TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Categorie: Overige

Wilflingen, 24. Dezember 1968

juenger_ernst_honorarfrei-ba2

Am Weihnachtsabend nach alter Gewohnheit ein Licht auf den Friedhof gebracht. Ich vergrub es zur Hälfte im Schnee, den es durchleuchtete. Oben zog Gewölk am bleichen Mond vorbei, der zur Stunde von einem amerikanischen Team umrundet wird.

Wenn ich ein Licht auf ein Grab stelle, bewirkt es nichts, aber es besagt viel. Es leuchtet für das Universum, bestätigt seinen Sinn.

Wenn sie den Mond umfliegen, bewirkt das viel, doch es bedeutet weniger.

(Ernst Jünger, Siebzig verweht)

Kierkegaard: “waarheen vlieden?”

De heide moet bij uitstek geschikt zijn krachtige geesten tot ontplooiing te brengen; alles ligt daar naakt en open en bloot voor God en er is daar geen plaats voor veel verstrooiing, geen plaats voor de vele hoeken en gaten waarin het bewustzijn zich kan verbergen en waar het voor de ernst vaak zo moeilijk is de verstrooide gedachten terug te vinden. Hier moet het bewustzijn zich helder en precies om zichzelf omsluiten. Op de heide moet de waarheid gezegd worden: “Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht!”.

Kierkegaard, Søren, Dagboeken, Amsterdam: De Arbeiderspers, s.d., 79.

Ernst Jünger: de versterving van de gedachte

Noot: wat Ernst Jünger hieronder beschrijft komt me heel herkenbaar voor. Het is een uitdaging om de meest originele schepsels van je brein naar buiten te brengen in hun oorspronkelijke staat. Vaak gaat er ontzettend veel verloren zodat er helemaal niets overblijft. Het gaat niet om een zuiveringsproces, maar wel een uiterst vijandige omgeving waar deze gedachten zich doorheen worstelen om tot uiting te worden gebracht. Het slachtofferaantal ligt angstwekkend hoog. Net zoals een levendige droom vervaagt naarmate de seconden vorderen, is een gedachte even snel verdwenen als zij is opgekomen. Het is Snapchat avant la lettre. Zou er geen mogelijkheid bestaan om je brein te koppelen aan een soort digitale copywriter, die als een seismograaf bij de minste trilling je denkpatronen neerschrijft? Dat zou de stream of conciousness “as mad as a hatter” maken.

P.

“Somtijds voelde hij diepe verbittering door zich heen branden wanneer anderen hem achteloos voorbijliepen. Dan ervoer hij zijn ziel als een donker land ver van de mensen, rijk aan goud en andere zeldzame zaken, en omgeven door een gordel van zielloos oerwoud. Ondernam hij evenwel een poging zich door het kreupelhout te wurmen, dan ontglipten zijn schatten hem onderweg en bracht hij slechts gelach of een kleurloos niets aan het licht.”

Jünger, Ernst, Luitenant Sturm, Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009, 67-68.

Personae

Merkwaardig hoe gezichten verschijnen die verraden hoe ze er later gaan uit zien. Je ziet in de prille groeven van de neus, de eigenaardige kentering van de mond en de terugdeinzende haarlijnen een voorafschaduwing van de oude dag. Oude gezichten hebben een markant karakter, maar wat dan met die gezichten die een lange schemerperiode kennen voordat ze hun definitieve karakter bekleden? Wat dan met de tocht die een gezicht onderneemt naar een rijpere tijd?

Het verouderen wordt pas werkelijk wanneer je zelf in de spiegel kijkt. Ik kan me voorstellen dat je je eigen gezicht pas ziet veranderen wanneer je uit de vanzelfsprekendheid van je eigen bestaan treed: door je iedere dag in de spiegel te zien ben je het minst van iedereen vatbaar voor de veranderingen in je eigen gezicht. Maar soms treedt dan een hapering op in je zelfperceptie: daar sta je dan plots met het besef dat je een jaar ouder bent geworden, dat het kinderachtige is verdwenen of dat de jeugd zelf dreigt te verdwijnen. In The Portrait of an Artist as a Young Man van James Joyce merkte ik het begrip arrestation op: onderbroken worden; een stille mijmering.

And life slips by like a field mouse/Not shaking the grass (Ezra Pound)

P.

Apsjeronsk, 1 januari 1943

Mantische nieuwjaarsdromen – ik verbleef in een groot hotel en sprak met de portier, die op zijn jas in zilver geborduurde sleutels droeg, over de koffers van de reizigers. Hij was van opvatting dat ze daar zelfs in de grootste nood slechts ongaarne afstand van deden – ze betekenden meer dan het omhulsel van hun have, daar zat ook hun verdere reis in, evenals hun aanzien en kredietwaardigheid. Ze zouden zijn als het schip dat men op een zeereis als laatste in de steek liet, of zelfs als de eigen huid. Vagelijk begreep ik dat het hotel de wereld was, en de koffer het leven.

(…)

Vroeg opgestaan voor de terugreis naar Apsjeronsk. De zon glansde schitterend op de bergen, waar de bossen ademden in de violette kleuren van het eerste begin van de lente. Ik was ook goedgehumeurd, als een zwaardvechter die opnieuw de arena betreedt. De kleine alledaagse bezigheden op deze eerste dag van het jaar verricht je met meer liefde – wassen, scheren, ontbijten en de aantekeningen in het dagboek: symbolische handelingen die je celebreert.

Drie goede voornemens. Ten eerste: ‘Matig leven’, want bijna alle problemen in mijn leven zijn veroorzaakt door de overtredingen jegens de matigheid.

Ten tweede: ‘Steeds oog voor de ongelukkigen.’ De mens heeft de aangeboren neiging het ware ongeluk niet te zien, en meer zelfs: hij wendt de blik af. Het medelijden komt achteraan hinken.

Tot slot wil ik het peinzen over individuele redding uitbannen in deze maalstroom van mogelijke catastrofes. Belangrijker is dat je je waardig gedraagt. We beveiligen onszelf toch slechts op bepaalde punten van het oppervlak van een geheel dat voor ons verborgen blijft, en juist de uitvlucht die wij bedenken, kan onze dood zijn.

(…)

Uit: ‘Kaukasische aantekeningen’ in: JÜNGER, Ernst, Parijs dagboek 1941-1943, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1986, 239-240.

“J’écrirai sur ma porte:”

27696_393547129409_716729409_3961509_6152514_n

Toute visite est une agression.

ou

N’entrez pas, soyez charitable.

ou

Tout visage me dérange

ou

Je n’y suis jamais.

ou

Maudit soit qui sonne.

ou

Je ne connais personne.

ou

Fou dangereux.

CIORAN, Emil, Cahiers 1957-1972, Editions Gallimard, 1997, 420.

Parijs, 10 augustus 1942

’s Nachts dromen over de loopgraven in de Eerste Wereldoorlog. Ik was in de ondergrondse schuilplaats, maar ditmaal zaten daar ook kinderen, aan wie ik prentenboeken liet zien. Toen stapte ik naar buiten en ging in een bomtrechter liggen. De aarde was tot poeder gezeefd door projectielen. Ik wreef de droge kruimels tussen mijn handen en herkende ze dusdoende als de materie waaruit wij komen en waarheen wij weer terugkeren. Ik onderscheidde ze nauwelijks van mijn lichaam en van mijn hand. Ik lag daar als een mummie te midden van mummiestof.

JÜNGER, Ernst, Parijs Dagboek 1941-1943, Amsterdam, Uitgeverij De Arbeiderspers, 1986, 137.

Tolkien: Que faire?

But all night he dreamed of his own house and wandered in his sleep into all his different rooms looking for something that he could not find nor remember what it looked like.

De chaosmos van de late oudheid

De scheiding tussen heidendom en christendom liep in de vierde en vijfde eeuw op een andere wijze dan ze werd voorgesteld in de negentiende en twintigste. Het contrast is later aangebracht, destijds liepen de kleuren veel meer ineen. De blijde boodschap en het licht stonden niet tegenover de duisternis en angsten van het late heidendom. De ene God van de liefde stond niet tegenover de vele goden, godinnen, demonen en velerlei angsten. De verlosser, Christus, stond niet tegenover de scabreuze flauwekul van geile goden en godinnen, wonderwerkers en ongeloofwaardige verhalen en mythen over halfgoden. Er bestond geen tegenstelling tussen het heidense pessimisme, troosteloze, uitzichtloze ‘geniet van de dag, gij sterft’ en een christelijke verlossingsleer, toekomstperspectief en opstanding uit de dood. De amorele wreedheden, circusspelen en slavernij, stonden helemaal niet tegenover de christelijke naastenliefde. Slaven hadden toegang tot de heidense tempels en erediensten en werden nog in de zede eeuw op de Siciliaanse landgoederen van paus Gregorius de Grote doodgeranseld. Vrouwen verbreiden het nieuwe geloof en vonden er tevens een meer oosterse houding van onderdanigheid en dienstbaarheid.

De werkelijkheid van de vijfde eeuw is heel wat diffuser dan het beeld dat we er later van maakten. Kijk omhoog in de Santa Costanza even buiten Rome, een grafkerk boordevol mozaïeken met taferelen van dronkenschap en vrolijke oogstfeesten en wijnpersen. Is dat bacchantisch en hoort het bij de eredienst van Dionysos of zullen we het interpreteren als allegorie van de eucharistie?

Soms dalen we onder in die Romeinse kerken trappen af die ons tevens eeuwen terug in de tijd brengen. De kerken staan erboven, onder woelt het verleden. Onder San Clemente werd een beeld gevonden, waarvan ook een wereldberoemde andere versie in het Vaticaan prominent uitgestald staat: Christus als de goede herder, als de Davidstelg. Maar er zijn enkele tientallen van dat soort beeldjes, en we weten nooit of het Christus of Hermes de drager voorstelt. Onder de Sint Pieter vlak bij het vermeende graf van Simon Petrus – die daar niet ligt en zelfs nooit in Rome is geweest – is een grafkamer met een afbeelding van Christus die als Apollo de triomferende zonnekar ment. Ook keizer Constantijn bleef in het spoor van zijn voorgangers met de zonnecultus van Apollo, bleef de heidense titel pontifex maximus dragen en schonk de Romeinse senaat het gouden beeldje van Victoria waar enkele tientallen jaren later zo’n verbitterde strijd over zou ontstaan. Nog omstreeks het jaar 600 moest paus Gregorius de Grote zijn priesters weer eens verbieden om de hymne op de onoverwinnelijke zon aan te heffen op het hoogtepunt van de mis, de consecratie.

VERGEER, Charles, Wanden van de werkelijkheid. Filosofie van de late oudheid, Damon, Budel, 2011, 44-45.

Parijs, 28 maart 1942

Luchtalarm. We zaten met het licht aan bij elkaar en dronken champagne uit 1911, waarbij de vliegtuigden zoemden en de echo van de kanonnen de stad deed schokken. Klein als mieren. Daarbij gesprekken over de dood. Over dit thema maakte madame Gould een paar goede opmerkingen – bijvoorbeeld dat de ervaring van de dood een van de zeer weinige was die niemand van ons kon afnemen, en dat wij zelfs daardoor verrijkt worden, juist door toedoen van degenen die ons de grootste schade willen berokkenen. Het lot kon ons alle grote ontmoetingen ontnemen – die met de dood nooit.

JÜNGER, Ernst, Parijs dagboek 1941 – 1943, De Arbeiderspers (Privé-domein n°123), Amsterdam, 1986, 99-100.