, zonder redding, is plicht. Volhouden als die Romeinsche soldaat, wiens gebeente men voor een poort in Pompeij gevonden heeft, die stierf, omdat men bij de uitbarsting van de Vesuvius vergeten had, hem af te lossen. Dat is grootheid, dat is ras hebben. Dit eervolle einde is het eenige wat men den mensch niet ontnemen kan.

Wie nog twijfelt aan het cultuurpessimistische gehalte van de Duitse beschavingsdenker Oswald Spengler heeft aan dit citaat genoeg om andermaal te denken. De filosofie die hij in zijn magnum opus Der Untergang des Abendlandes uiteenzet spreekt over organische cultuurvormen die noodzakelijk ten gronde moeten gaan. Het Westerse, “Faustische” model, bevindt zich volgens Spengler in de wintertijd van de beschavingscyclus. Hier loopt alles ten einde. Kunst heeft geen betekenis meer, de mentale samenhang van de beschaving is uitgeput. Toch ziet Spengler in dit schemerende avondland in de Romeinse soldaat van Pompeij een waardevol zinnebeeld van de laatste mens. Ook al gaat hij ten onder, dan wel op de manier waarop hij zelf verkiest te gaan.

SPENGLER, Oswald, De mensch en de techniek, vertaald door Dr. K.F. Proost, Leiden: A.W. Sijthoff’s Uitgeversmij N.V., 1931, p. 88

“J’écrirai sur ma porte:”

27696_393547129409_716729409_3961509_6152514_n

Toute visite est une agression.

ou

N’entrez pas, soyez charitable.

ou

Tout visage me dérange

ou

Je n’y suis jamais.

ou

Maudit soit qui sonne.

ou

Je ne connais personne.

ou

Fou dangereux.

CIORAN, Emil, Cahiers 1957-1972, Editions Gallimard, 1997, 420.

Toespraak op Ernest Van der Hallen – volkshulde. Lier, 9.3.2013

Een grafrede heeft iets triomfantelijks. Het staat in schril contrast met de ingetogen schroom van een begrafenistoespraak. Toen aan mij de vraag werd gesteld om een toespraak te geven voor deze gelegenheid kon ik echter niet anders dan denken aan het einde van De Broers Karamazov van Dostojevski. Rondom het graf van het kind Iljoesja staan zijn schoolkameraadjes te luisteren naar de toespraak van Aljosja Karamazov. Hij zegt hen niet bang te zijn van het leven, omdat het zo mooi kan zijn als je doet wat goed en rechtvaardig is. Deze passage past heel sterk bij Nest, want heel zijn leven heeft hij gezocht naar de juiste levenshouding. Het leven van een mens kan ik niet in enkele woorden samenvatten, maar vanuit bepaalde vertrekpunten kunnen hele levensbomen ontspruiten. Dat maakt van de grafrede een interessant medium.

I.

Het crisisbesef was bij de Nest een pertinent aanvoelen, ook persoonlijk. Er was een spanningsveld ontstaan tussen oude zekerheden en nieuwe waarden, waarbij de eersten steeds sneller vaste grond verloren. Het is niet verwonderlijk dat Nest daarom spreekt van een rusteloze tijd in verval, waar essenties verloren gaan. Wat hem opmerkelijk maakt is dat hij niet enkel een diagnose van de beschaving stelde, maar ook een behandeling opstartte. Hij maakt van idee en praktijk een tandem, waartussen een dialoog ontstaat die van Nest een opmerkelijke cultuurcriticus maakt. Ironisch maakt dat hem een kind van zijn tijd. De desintegratie van de oude maatschappij bracht immers ook een productief proces op gang. Nest had een antimoderne houding aangenomen, maar toch haalde hij de noodzakelijke brandstof en inspiratie uit dat ambigue modernisme. Zoals hij zelf besefte in zijn ‘Brieven aan een jonge vriend’, was zijn cultuurkritiek niet ontstaan uit een plotse bevlieging, maar uit de nood en cultuurcrisis van zijn tijd.

 II.

“Geloof me: we zijn zat van deze beschaving!” luidde het oordeel van Nest. Het was ook niet toevallig de titel van mijn thesis, omdat zij zo treffend haar tijd markeerde. Maar een pessimist was hij geenszins. Niet alleen het verval werd gepredikt, maar ook het vooruitzicht op nieuwe horizonten. Luister even mee naar wat hij te zeggen heeft:

“Wie een aandachtig oog en oor heeft voor onze tijd, voor zijn grauwe massabewustzijn, zijn hang naar bezit en stoffelijke welstand, zijn angsten, zijn eenzaamheidsgevoelen, zijn gekeerdheid naar de aarde en zijn schrijnend heimwee naar God, begrijpt dat slechts één ding ons kan redden: levensheroïek”.

Van Nest kan je veel zeggen, maar niet dat hij bij de pakken bleef zitten.

III.

1935. De AKVS, de studentenbeweging waar Nest zich jarenlang in heeft geëngageerd, is gedecimeerd door interne spanningen en sterke politieke polarisering. Hij belandt in een crisis en voelt plots de nood voor een dwaas avontuur. ‘Frans’, zegt hij tegen zijn vriend, de schilder Frans Mertens. ‘Ik ga er voor een tijd tussen uit. Gaat ge mee?’ vraagt Nest. ‘Waar naartoe?’, informeert Frans voorzichtig. ‘Naar Noord-Afrika’, zegt hij, plots beslist. Dit is het begin van de grote reizen die Nest maakt tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

“Adieu, Europa”, schrijft hij tijdens zijn eerste reis, “het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

IV.

Vraag mij dus om de Nest met 1 woord te beschrijven en ik zeg Pelgrim. Hij is niet enkel een van de stichters van een gelijknamige kunstenaarsgenootschap, maar hij belichaamde het heilige zoeken van een pelgrim. Welnu dan! Lees zijn romans, reis mee naar Noord-Afrika en wandel straks even naar het Ruusbroechuisje in het Begijnhof en je komt Nest in onvervalste vorm tegen. Het Begijnhof is op zijn mooist op druilerige regendagen wanneer je wordt bevangen door de tijdloosheid van Lier. Het is daarom niet verwonderlijk dat Nest juist deze plek uitkoos om stille uren te beleven. Luister en beleef mee:

“In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee als in ‘nen droom:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …”.

P.

Het dagboek van een groot zondaar

Ik heb gezondigd. En niet zomaar. Het voelt aan alsof ik een wereldomspannende zonde heb begaan. Sedert enkele jaren ben ik me bewust van de kostbaarheid van iedere druppel Tijd. Op ieder moment glijdt ze uit je handen en is ze onherroepelijk verloren gegaan. De enige tijd die je werkelijk in je handen hebt is nu juist gepasseerd bij het lezen van deze zin. Een constante bewustzijnsstroom die staat en valt tegelijkertijd. Dat schept eigenzinnige mogelijkheden. Gisteren heb je gehad, morgen heb je per definitie niet in handen. Goed. Ik heb ze dus verspild, zonder van die mogelijkheden gebruik te kunnen maken. Vaarwel, Tijd.

Soms lijkt het of mijn ambitie wordt gefnuikt door een innerlijke demon. Wanneer ik plannen heb om mezelf te wijden aan zielenbouwkunde, ontstaat er een verlokkende luiheid in mezelf die me tot een slaapachtige toestand dwingt. Hoewel ik me bewust ben van de creatieve mogelijkheden van mijn eigen geest, zoals ik in mijn manifest heb uitgeschreven, lijk ik vaak over te schakelen op een automatische piloot die mijn Zelf uitschakelt. Ik begrijp het nut ervan in bepaalde en specifieke omstandigheden. Maar de afgelopen dagen was niet van toepassing.

Bovenstaande is een fundamentele paradox waar ik mee worstel. Zij die zich het meest bewust zijn van de zonde zijn de grootste zondaars. Dat idee ben ik al enkele keren tegengekomen in de werken van Dostojevski, met name vooral De Broers Karamazov. Lijden als een fundamenteel principe voor de zielenheil. Ik moet een manier zien te vinden om uit deze paradox, die me vaak verschalkt in haar netten en me tot de acedia dwingt, iets te vervaardigen dat de Maalstroom kan weerstaan. Mijn cultuurkritiek is daarom de laatste jaren verschoven van een maatschappelijke kritiek naar een kritiek die betrekking heeft op mijn Zelf. Ik stel de zondige aard van mijn bestaan vast. Wat daarop volgt is de noodlottige vraag wat ik ermee moet aanvangen. Wat nu?

P.

Manifest

They’re making the last film

they say it’s the best
And we all helped make it
It’s called the death of the West

Death in June, Death of the West

Van nature uit ben ik een optimist met apocalyptofiele neigingen, iemand die zou kunnen dansen op de muziek van het legendarische orkest op de zinkende Titanic. Daarom voel ik me ontzettend aangetrokken tot een cultuurpessimisme van het principe wat zou moeten zijn is er niet; wat is, zou er niet mogen zijn. Intuïtief voel ik aan dat onze tijd uit haar lood is geslagen. Toch zit in de neergang een vertrouwd gevoel, alsof ik in een vroegere bestaansvorm het allemaal al eens heb meegemaakt. Dit maakt deel uit van een cyclus. De neerval heeft daarom veel weg van de herfst onder een gouden oktoberzon. Dan bewaart de Natuur haar meest verbluffende schoonheid voor de laatste momenten; een belofte voor de lente na de winterse stemmigheid; de neerval als een noodzakelijke voorwaarde voor de hernieuwing.

Ik ben geen kamikazepiloot, maar verschrikkelijker dan de dood van het lichaam is de dood van de ziel. Daarom beangstigt de acedia mij: de ontmoediging die zich meester van je maakt en je fataal verlamt. Een soort verinnerlijkte lobotomie die me meesleurt in een overweldigende maalstroom. Leven op automatische piloot; het vermogen verliezen om te verwonderen; deel uitmaken van een vormeloze massa; zelf vormeloos zijn: dat is levensschennis. Plato verklaarde dat de cultivatie van de eigen ziel de hoofdplicht is van iedere mens. Daarom beschouw ik het Zelf niet als iets vanzelfsprekends, maar als een omvangrijke microkosmos waarvan ik de architect ben.

Net daarom wil ik de wereld begrijpen, zodat ik mezelf een positie kan verschaffen. Mijn wereldopvatting is een symbiose van twee verschillende werelden. De eerste bevindt zich in het praktische, intuïtieve veld: de ervaring van het Immense. Vandaar William Blake: if the doors of perception are cleansed, everything appears as it truly is: infinite. Toch is ook de theoretische, kritische ideeënwereld van mijn academische scholing waardevol gebleken. Deze heeft me de zin voor nuance bijgebracht, waardoor ik mezelf heb bevrijd uit dogmatische, enggeestige denkkaders. Het raakveld van het intuïtieve en het kritische is meermaals zeer vruchtbaar gebleken.

Ja, er knaagt iets aan me, alsof een onderhuidse bacil het einde van haar incubatieperiode heeft bereikt. Een dreigende, fatale acedia die de wereld rondom mij reeds heeft aangetast staat klaar om toe te slaan. Daarom dit essay: mijn voertuig van zelfontdekking; mijn wapen tegen de innerlijke onverschilligheid. Ik schrijf het omdat ik lijd aan de filosofische aandoening bij uitstek: de kritische reflex om in mezelf iets ontoereikends te vinden. Daaruit vertrekt een drang naar absolute actie van binnenuit. Voor mij moet een bijzonder doel zijn weggelegd. Toch vertel ik met veel schroom over mijn Weltschmerz. Weet je, het ligt niet in mijn aard zo open te zijn over een innerlijk groeiproces. Want eerlijk gezegd … weet ik in godsnaam niet wat ik met deze bevreemdende apotheose moet aanvangen.

Losbreken uit de droom

“All men dream: but not equally. Those who dream by night in the dusty recesses of their minds wake in the day to find that it was vanity: but the dreamers of the day are dangerous men, for they may act their dreams with open eyes, to make it possible. This I did.”

Lawrence of Arabia, The Seven Pillars of Wisdom

Wanneer ik ontwaak word ik vaak overvallen door een eigenaardig gevoel. Er is dan een subtiele substantie aanwezig die niet uit deze dimensie komt. Het is een geur die me prikkelt of een lang vergeten smaak en altijd dat ene onheimelijk gevoel dat ik terug ben van een lange reis. Het is vreemd in een kamer te zijn die je bekend aandoet, maar tegelijk ook onwerkelijk en vals. Links en rechts verdwijnen droomgestalten even snel als ze verschijnen. Ik ben wakker en kan mezelf niet bewegen, noch heb ik invloed op de omgeving rond mij. Behoorlijk benauwend. Is dit een droom binnen een droom? Een illusie die zich rond mij ontvouwt om mij te misleiden? Een angstwekkende fantasmagorie die me onwrikbaar vastzet in een fort dat tot enig doel heeft de architect ervan op te sluiten? Dit noem ik de schemerzone : een raadselachtige mengeling van illusie en realiteit. En dan breek je er plots uit. Het is dat ene moment waarop ik alles beheers en begrijp, hoewel ik het niet onder woorden kan brengen. Het is een existentieel, intuïtief gevoel bij uitstek.

Hoewel hevig beïnvloed door ideologische processen, onbewust geïnduceerd constructiedenken en andere extra-individuele invloeden, ervaren we de wereld vooral als individu, vanuit ons innerlijke zelf. En wat dan nog als de wereld een droom is, Maya: een sluier van illusies, impliceert dit niet dat er ook een dromer moet zijn? Men kan het geheel van ervaringen beschouwen als vals, illusoir of onbestaande, maar wie ook deze valsheid, schijn en dit onbestaande als argument gebruikt tegen die droom, kan zelf als persoon niet vals, illusoir of onbestaande zijn. Voorbij alle “dingen die zijn en dingen die niet zijn”, is er immers een enkele zekerheid: het “Ik”. Het is daarom niet noodzakelijk het ware, het goede, het rechtvaardige of het vrije, maar het is wel het mijne en het enige waarvan ik zekerheid heb. Dat is best een bevrijdende gedachte.

Maar waarom dat benauwde gevoel in die “schemerzone” tussen droom en werkelijkheid? Een aangeboren schaamte voor onze vrijheid, die bij ontwaking ligt te lonken? Misschien is vrijheid wel iets angstaanjagends sinds de dood van God:  we zijn tot de vrijheid veroordeeld (Sartre). De wereld is aan zichzelf overgelaten, zonder transcendente referentiepunten. Het was echter niet voor niets dat Nietzsche het van zich afwerpen van deze schaamte als de lakmoesproef van onze bevrijding beschouwde. De vrijbuiter George Hanson, het personage van Jack Nicholson uit Easy Rider, beschrijft de angst voor vrijheid zeer goed:

“Mensen praten en praten en praten over vrijheid, maar zodra ze een vrij individu zien, krijgen ze er schrik van”

De mens is een wandelende paradox: hij verafschuwt heimelijk wat hij samen met de massa naar verlangt. Daarom stelde Nietzsche’s Zarathoestra wellicht de vraag of de mens het wel verdient om vrij te zijn.

De Pelgrim …

Er waart één oergestalte in mij rond: de Pelgrim. Terwijl stripfiguren bij hun innerlijke jihad al-akhbar links en rechts een zilverzuiver engeltje en een rood latexduiveltje zien verschijnen, duikt in mijn verbeelding de witgepijde Pelgrim met Janusgezicht op. De Kamerfilosoof behoedt je voor het Immense, de Hamerfilosoof wil je erin duwen. De mythe van Odysseus illustreert hun samenspel op een formidabele manier. Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing.

De Pelgrim als gestalte komt in vele gedaanten voor, in iedere sociale laag, beschaving, klasse en tijdsspanne. Ik zie hem op het scherm, kom hem tegen in boeken, ervaar hem op reis of ontdek hem in reisverslagen en briefwisselingen. Hij is Jack Kerouac, Alexander Supertramp en Henry David Thoreau maar ook de oermens die de Beringstraat overstak. In deze gestalte erken en ontdek ik mezelf. Hij schaamt zich niet voor zijn aangevatte pelgrimage, maar is behoedzaam om zijn geheim te delen met anderen. Hij weet hoe de hoi polloi reageert wanneer iemand hen wakker schudt uit vastgeroeste inbeddingen en burgerlijke verwachtingspatronen. Nietzsche’s Zarathoestra leek als een dief in de nacht en als hij niet overkwam als een hansworst, waren zijn eerste redevoeringen meteen de laatste geweest. Zijn geheim behoudt hij slechts voor enkelingen die hij waardig genoeg acht.

Kirilov, een personage uit Boze Geesten van Dostojevski, verklaart dat als God niet bestond hij wel uitgevonden werd. Waar dit op duidt is niet moeilijk: iedereen heeft een centrum nodig, een basiswaarde die als fundament dient. Wie het niet in zichzelf vindt, zoekt het wel buiten zichzelf, projecteert dit op een God of iets anders. Kirilov gaat zelfs verder: zonder God is zelfmoord onvermijdelijk. Met dit tragische personage illustreert Dostojevski op een magistrale wijze hoe een bestaan zonder centrum verloren gaat in betekenisloosheid. Op dat moment overwint de acedia. De Pelgrim heeft een centrum, de axis mundi  van zijn bestaan, ontdekt. Dat is zijn absolute ankerpunt.

… en de gesel des Tijds

De Tijd is de grote motor van de maalstroom die geschiedenis heet. Wie er niet willoos door wil worden meegesleurd, moet de Tijd beheersen. De Pelgrim doet dit via de Mythe, een tijdloze werkelijkheid en het zingevende centrum van zijn bestaan. Waar de Tijd voor de moderne, profane mens homogeen is, betekende de Mythe voor de traditionele mens een belangrijke breuk in de Tijd. Deze “heilige Tijd”, in tegenstelling tot de profane Tijd, komt in ritmische intervallen aanzetten, waarin de Mythe telkens wordt herhaald. Door dit besef heb ik iets belangrijks geleerd: de historische, lineaire tijd is niet noodzakelijk de enige realiteit. Er bestaat een heel andere tijdservaring die helemaal niet homogeen en lineair is. Dat maakt dat Tijd een speelveld is, waarvan de spelregels worden bepaald door wie het spel beheerst. Wie zijn Tijd meester is, beheerst zichzelf. Net als de mens is de Tijd iets wat overkomen moet worden. 

In een van de beginscènes van de cultfilm Easy Rider gooit Henry Fonda, een Pelgrimsgestalte bij uitstek, zijn horloge nonchalant weg na een laatste keer naar het uur te kijken. Deze handeling symboliseert een bevrijding van de homogene Tijd. We hebben onszelf een streng regime opgedrongen. Eén dat alle gevoel voor kwalitatieve tijdsbeleving verdoofde en ons een valse spiegel voorhield. De Roemeense godsdiensthistoricus Mircea Eliade merkte op dat de Tijd niet alleen seculier geworden is, maar zich ook onafwendbaar naar de dood neigt. Fonda mijdt de acedia en gooit zijn horloge, vertegenwoordiger van deze doorgedreven Tijdsgedachte, weg. Hij bevrijdt zich daardoor van de maalstroom. Het weggooien van de horloge impliceert een terugkeer naar de kwalitatieve, innerlijke tijdservaring, zoals deze door traditionele volkeren werd beleefd.

Fonda’s personage creëert een breuk in de Tijd door de Mythe aan te wenden. Zij geldt eveneens als een transcendent referentiepunt van binnenuit. In de jaren ‘30 klom de Italiaanse traditionalist en alpinist Julius Evola vaak in de Alpen. Op een van zijn expedities verbouwde hij samen met een aantal kameraden een oude berghut naar een kleine nachtclub, waar hij op een grammofoon jazzplaten speelde. Rum en kirsch worden bovengehaald en in een dronken roes besluiten ze naar buiten te gaan. Wanneer ze het bevroren bergmeer betreden worden zij getroffen door iets subliems, dat de meest primordiale aard van hun bestaan doet ontwaken. Op deze onverbiddelijke plek, waar het tweeëntwintig graden vriest, de vallei diep-zwart afsteekt tegen de witte kronen van de bergreuzen en het krakende bergmeer onder zijn voeten angst en verwondering verwekt, ervaart de Italiaan een moment dat het leven overstijgt. Door grenservaringen op te zoeken wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren aan het individu.

In 1935 zag de Lierse letterkundige Ernest Van der Hallen zich genoodzaakt om het verstikkende Europa te verlaten en reisde als moderne pelgrim doorheen Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Daar zocht en vond hij het gevoel het leven te beheersen. Toch laat hij in zijn reisverslagen regelmatig teleurstellingen optekenen, wanneer hij in de voetsporen treedt van Christus in het Heilige Land. Wanneer hij in de kapel van Sint-Helena aan de Golgothaheuvel een misviering bijwoont, wordt deze ruw verstoort door “een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd”. Door deze ervaring legt hij zeer nadrukkelijk de vinger op de wonde: de genius loci, de ‘ziel’ van de plek, wordt aangetast door de profane wereld. De dood van God heeft de Mythe fragiel gemaakt. Zij valt niet meer structureel te ervaren, enkel existentieel. 

Harmonie van Pen en Zwaard

In de Tantrafilosofie is theorie zonder actie (kriya) waardeloos, ijdel en vaag. De Wang Yangmingschool uit het vijftiende eeuwse China gaat zelfs verder. Actie was geen gevolg van de theorie, maar een noodzakelijke voorwaarde om kennis te verwerven. Iedere kennis die pas later werd omgezet in actie was vals en waardeloos: “weten en niet handelen is niet-weten”. Over consistent denken en handelen gesproken! Zoroaster, de Perzische wijsgeer, stelt het heel eenvoudig: “Juist denken, juist spreken, juist handelen”. Niet zo eenvoudig als het lijkt. Een idee ondergaat heel wat invloeden en tegenwind wanneer het in de praktijk wordt omgezet. Soms lukt het gewoon niet om een idee te actualiseren, omdat de omstandigheden er op dat moment niet – en misschien zelfs nooit – naar zijn. In zulke situaties overvalt de neerslachtigheid je. Je denkt misschien dat je in de verkeerde tijd bent geboren, dat je deel uitmaakt van een generatie die vele jaren of zelfs eeuwen geleden bestond. Het noodzakelijke draagvlak ontbreekt om iets voor jezelf te betekenen. En zo lijkt de wereld om je heen de uiteindelijke overwinnaar.

Maar wat als de wereld om een ideaal heen kan worden gebogen? Wat als het ideaal een onbewogen beweger was, het centrum van de wereld? Zou dat geen wonder zijn? In het Hossoboeddhisme is er een verhaal over een jonge asceet die naar de heilige Kaeyoberg gaat om de leer van de Boeddha te bestuderen. Onderweg slaapt hij op een begraafplaats, wordt wakker met een ongelofelijke dorst en schept water uit een nabijgelegen kuil. Water smaakte nooit eerder zo fris en zuiver, dacht hij. Toen het licht werd bleek hij uit een schedel gedronken te hebben. Aanvankelijk moest hij braken, maar achteraf besefte hij het: wat als ik nu even tevreden was met water uit een schedel als uit iets anders? Als je ervan uitgaat dat de wereld zoals wij die kennen een subjectieve creatie van onze eigen geest is, lijken de mogelijkheden van het proces van idee naar praktijk plots minder nadelig voor het idee te zijn. De menselijke geest geeft de wereld een betekenis.

Hierbij heb ik de grenzen aardig verlegt, maar waar stopt het? Als er een ding is dat ik heb geleerd in mijn zoektocht, dan is dat blindheid je grootste vijand is. Je moet nuance kunnen aanbrengen zonder daarom noodzakelijk water in de wijn te doen. Je kan grenzen verleggen, maar daarbij verleg je ook een aantal verantwoordelijkheden. Net daarom is zelfkennis zo belangrijk. De subjectieve waarneming van de wereld maakt niet dat je deze volledig naar je hand kan omzetten. Conventies bestaan bijvoorbeeld om de onderlinge handelingen tussen mensen te vereenvoudigen. Het is niet omdat de wereld een creatie is van je eigen geest dat geld plots geen waarde meer heeft, dat verkeerslichten zinloze dingen zijn en dat geweld een middel is om aan anderen je wil op te leggen. Dat is waanzin. Wie continu tegen de stroom ingaat, bevindt zich snel in een tragische affaire. Een andere optie moet mogelijk zijn.

De Tijger

 

“De woestijn groeit, wee hem die woestijnen in zich bergt!”

Nietzsche, Zarathustra

“Dit is een strijd voor de moderne mens, die geen wortels meer heeft in de heilige grond van de traditie en weifelt in zijn zoektocht naar zichzelf tussen de pieken van beschaving en de afgronden van de barbarij, om een bevredigende betekenis te vinden voor een bestaan dat volledig aan zichzelf overgelaten is”.

Robert Reininger

Wie erin slaagt een tijger te berijden voorkomt niet alleen dat hij erdoor wordt aangevallen, maar krijgt ook een kans om deze te verslaan, zo luidt een Oosters gezegde. De tijger symboliseert de maalstroom, die te krachtig is om frontaal te worden geconfronteerd. Op basis hiervan kan een gedragslijn ontstaan voor mensen in een wereld die, na de dood van God, aan zichzelf is overgelaten. Voor de moderne mens, in de wereld geworpen (i.e. Geworfenheit),  komt het erop aan om een positie te vinden waar hij in zichzelf vaste grond vindt. De innerlijke migratie rechtvaardigt een autonoom bestaan. De negatieve anomie van de maatschappij kan daardoor worden omgebogen naar een positieve anomie voor de persoon: de moraal vernietigen om moreel te kunnen leven. Op een dialectische wijze kan de negatie van een negatie immers iets positiefs opleveren, bij wijze van een vrije ruimte voor ontwikkeling.

Dat is dan de aard van mijn levensspel, maar het vragen houdt niet op. Hoe ga ik om met de uitdagingen die het leven mij biedt? Hoe blijf ik trouw aan mezelf? Hoe behoud ik mezelf zonder te worden gestandaardiseerd of geconditioneerd? Hoe word ik mezelf? Al die vragen zijn existentieel van aard. Er bestaat geen algemene handleiding die me daarbij kan helpen. Dit essay markeert mijn positie in het veld, maar is verre van een zaligmakend Schrift. Het is veeleer een momentopname, een palimpsest dat regelmatig moet worden bijgesteld. Toch biedt het houvast tijdens de weifelende zoektocht naar mezelf; biedt manieren om de tijger te bereiden en mezelf te kunnen worden en zijn. Om geen slapend wezen te zijn dat willoos wordt meegesleurd door de maalstroom, maar iemand die zijn Tijd en zijn leven kan beheersen. Daarin ligt mijn nakende apotheose. Ironisch lijkt de zoektocht naar betekenis dus de zin van mijn bestaan te zijn.

Wind en rook

“Adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

Ernest Van der Hallen, Tusschen Atlas en Pyreneeën (1938)

Ik bevind me in het Letterenhuis van Antwerpen. Verderop een eenzame oudere baliebediende die een krant doorneemt, maar verder niemand. Er hangt een nostalgische zoete houtgeur die typisch is aan plaatsen waar oude boeken en manuscripten rusten. Voor mij ligt de briefwisseling van Ernest Van der Hallen verspreid over de tafel, waar hij aan een vriend zijn ervaringen in het Ruusbroechuisje in het Lierse Begijnhof toevertrouwt. Hij schreef over de winterse stemmigheid van het Begijnhof, waar hij wilde ‘schreeuwen van weelde’. In zijn brieven herken ik dezelfde vragen, dezelfde grieven en dezelfde verlangens die ik heb. Van der Hallen was een Pelgrim, net als ik. Evenveel als Jack Kerouac, Alexander Supertramp, Thoreau en Henry Fonda in Easy Rider. Zij gingen het gevecht met de tijger aan. De ene won. De andere verloor. Maar allen kunnen werkelijk zeggen dat ze hebben geleefd.

De Pelgrim is de voorouderlijke zwerver die uit de oertijden tot mij is gekomen en tot mij spreekt. Wie ooit de eindeloze woestijn of de eeuwige sneeuw heeft gezien, kan bij thuiskomst plots zo worden gegrepen door de lust naar het avontuur dat hij alles laat vallen ter wille van zijn Fernweh. Hij heeft daarginds ‘iets’ ontdekt en indrukken opgedaan die hij voordien nergens vond. Noem het een melancholisch verlangen, maar ik heb een stille wens naar eenzame landwegen, waar de Natuur kan worden ervaren in zowel haar metafysisch oergeweld als haar overweldigende rust en vertrouwdheid. Dan ontwaken de levensgeesten met kracht en voel ik zowel bruisende levensbeheersing als eenvoudige Gelassenheit. Deze magische grenservaring heb ik nergens duidelijker beschreven gezien als in Op de Marmerklippen van de Duitse schrijver Ernst Jünger, waar ik eindig in schoonheid en verwondering:

“Alsof een kloppen ons had gewekt uit onze slaap viel dan een beeld in het duister van onze roes […]. Steeds bleven wij dan als versteend staan, en een plotse rilling voer door ons bloed. Dan hadden wij het gevoel alsof wij een nieuw zintuig om het land te zien hadden ontvangen; wij keken alsof wij ogen bezaten wie het vergund is in lichtende aderen het goud en de kristallen diep onder de glasachtige aarde te zien. En dan kwamen ze naderbij, grauw en schimmig, de oergeesten van het land die hier al woonden voordat de klokken van de kloosterkerk weerklonken en voordat een ploeg de bodem scheurde. Ze naderden aarzelend, met grove, houten gezichten, en hun uitdrukking was vrolijk en angstaanjagend tegelijk, in ondoorgrondelijke harmonie, en wij zagen in hen de wijnbergen, met schrik én diepe ontroering in het hart. Soms leek het dat ze wilden spreken, maar alras trokken ze weg als wind en rook’.

P.

Pitirim Sorokin spreekt …

The organism of the Western society and culture seems to be undergoing one of the deepest and most significant crises of its life. The crisis is far greater than the ordinary; its depth is unfathomable, its end not yet in sight, and the whole of the Western society is involved in it. It is the crisis of a Sensate culture, now in its overripe stage, the culture that has dominated the Western World during the last five centuries. It is also the crisis of a contractual (capitalistic) society associated with it. In this sense we are experiencing one of the sharpest turns in the historical road…. The diagnosis of the crisis of our age which is given in this chapter was written…. Gigantic catastrophes that have occurred since that year…strikingly confirm and develop the diagnosis…. Not a single compartment of our culture, or of the mind of contemporary man, shows itself to be free from the unmistakable symptoms….

Shall we wonder, therefore, that if many do not apprehend clearly what is happening, they have at least a vague feeling that the issue is not merely that of “prosperity,” or “democracy,” or “capitalism,” or the like, but involves the whole contemporary culture, society, and man? …

Shall we wonder, also, at the endless multitude of incessant major and minor crises that have been rolling over us, like ocean waves, during recent decades? Today in one form, tomorrow in another. Now here, now there. Crises political, agricultural, commercial, and industrial! Crises of production and distribution. Crises moral, juridical, religious, scientific, and artistic. Crises of property, of the State, of the family, of industrial enterprise…Each of the crises has battered our nerves and minds, each has shaken the very foundations of our culture and society, and each has left behind a legion of derelicts and victims. And alas! The end is not in view. Each of these crises has been, as it were, a movement in a great terrifying symphony, and each has been remarkable for its magnitude and intensity.

Sorokin, Pitirim A. Social and Cultural Dynamics. 4 vols. 1937 (vols. 1-3), 1941 (vol. 4); rev. 1957 (reprinted: Transaction Publishers, 1985)., pp. 622-623)

Klik en lees meer.

“Hoezo? Niet vrij?”

“Vertel natuurlijk niemand dat ze niet vrij zijn, want dan gaan ze heel druk bezig zijn met moorden en verminken om te bewijzen dat ze het wel zijn. O ja, ze gaan tegen je praten en praten en praten over individuele vrijheid. Maar wanneer ze een vrij individu zien, krijgen ze de schrik te pakken”.

Jack Nicholson in Easy Rider (1969)

Niets doet mensen meer op hun stokpaard krijgen dan zeggen dat ze niet vrij zijn. Natuurlijk, in eerste opzicht klinkt het waanzinnig om dat te zeggen. Enkel een dwaas doet dat, niet? Waarom dan die kanttekening? Dankzij zelfkritiek (i.e. het in vraag stellen van alles wat gangbaar is) worden vanzelfsprekendheden gedwongen zichzelf te openbaren. Zo worden mechanismen ontmaskerd die anders achter een sluier verborgen zijn. Sommige beschavingsdenkers hebben geopperd dat de moderne mens in zijn vooruitgangsdenken zichzelf meer en meer onmachtig heeft gemaakt. Vrijheid kent twee gezichten. Je hebt de systeemvrijheid die voor iedere mens wordt gewaarborgd, doch altijd onderhevig aan de grillen van de Tijd. Daarnaast heb je de existentiële vrijheid dat zich op een heel ander niveau bevindt, maar stilaan uitdooft.

Dit vraagt om verduidelijking. Wat de systeemvrijheid kenmerkt is de afhankelijkheid van het maatschappijsysteem waarin een persoon geworpen (i.e. Martin Heideggers’ Geworfenheit) wordt. Zo heb je op deze wereld staatloze maatschappijen waarin extremistische stammen hun willekeurig geweld laten botvieren, maar ook gebetonneerde democratieën waar je pas politicus lijkt te worden na een verregaande lobotomie. Het spreekt voor zich dat een individu meer “mag” in de ene situatie dan in de andere. Dit wordt bepaald in de grondwet.

Dit is echter een erg arbitraire vorm van vrijheid, want onderhevig aan de maalstroom van de Tijd. Tenzij je migreert, heb je een gegeven set aan mogelijkheden, die in je levensloop kunnen veranderen. Vooral dat gegevene is belangrijk, want dit is het meest essentiële verschil met de existentiële vrijheid. Vrijheid moet verworven worden: om vrij te worden, moet je het in eerste plaats zijn (!). Dat is dus een opdracht, voor wie het niet verstaan heeft. De cultivatie van de ziel is de hoofdplicht van iedereen, stelde Plato. Je mag hem saai vinden, maar hij heeft wel een punt. En punten, beste lezer, zijn nooit saai.

Omdat de systeemvrijheid zo afhankelijk is van een maatschappijsysteem, is het van groot belang je eigen positie te handhaven in de maatschappij. Ons vreedzaam bestaan is illusoir omdat de werkelijkheid wordt gebannen uit ons dagelijkse leven. De TV en de computer vormen samen met de media het enge raampje op de wereld, waardoor we de werkelijkheid vanuit een sfeer ervaren (cf. Peter Sloterdijk). Hoewel de realiteit soms onze sfeer binnendringt, zoals op 9/11, sluit deze zich vrij snel opnieuw. Daarom heeft ons bestaan veel weg van de film The Truman Show: we proberen allemaal de idylle na te streven en omdat we onze sociale status verhogen door luxeartikelen voelen we ons vrij. Laat mij het nog eens herhalen op een andere manier: door onze consumptiedrang verhogen we de illusie dat we vrij zijn. Daarom stel ik dat de vrijheid in onze huidige maatschappij peanuts is. Een passieve vrijheid op een bedje van apathie, myopie en inertie.

Existentiële vrijheid gaat om levensbeheersing. Het is een concept dat moeilijk uit te leggen valt, maar wellicht illustreert de confrontatie van Odysseus en de Sirenen dit het beste. Toen Odysseus en zijn bemanning huiswaarts voerden kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in hun oren te doen, waardoor ze de aanlokkelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen konden weerstaan. Menig schipper liep op de vervaarlijke klippen zijn ondergang tegemoet omdat hij niet kon weerstaan aan de Sirenen. Odysseus doet geen bijenwas in de oren maar draagt aan zijn mannen op hem vast te binden, zodat hij de dramatische Sirenenzang kon aanhoren. Daar toont hij een knap staaltje van levensbeheersing: het Immense aanhoren zonder zichzelf erdoor te laten meesleuren. Grenservaringen zijn misschien de meest existentieel vrije momenten die je als mens kan meemaken: op dat sublieme moment wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren.

Toch gaat existentiële vrijheid om veel meer dan het opzoeken van grenservaringen. Volgens mij is het zelfs perfect mogelijk om vanuit een degelijke (!) inbedding existentieel vrij te zijn. Daardoor hoef je niet noodzakelijk een volgzaam schaap te zijn. Bekijk nu bijvoorbeeld eens Ernest Van der Hallen, een Lierse letterkundige die vanuit zijn katholieke inbedding een heel eigenzinnige aard had en zich niet wilde conformeren aan de krachten van zijn tijd. Wat de ‘Nest’ kenmerkte is iets wat vele andere pelgrimgestalten – voor, tijdens en na zijn tijd – met hem deelden: een tegenstroom in een uit haar lood geslagen Tijd. Je zou iemand als hem een “chronokraat” kunnen noemen: iemand die de maalstroom van de Tijd wist te beheersen; iemand die de Tijger kan bereiden. Net als de mens is Tijd iets wat overkomen kan worden.

Toch vraag ik het me af: zou er een voorwaarde zijn om te bestaan? Maar dan werkelijk bestaan, waarvoor een tweede geboorte moet plaatsvinden? Zelf voel ik me het meeste leven bij grenservaringen, waarbij het “gewone” burgerlijke leven eerder lijkt op een niet-leven. Het zijn die ervaringen die me doen twijfelen over de menselijke vrijheid, waaruit dan bovenstaande hersenriedels ontstaan die een poging zijn om mijn positie te markeren in het wereldveld. En jij? Beheers jij de Tijd? Beheers jij jezelf? Ben jij jezelf?

P.