TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Categorie: Filosofie

Mishima: de speling van de wil

When Honda reflected upon his own character, he had no choice but to conclude that he was a man possessed of a will. At the same time, however, he could not avoid misgivings as to the ability of that will to change anything or to accomplish anything even in contemporary society, let alone in the course of future history. Often his courtroom decisions had determined whether a man lived or died. Such a verdict might have seemed of extreme significance at the time, but as the years passed – since all men were fated to die – it turned out that he had merely hasted a man’s fate; and that the deaths had been neatly consigned to one corner of history, where they soon disappeared. And as for the disturbing conditions of the present world, though his will had had nothing to do with bringing these about, he as a judge was ever at their beck and call. How much the choices made by his will proceeded from pure reason and how much, without his realizing it, they were coerced by the prevailing thought of the period was a question he was unable to decide.

Yukio Mishima, Runaway Horses

Een andere versie van het nature vs. nurture-debat. De mens als historisch wezen: een game-changer op basis van zijn wilskracht of een speelbal van historische factoren? We ontsnappen niet aan onze historiciteit en dat botst met onze neiging om dat toch te willen doen, net omdat we geconfronteerd zijn met onze eindigheid.

Geschiedenis is iets vreemds: hoewel zij aan ons verschijnt als een solide blok met afgelijnde periodes, is zij echter een fluïde entiteit die verandert door de manier waarop de mens omgaat met zijn historisch bewustzijn. Dominante tijdsgeesten worden immers gerelativeerd wanneer je ons historisch zelfverstaan in perspectief plaatst. Stroom en tegenstroom, flux en reflux: meer dan een dualiteit is zij, door haar wisselende spel van woord en wederwoord die een complexe reeks aan gebeurtenissen in gang zet, de motor van onze voortgang in de tijd. Dat spelelement vergeten is jezelf verankeren in een Eeuwig Heden: het domein van de beschaafde barbaar.

P.

Advertenties

Schopenhauer: de metafysische behoefte van de mens

“Trouwens, de eigenlijke filosofische aanleg bestaat allereerst hierin, dat we in staat zijn ons over het gewone en alledaagse te verwonderen, waardoor we worden genoodzaakt het algemene van de verschijning tot ons probleem te maken, terwijl de beoefenaars van de empirische wetenschappen zich enkel verwonderen over heel speciale en zeldzame verschijnselen”.

Bijna volmondig ja! Net omdat we alles niet vanzelfsprekend vinden, verstomt de verwondering ons. We kunnen daarin ver gaan, zoals de filosoof die door het Thrakische meisje wordt uitgelachen omdat hij in een put viel omdat hij te begeesterd was door de sterren boven hem. De verwondering maakt ons echter allen dwazen. Wat de empirische wetenschappen betreft, geef ik Schopenhauer in deze ongelijk. Het is ook een vorm van verwondering die de wetenschapper doet duiken achter andere algemene gebeurtenissen zoals de wisseling van seizoenen of het parmantige kleurenspel van een herfstavond. Niet de wetenschap als een afstandelijke, objectieve bezigheid, maar als een betrokken, verwonderende onderzoekspraktijk.

“Hoe lager een mens in intellectueel opzicht staat, des te minder raadselachtig het bestaan zelf voor hem is; alles schijnt hem vanzelfsprekend te zijn – hoe het is en dat het er is. Dit komt doordat zijn intellect nog volledig trouw is gebleven aan zijn oorspronkelijke bestemming, namelijk als medium voor de motieven dienstbaar te zijn aan de wil; als integrerend deel is het dan ook nauw verbonden met de wereld en de natuur. Het komt niet in hem op zich als het ware los te maken van de totaliteit der dingen, er tegenover te gaan staan en als tijdelijk zelfstandig wezen de wereld objectief te aanschouwen.”

Dit doet me denken aan een aantal denkbeelden van de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset (cf. De opstand der horden), die in zijn denken een beeld schetste van de beschaafde barbaar, die alles vanzelfsprekend vindt en vast zit in het “eeuwige heden”. In dat beeld vergde het een soort aristocratie om de complexiteit van de eenvoudige, alledaagse dingen en praktijken in te zien. Die was, met de opstand van de massamens, in een hoek gedreven: doordat alles met een handomdraai beschikbaar is, valt ons bestaan ten prooi aan de vanzelfsprekendheid. Hoewel een eigentijdse tijdsdiagnose gelijk staat aan het betreden van glad ijs, voel ik wel aan hoe we vandaag de verwondering naar het algemene verstommen door een ommeslag naar de “bewondering” van het concrete en het momentane. De waan van de dag zegeviert: we pinnen ons vast op iets dat enkel op dit moment belangrijk lijkt, terwijl we het perspectief sub specie aeternitatis helemaal verliezen. Geen wonder dat de stille contemplatie is verdreven: we leven in de radeloze maalstroom van het nu en zijn verblind voor de omineuze omvang van het Zijn.

“Want is het is ongetwijfeld het besef van de dood en de daarmee verbonden ervaring van het lijden en de noden van het leven, dat de sterkste impuls geeft tot filosofische bezinning en metafysische interpretatie van de wereld. Wanneer ons leven eindeloos en smarteloos zou zijn, zou het misschien wel bij niemand opkomen te vragen waarom de wereld bestaat en is zoals ze is: alles zou dan vanzelfsprekend zijn.”

Waarmee Heidegger op het idee kwam dat de mens een Sein zum Tode was weet ik niet, maar in dit citaat moet hij vast sterk beaamd hebben. Net door het besef van onze eigen historiciteit en eindigheid, zijn we erop uit ons bestaan daar voorbij te katapulteren. Hermann Hesse leek in Narziss und Goldmund  een soortgelijk idee te opperen over de kunst: de vereeuwiging van het vergankelijke. De dood is de ultieme barrière, de ultieme grensoverschrijding. Pas dan zijn we helemaal afgerond als mens, want op dat punt zijn we niet meer onderworpen aan het brute heen-en-weer geschuifel van de geschiedenis.

P.

 

Hannah Arendt: “the deadliest, most sterile passivity”

The trouble with modern theories of behaviorism is not that they are wrong but that they could become true, that they actually are the best possible conceptualization of certain obvious trends in modern society. It is quite conceivable that the modern age – which began with such an unprecedented and promising outburst of human activity – may end in the deadliest, most sterile passivity history has ever known.

– Hannah Arendt, The Human Condition

“Zu den Sachen selbst”

De wereld is niet zomaar wat ze is, voorbij al wat vanzelfsprekend is zit een waarheid waar we met een eigenaardig besef op stuiten. Of dat nu dé waarheid is, valt aan te twijfelen. Je bent nooit zeker. In een wereld waarin Nietzsche God voor dood heeft verklaard, zijn alle ankerpunten brutaal weggeslagen. Toen de Boeddha in een grot stierf, bleef volgens de legende zijn schaduw daar eeuwenlang hangen. De kaders worden vervangen door surrogaten, het schilderij vervormt zich (degradeert?) continu. Almaar door vallen.

Daarom resteert ons, postmodernen, enkel nog de illusie dat we nog goed bezig zijn en dat is niet eens zo verwonderlijk: we zijn door en door gedisciplineerde wezens die, net als de Belgische staat, blijven functioneren, ook al is de richtingaangevende sturing weggevallen. Het wereld is een speelveld, een theatraal evenement waarin we de reeks gebeurtenissen aan elkaar proberen te weven tot één groot verhaal:

“ONSCHULD IS HET KIND EN VERGETEN, EEN OPNIEUW BEGINNEN, EEN SPEL, EEN UIT ZICHZELF ROLLEND RAD, EEN EERSTE BEWEGING, EEN HEILIG JA ZEGGEN”.

Een van de voornaamste redenen waarom ik filosofie in avondonderwijs ben gaan studeren is een verlangen naar een voller en rijker begrip van het bestaan; het sprokkelen van nieuwe perspectieven om mijn leven richting te geven; mijn weg te vinden tussen de grote woorden; te weten wat voor impact woorden hebben. In de fenomenologie van Husserl, waarvan een samenvatting toevallig naast me ligt, vind ik een perspectief dat ik graag verder wil uitdiepen: dat er helemaal geen sprake is van een strikte scheiding tussen het subject en de wereld daarbuiten, maar dat we altijd betrokken zijn op deze wereld. In die zin is iedere verschijning van die buitenwereld aan ons een onmiddellijk en direct spreken van de werkelijkheid. Het wegslagen van artificiële barrières, zoals we vandaag de zogenaamde comfort zone bijvoorbeeld kennen, leidt tot existeren en niet tot een louter marktconform bestaan.

P.

27

;

Bestaan is deel uitmaken van een eigenaardige club van levende wezens. 27 jaar geleden werd ik lid, dat werd voor mij beslist door twee personen die zich mijn ouders mogen noemen. Je mag er niet zo over nadenken, maar er is geen enkel wezen dat beslist over zijn eigen bestaan. Geworpenheid heet dat existentieel probleem: de dwang tot bestaan.

Het Jemeinige is een Heideggeriaans concept dat mijn betrokkenheid met de wereld benadrukt: ik krijg een bepaalde plaats in de ervaringswereld toegewezen die ik niet kan verlaten. Het begrip wereld heeft dan ook betrekking op alles wat voor ons een betekenis en functie heeft. In dat geordende geheel speelt ons leven zich af. Op die manier is iedereen de schepper van zijn eigen wereld, voor zover we nog sturing hebben over de manier waarop de werkelijkheid zich aan ons vertoont.

Want daar heb je ‘em: wat is werkelijk? Wat we voor onze neus zien verschijnen is een reeds verwerkte reeks aan verschijnselen, die we onbewust verwerken als waarnemingen in tijd en ruimte, waarvan we de logica vatten in bepaalde categorieën waarna we de juiste begrippen plakken op wat er nu juist voor mij staat. Afin, zoiets in de aard toch; in een flits van een nanoseconde is het allemaal voor ons geregeld. Het is dus een eigenaardige film, het bestaan.

Ik vermoed dat mensen me kunnen verwijten dat ik het leven niet serieus genoeg neem, wanneer ik het beschrijf als een tragikomisch spel; een theatraal gebeuren waarop de acteurs een eigenaardig improvisatiespel spelen met verschillende maskers:

“ONSCHULD IS HET KIND EN VERGETEN,
EEN OPNIEUW BEGINNEN, EEN SPEL,
EEN UIT ZICHZELF ROLLEND RAD,
EEN EERSTE BEWEGING,
EEN HEILIG JA ZEGGEN”.

Onschuld: er is geen goed of kwaad meer, geen gegeven vaste grond, geen uiteindelijk doel. Alle leugen is overwonnen.

Vergeten: de ware en schijnbare wereld is verdwenen. Omdat de wereld als schijn gebleken is, zijn we losgekomen van de wil tot onwaarachtige waarheid. Nu is er perspectivisme, interpretatie in een wereld die ondanks al zijn tegenstellingen wordt aanvaard.

Opnieuw beginnen: het Kind schept bewust waarde en waarheid, hij eigent zich het “recht der heren” toe. Hij wierp de zware mantel van de moraal van zich af om moreel te leven.

Een uit zichzelf rollend rad, een eerste beweging: de lineaire tijdsopvatting wordt opnieuw circulair. Alles keert terug in gewijzigde vorm. De eeuwige wederkeer.

Het heilig ja zeggen: het absurde besef van de zinloosheid van het leven wordt overwonnen, omdat de wereld eindelijk als schijn wordt ontmaskerd en dus bevestigd. Er is geen reden om hierover defaïtistisch te zijn, hier hoort de lach thuis.

P.

Hannah Arendt over omwentelingen

“(…) typisch voor de beruchte omkeringen van filosofische systemen of waardehïerarchieën is dat ze het conceptuele kader zelf intact laten. Dit geldt in het bijzonder voor Marx, die ervan overtuigd was dat het volstond Hegel op zijn kop te zetten om de waarheid te vinden – d.w.z. de waarheid van het hegeliaanse systeem, die ligt in de ontdekking van de geschiedenis als dialectisch proces.”

Twee frequente gissingen vloeien m.i. voort uit dit citaat.

Gemakshalve delen we de geschiedenis op in tijdperken. Daaruit komt de eerste gissing. Waar duidelijk contrast een klare visie kan vormen, zijn theorie en praktijk, zoals vanouds, sterk verschillend. Tijdperken laten lange schaduwen na, sporen die moeilijk uitwisbaar zijn omdat ze onderhuids lopen en nog altijd de funderingen vormen van ons huidige denken. West-Europa zit bijvoorbeeld in een seculier tijdperk, maar het is naïef te denken dat we de religieuze mantel volledig van ons hebben afgeslagen. Ons begrip van de klassieke Griekse filosofie werd gevormd in de antieke Oudheid. Tijdperken vloeien in elkaar over en maken sprongen over andere tijdperken heen. Epicurisme dook bijvoorbeeld opnieuw op in de Renaissance, na duizend jaar verdrongen te zijn door andere denksystemen.

Een tweede gissing wordt mogelijk gemaakt door de eerste. Maar al te vaak kom ik mensen tegen die op basis van een paar “triggerwoorden” een oordeel klaar hebben staan waarvan ze zelden willen afwijken. Vaak is het dan een kwestie om met handen en voeten uit te leggen dat er toch een aantal belangrijke nuances zijn, waardoor je hoopt dat het oordeel wijzigt. Helaas betrap ik mezelf op die lelijke manieren. Dat is menselijke koppigheid. Als iedereen zijn eigen stoep vrij maakt, wordt de wereld een mooiere plek, luidt het gezegde. Dat geldt ook voor wanordelijke gedachten.

P.

Wat is schoonheid?

Het overvalt je met de woeste kracht van een orkaan; het doet je stilstaan en verwonderen. Ware schoonheid werpt je omver en vergunt je inzicht in de samenhang van alles. Het is daarom een bij uitstek kosmische kracht waarmee we als demiurgen werelden scheppen. Ons vermogen tot esthetiek maakt ons betrokken met een zinvolle wereld. Het is waar dat onze esthetische vermogens cultureel geconditioneerd zijn, maar dat gaat slechts over de invulling van het schone, niet om de essentiële ervaring ervan. De subjectieve invulling van het schone is triviaal: het maakt niet uit of het nu Bach is die je raakt of een ravissant houtsnijwerk van de Japanse Edo-periode; wat telt is de zogenaamde arrestatie: getroffen worden door het Ware, Schone en Goede, en daarmee een rustpunt vinden in de woeste maalstroom van het bestaan. Schoonheid maakt ons even beheersers van de roekeloos razende Tijd.

P.

Žižek: de verdubbeling van het woord

Slavoj Žižek

Slavoj Žižek

(…) waarom zouden we geen emancipatorisch verschil zien in een schijnbaar ‘reactionair’ begrip als ‘Russische identiteit’? Misschien kan de eigenaardigheid van woorden onze gids zijn in deze kwestie: het Russisch kent vaak twee woorden voor dezelfde term (of wat voor ons westerlingen dezelfde term lijkt), waarvan het ene zijn gewone betekenis weergeeft, en het andere een meer ethisch geladen ‘absoluut’ gebruik heeft.

Zo is er het woord istina, het gewone woord voor waarheid als overeenstemming met feiten; en Pravda (meestal met hoofdletter), de absolute Waarheid die ook verwijst naar de ethisch toegewijde ideale orde van het Goede. Zo is er het woord svoboda, de gewone vrijheid om binnen de bestaande sociale orde te doen wat we willen; en volja, de meer metafysisch geladen absolute drang om je wil te volgen tot op het punt van zelfvernietiging. Zoals de Russen graag zeggen: in het Westen heb je svoboda, maar wij hebben volja. (…)

ZIZEK, Slavoj, Welkom in de woestijn van de werkelijkheid, Amsterdam: Uitgeverij SUN, 2005, 86.

Marcus Aurelius & de Stoa

Keizer Marcus Aurelius nam als jongen van twaalf jaar de leer van de stoïsche filosofie in zich op en bleef ze zijn hele leven trouw; hij bracht ze in praktijk, niet alleen in zijn persoonlijk leven, maar ook als staatsman. De stoïcijnse deugden van moed, onwrikbaarheid en plichtsgetrouwheid verenigen zich in hem en  maken hem tot een werkelijk groot vorst. De geschiedenis kent nauwelijks een tweede voorbeeld van een zo grote macht, uitgeoefend met zoveel zelfbeheersing en zelfverloochening.

‘Azië, Europa – hoekjes van de wereld; de hele oceaan – een druppel in het heelal! De Athos – een onbetekenende aardkluit van de wereld; de tegenwoordige tijd – een moment van de eeuwigheid!’.

Een heerser die dit zeggen kon stond zo hoog en zag zo ver, dat het hem behoedde voor enghartigheid en eenzijdigheid en hem in staat stelde weerstand te bieden aan de verleiding van heerszucht en keizerswaan, aan willekeur, verkwisting en decadentie; hij kon een verantwoording dragen waartegen maar weinigen van zijn voorgangers en opvolgers waren opgewassen. Hij verachtte praal en luxe en bracht, gekleed in een eenvoudige soldatenmantel, een groot deel van zijn leven door in de legerplaatsen van zijn legioenen, plichtsgetrouw de belangen van het rijk behartigend.

Uit: STÖRIG, Hans Joachim, Geschiedenis van de filosofie, Antwerpen: Het Spectrum, 2011, 205.

Nietzsche: Grieks pessimisme en avondrood

62d4b-nietzsche

Bestaat er zoiets als een pessimisme vanuit kracht? Een intellectuele voorkeur voor het harde, huiveringwekkende, kwade, problematische van het bestaan, en dat vanuit een gevoel van welzijn, van, overstelpende gezondheid, vanuit de volheid van het bestaan? Bestaat er misschien zoiets als een lijden aan de overvloed zelf? Een verleidelijke dapperheid van de scherpste blik, die naar het vreselijke verlangt, als naar een vijand, een waardige vijand, met wie zij haar kracht kan meten? Die haar kan leren wat ‘het vrezen’ inhoudt? Wat betekent juist bij Grieken van de beste, sterkste, dapperste tijd, de tragische mythe? Wat betekent de tragedie, die uit dit Dionysische geboren is? – En anderzijds: datgene waaraan de tragedie gestorven is, het Socratisme van de moraal, de dialectiek, de bescheidenheid en blijmoedigheid van de theoretische mens – zou niet juist dit Socratisme een teken kunnen zijn van de neergang, de vermoeidheid, het ziek-worden van de losgeslagen instincten? En de ‘Griekse blijmoedigheid’ van de latere Griekse cultuur slechts een avondrood?

NIETZSCHE, Friedrich, De geboorte van de tragedie, Amsterdam: De Arbeiderspers, 2006, 8.