TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Categorie: Mystiek

Socrates in Teheran

Teheran. Mijn laatste avond in de stad. Ik trek naar het noorden aan het Tajrishplein, het meer kosmopolitische gedeelte van de stad waar een flirterige atmosfeer hangt die niet veel verschilt van een mondaine stad aan de Franse Rivièra. Na een laatste maal in het goddelijke saffraanijs te pletter zijn gedoken zie ik buiten de ijsbar plots een oude man staan die me indringend aanstaart. Hij stapte op me af en vroeg me waar ik vandaan kwam.

Toen begon het spel.

Het enige wat die man deed was vragen stellen, net als de oude Socrates.

Even dit: de Socratische dialoog was bedoeld om algemene essenties en begrippen te destilleren uit een gesprek in woord en wederwoord, waarbij Socrates de vroedvrouw was die de andere wijsheid deed baren. Op deze manier was hij het relativisme en scepticisme van die vervloekte sofisten de baas en fundeerde hij op een rationele manier de moraalfilosofie. Op die manier maakte hij de weg vrij voor serieuze jongens als Plato en Aristoteles. In vaktechnische termen heet deze dialoog ook wel de maieutiek.

Dus lag ik daar open en bloot bij Socrates in Teheran. Bij het stellen van de vraag waarom hij alleen maar vragen stelde repliceerde hij droog waarom ik die vraag stelde en wat vragen nu juist zijn.

Ik geef toe dat ik hem na een kwartier wou afwimpelen omdat dit eenzijdige verkeer vermoeiend begon te worden. Op dat moment dacht ik niet aan Socrates’ maieutiek in dit vreemde proces naar een obscure waarheid, maar achteraf denk ik dat Socrates zo te werk moet gegaan zijn. Deze man leek niet in staat om enige verheldering aan te bieden omdat hij niet doorging tot op het bot van een bepaalde stelling. Hij sprong continu van de hak op de tak zonder enige ordening aan te brengen. Wel … het verwondert me niet dat ze die oude Griekse dwaas na verloop van tijd een gifbeker aanboden.

Toch zat er iets in die man dat me wel aantrok: het continue vragen is mij zelf nooit vreemd geweest. Bij momenten denk ik terug aan deze eigenaardige ontmoeting, waarvoor ik dankbaar ben. Pas door alles niet meer zo vanzelfsprekend te vinden en onder de loep te nemen kan je prachtige ontdekkingen doen over ons bestaan. Wee hen die niet meer verwonderd kunnen zijn. De oude man in Teheran was wellicht een aardig stel vijzen kwijt, maar zijn onophoudelijk spervuur van vragen was misschien wel een voorbeeld van de eironea, de geveinsde onwetenheid.

Ik keer terug naar daar. Wie weet kom ik de oude man tegen en weet ik alsnog wijsheid te baren.

P.

A Song to Mithras

MITHRAS, God of the Morning, our trumpets waken the Wall!
‘ Rome is above the Nations, but Thou art over all!’
Now as the names are answered, and the guards are marched away,
Mithras, also a soldier, give us strength for the day!

Mithras, God of the Noontide, the heather swims in the heat,
Our helmets scorch our foreheads ; our sandals burn our feet.
Now in the ungirt hour; now ere we blink and drowse,
Mithras, also a soldier, keep us true to our vows !

Mithras, God of the Sunset, low on the Western main,
Thou descending immortal, immortal to rise again !
Now when the watch is ended, now when the wine is drawn,
Mithras, also a soldier, keep us pure till the dawn!

Mithras, God of the Midnight, here where the great bull dies,
Look on Thy children in darkness. Oh take our sacrifice !
Many roads Thou hast fashioned: all of them lead to the Light,
Mithras, also a soldier, teach us to die aright!

– Rudyard Kipling

Dostojevski: “Iets al te geheimzinnigs”

Dosto

– Mijn broers richten zichzelf te gronde, vervolgde hij, en mijn vader ook. En ze richten behalve zichzelf ook nog anderen te gronde. Dat is de “aardse kracht der Karamazovs” waar vader Paisi het laatst nog over had, aards en onstuimig, ongepolijst … Zelfs of de geest Gods boven deze kracht zweeft, zou ik niet weten. Ik weet alleen dat ik zelf ook een Karamazov ben … Ik ben een monnik, een monnik? Ben ik een monnik, Lise? Daarnet zei u toch dat ik een monnik was?
– Ja, dat zei ik.
– Misschien geloof ik wel helemaal niet in God.
– U niet geloven, wat is er met u? zei Lise zacht en behoedzaam.

Maar Aljosja gaf geen antwoord. In die al te onverwachte woorden lag iets al te geheimzinnigs en te subjectiefs dat hij misschien zelf ook niet begreep, maar dat hem onmiskenbaar bedrukte.

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De broers Karamazov, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 2005, 268.

Ik kan dat gevoel van Aljosja door en door. Je denkt na over iets en dan valt plots een zinnebeeld vlak voor je ogen. Je taalbegrip is ver ontoereikend om het te communiceren naar een vatbaar begrijpen, maar je wéét instinctief wel waar het in essentie om gaat. Dit gaat veel verder dan de Aha-Erlebnis, dit is waar de intuïtie de plaats van de rede inneemt.

P.

 

Seinsgeschick

© Peter Verheyen

© Peter Verheyen

Toen ik daarstraks de vochtige warme lucht rook van een krachtige voorjaarsstorm werd ik lyrisch, zonder iets zinnigs tot uiting te kunnen brengen. Het was alsof iets uit het verborgene tot mij sprak in een taal die ik begreep, maar ik niet kon omzetten naar gewone mensentaal. Ik lichtte een tip van de sluier op, waarvan de indruk mij overviel en mij ontvreemde van ieder gangbaar taalgebruik. Heeft het bouwwerk van ons spreken dan geheime kamers? De verwondering zit zo in elkaar dat de causaliteit er geen vat op heeft. Het mysterie wordt niet door ons ontrafeld, maar door zichzelf. Slechts mysterie raadt het mysterie. Dat maakt het af.

P.

Gemiste rijkdom

Toen ik daarstraks weer een eindeloze reeks spontane gedachten aan het spinnen was in mijn hoofd bedacht ik dat ik nooit dezelfde genialiteit aan de dag kon brengen op papier. Er zijn immers zoveel onbewuste barrières die het onmogelijk maken om een rijkdom te etaleren die nog maar te vergelijken valt met de weelde aan gedachten in mijn hoofd. Zo nu en dan slaag ik er wel in om een punt te maken, maar als ik erin slaag een doorgedreven gedachte te maken in mijn hoofd met her en der geniale hak-op-de-taksprongen moet dat toch ook lukken op papier? Als ik er op een of andere manier in slaag een personage in mijn dromen een boeiende toespraak te laten houden over eender welk thema, dan moet ik er zelf toch in slagen dat te reproduceren?

Deze tragedie is hier een oud zeer: het is slechts een van de vele opzichten waar we maar een fractie kunnen ervaren van het “kosmische sieraad”. Het is waar: de Neoplatoonse filosofie heeft dat sieraad op een uiterst verleidelijke manier beschreven, maar Nietzsche heeft deze prachtige gestalte terecht de grond ingeboord. Als er een kosmisch sieraad bestaat, is deze onbevattelijk en ook onredelijk. Want alles wat redelijk is, heeft de Duitse filosoof met de hamer geschreven, is slechts een constructie van ons eigen denken. Een fantasie, ook al is de mens haast van nature uit een wezen dat alles wil categoriseren en ordenen. Wat zegt dat dan over het werkelijke? Het werkelijke is chaotisch, maar de hele filosofie voor Nietzsche heeft dit ontkent.

Ik neig het leven voor te stellen als een pelgrimstocht, cirkelend rond een heilig centrum dat fungeert als de hoogste hemelsfeer die Dante wist te bereiken. Een Worden dat zich koppelt aan een Zijn, zodat het zich meer ontwikkelt en de mogelijkheid schept om niet alleen te bestaan, maar ook te existeren. En ja, ook al is dit een constructie van mezelf om het leven wat meer zinvol te maken, wat dan nog? De ontmaskering van het leven kan volgens mij leiden tot een rijkere levenservaring. We worden allemaal geworpen in een eigen microkosmos maar het is daarom aan ons als architect om daar iets van te maken. Waarom dan vasthouden aan conventionele bouwstijlen?

P.

Hexenschaukel

‘Een paar keer mompelde ik de woorden van Ariostes: “Wanneer de dood ook komt, een groot hart voelt geen afgrijzen zolang hij maar roemrijk is”. Dat wekte een aangenaam soort dronkenschap op, ongeveer zoals je je in een Hexenschaukel voelt. Toen de granaten mijn oren even rust gunden, hoorde ik naast me fragmenten van het mooie lied van de Zwarte Walvis in Askalon klinken en dacht dat mijn vriend Kius de kolder in de kop had gekregen. Maar iedereen kende zo zijn eigen spleen’.

Ernst Jünger in In Stahlgewittern

De vloek van Morpheus

Het is avond en Morpheus lonkt me naar zijn dromenrijk. Ik ‘zink’ weg in een lucide droom, een vreemde toestand waarin ik bewust een droom ervaar. Dat is anders dan een normale droom waarin het dromende subject volledig in een droom wordt opgenomen. Dat dubbele bewustzijn doet je in een schemerzone belanden waarin de werkelijkheid wordt gesluierd met vage droomgestalten. Naast mij ligt mijn vriendin en ik hou mijn hand op haar zij. Dat is wat ik weet en in zekere zin is dat mijn houvast. En dan ontvouwt de droom zich in al haar eenvoud.

Voor mij zie ik twee brandende zwarte kaarsen met weinig andere details daarrond. Een donkere kamer en in de achtergrond een open raam waar de wind met de gordijnen speelt. Een minimalistische setting. Plots grijpt de angst zich plotseling om mij. Samen met een aanzwellende schreeuw voel ik bovenal een ontzettend dreigende atmosfeer me beklemmen. Een donkere onzichtbare aanwezigheid die niet van menselijke aard is stormt  gewelddadig op mij af. Mijn instinct zet me aan om hieruit te ontsnappen, omdat ik voel dat ik hierin eeuwig opgesloten dreig te geraken. De woestijn groeit; wee hem die woestijnen in zich bergt. Ik weet dat ik een dromend subject ben en dat ik in staat ben om mijn ogen te openen om dit te stoppen. Het probleem is dat ik verlamd ben en geen controle uitoefen over mijn lichaam. Ik wil mijn hand verleggen, maar deze reageert niet.

Het is pas later dat ik in staat ben om me uit deze droom te verheffen. Enkele tellen later wil ik terug in slaap vallen, maar dan zie ik dezelfde kaarsen weer voor me staan. Ik wil me verzetten tegen de angst, maar ik voel me totaal machteloos en kan er amper aan ontsnappen. Hetzelfde gebeurt in een andere ligpositie. Pas daarna zink ik weg in een gewone slaaptoestand. Dat beklemmende gevoel blijft me echter achtervolgen. Ik wil me verdiepen in mijn lucide droomervaringen, maar wie weet wat ik daar in het rijk van Morpheus zal vinden?

 

P.

De Architect

Ik wil het niet-nader-bepaalbare Immense ervaren. Geen beperkingen in mijn gedachtegang, maar zuivere Existentie die raakt aan de Essentie. Het Absolute moet niet omzetbaar zijn naar taal om in zijn geheel “vatbaar” en “deelachtig” te zijn.

P.

Herfstnevel

Ik hou van die melkwitte nevel die ontstaat tijdens de herfstschemering. Het mystificeert het hele landschap dat anders zo banaal overkomt. Het voegt als het ware een hele betekenislaag toe die je niet meteen weet te plaatsen. Het ontneemt contrast; maakt alles overvloedig diafaan; verzacht de grenzen. In erg dikke grauw-grijze nevel kan je je zo gedesoriënteerd wanen dat je uit je lood geslagen voelt. Her en der duiken schimmen op en toch, met de bezwerende dans van nevelslierten, voel je iets vertrouwds om je heen sluipen. De onzichtbare oergeesten van het land die je aarzelend naderen met een subtiel gerinkel, verhuld in sterrenstof en de geur van mirre verspreidend, om dan plots als wind en rook te verdwijnen om niets dan geruisloze stilte en verweesdheid achter te laten. Soms meen ik te denken dat de kosmos zichzelf even ontsluiert in al deze verwarring, dat je het privilege hebt een kleine fractie te mogen “vatten” van het Grote Mysterie. Het grauw-grijs wordt fabelachtig zilver bij het besef dat je verloren moet lopen om iets te vinden.

P.

Kosmokrator

And the days are not full enough
And the nights are not full enough
And life slips by like a field mouse

Not shaking the grass

~Ezra Pound

To see the world in a grain of sand
and Heaven in a wild flower.
Hold infinity in the palm of your hand,
and eternity in an hour.

William Blake

Op lukrake momenten bevraag je de essentie van het leven. Over wat van belang is. Of we iets waard zijn op een kosmische schaal. Verhullen we ons in een grootsprakig antropocentrisme, waar de mens het centrum, of zelfs het culminatiepunt van het Alleven is, of werpen we ons in het Niets door het bestaan als een loutere toevalligheid te beschouwen? De mens als een organisme dat ontstaat, bestaat en sterft, zonder enig verschil uit te maken? De Tijd is een onverschillige maalstroom, het marcheert verder door en sleurt ons allemaal mee. En iedere druppel Tijd vloeit door je handen, niet meer terug te halen. Voorgoed verloren. In de Yuishiki-doctrine van het Hossoboeddhisme is er een continue flux van bewustzijn, dat de werkelijkheid enkel nu bestaat. Niet daarnet, niet zo meteen, maar op dit eigenste moment is de wereld jouw creatie. Heb je een manier gevonden om je handen te sluiten? Om de Tijd, al is het maar even, meester te zijn? Wanneer heb je voor het laatst een werkelijk roerloze stilte ervaren, waar de levensharmonie weerklinkt? Heb jij de Kosmos al eens gedwongen zich te openbaren?

(Het gonst …)

P.