TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Categorie: Overige

31

13255928_10154303741179410_1294768890084729055_n

Ik sta op, ga naar de badkamer en bekijk mezelf aandachtig in de spiegel terwijl ik mijn handen opfris in het koele water van de kraan. Die prille groeven verdiepen zich rond mijn ogen, er vormt zich een markante kentering rond mijn mond en dat mijn haarlijnen een stuk verder zullen terugdeinzen staat in de sterren geschreven. Als ik mijn pasfoto van tien jaar geleden zou bovenhalen zou ik mijzelf amper herkennen, al weet ik natuurlijk dat ik die persoon op die foto ben. Mijn ogen waren toen opvallend kleiner en mijn rondere gezicht mist de scherpte die het nu begint te krijgen. Het is boeiend te zien hoe een jong gezicht een lange schemerperiode ondergaat voor je ze werkelijk ouder kan noemen. Die langzame tocht naar de verzakking en verdorring is niet tegen te houden, het maakt niet uit hoeveel botoxinjecties je ondergaat of dag- en nachtcrèmes gebruikt. Sommige mensen zijn echter op hun mooist als ze hoogbejaard zijn, wanneer ze de meest markante gezichten hebben, haast een historisch, monumentaal landschap met lieux de memoire die enkel zijzelf kunnen verklaren.

Ouder worden besef je pas wanneer je heel bewust in de spiegel kijkt, niet wanneer je dat doet om je tanden te poetsen of je haar goed te leggen, maar jezelf als onderwerp beziet van een hartstochtelijke inspectie. Dan treedt een hapering op in dat vertrouwde, wat alledaagse zelfbeeld: je staat daar met het plotse besef dat je weer ouder bent geworden, dat het kinderachtige is verdwenen of dat de jeugd dreigt te verdwijnen wanneer die eerste rimpel verschijnt, het eerste grijze haartje of een cynische grijns die je eerder niet had. In The Portrait of an Artist as a Young Man gebruikt James Joyce het begrip arrestation daarvoor erg treffend: onderbroken worden; een stille maar aanmatigende mijmering; getroffen worden door een allesonthullende gedachte.  Het haalt ons uit de dagelijkse carrousel en geeft ons de kans het geheel van ons bestaan te overschouwen. Als we dit kunnen evoceren tussen geboorteschreeuw en doodsreutel hebben we er dan toch iets van dat leven kunnen vatten.

P.

Advertenties

De brandschatting van Yuan Ming Yuan

In augustus 1860 tijdens de Tweede Opiumoorlog landden 18.000 Britse en Franse strijdkrachten in de baai van Pechili, op een boogscheut van Peking gelegen. Gesteund door een leger van Chinese hulptroepen weten zij snel op te rukken naar de Chinese hoofdstad om de Qing-dynastie tot onderhandelingen te dwingen. Hoewel de veldtocht militair gezien al snel succesvol wordt beëindigd zinken de afgevaardigden van de geallieerden snel weg in het moeras van de Chinese diplomatie met haar raadselachtige etiquette en een keizer die wegvlucht met zijn eunuchen naar een schuilplek voorbij de Chinese Muur. Begin oktober van dat jaar stuiten de geallieerde troepen net buiten Peking op de verbijsterende Yuan Ming Yuan-tuin, verfraaid met talloze paleizen en paviljoens.

“Herten met fabelachtige geweien liepen er tussen bosschages en licht kreupelhout te grazen op de hellingen van kunstmatige bergen, en al die onbegrijpelijke pracht van de natuur en de door mensenhand daarin aangebrachte wonderen werden weerspiegeld in de donkere waterpartijen die door geen zuchtje wind werden bewogen. De verschrikkelijke vernietiging die gedurende de volgende dagen in het legendarische tuinlandschap werd aangericht en die spotte met alle militaire discipline en hoe dan ook met elke reden, is slechts gedeeltelijk te verklaren als een gevolg van de woede over de steeds maar uitgestelde beslissing.

De ware reden voor de brandschatting van Yuan Ming Yuan lag vermoedelijk in de ongehoorde provocatie die deze paradijselijke wereld, gecreëerd uit de aardse werkelijkheid en alle ideeën over het Chinese gebrek aan beschaving logenstraffend, betekende voor de soldaten, die zelf oneindig ver van huis waren geraakt en uitsluitend gewend waren aan dwang, ontbering en onderdrukking van hun verlangens.”

Uit: W.G. Sebald, De ringen van Saturnus

Wilflingen, 24. Dezember 1968

juenger_ernst_honorarfrei-ba2

Am Weihnachtsabend nach alter Gewohnheit ein Licht auf den Friedhof gebracht. Ich vergrub es zur Hälfte im Schnee, den es durchleuchtete. Oben zog Gewölk am bleichen Mond vorbei, der zur Stunde von einem amerikanischen Team umrundet wird.

Wenn ich ein Licht auf ein Grab stelle, bewirkt es nichts, aber es besagt viel. Es leuchtet für das Universum, bestätigt seinen Sinn.

Wenn sie den Mond umfliegen, bewirkt das viel, doch es bedeutet weniger.

(Ernst Jünger, Siebzig verweht)

Kierkegaard: “waarheen vlieden?”

De heide moet bij uitstek geschikt zijn krachtige geesten tot ontplooiing te brengen; alles ligt daar naakt en open en bloot voor God en er is daar geen plaats voor veel verstrooiing, geen plaats voor de vele hoeken en gaten waarin het bewustzijn zich kan verbergen en waar het voor de ernst vaak zo moeilijk is de verstrooide gedachten terug te vinden. Hier moet het bewustzijn zich helder en precies om zichzelf omsluiten. Op de heide moet de waarheid gezegd worden: “Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht!”.

Kierkegaard, Søren, Dagboeken, Amsterdam: De Arbeiderspers, s.d., 79.

Ernst Jünger: de versterving van de gedachte

Noot: wat Ernst Jünger hieronder beschrijft komt me heel herkenbaar voor. Het is een uitdaging om de meest originele schepsels van je brein naar buiten te brengen in hun oorspronkelijke staat. Vaak gaat er ontzettend veel verloren zodat er helemaal niets overblijft. Het gaat niet om een zuiveringsproces, maar wel een uiterst vijandige omgeving waar deze gedachten zich doorheen worstelen om tot uiting te worden gebracht. Het slachtofferaantal ligt angstwekkend hoog. Net zoals een levendige droom vervaagt naarmate de seconden vorderen, is een gedachte even snel verdwenen als zij is opgekomen. Het is Snapchat avant la lettre. Zou er geen mogelijkheid bestaan om je brein te koppelen aan een soort digitale copywriter, die als een seismograaf bij de minste trilling je denkpatronen neerschrijft? Dat zou de stream of conciousness “as mad as a hatter” maken.

P.

“Somtijds voelde hij diepe verbittering door zich heen branden wanneer anderen hem achteloos voorbijliepen. Dan ervoer hij zijn ziel als een donker land ver van de mensen, rijk aan goud en andere zeldzame zaken, en omgeven door een gordel van zielloos oerwoud. Ondernam hij evenwel een poging zich door het kreupelhout te wurmen, dan ontglipten zijn schatten hem onderweg en bracht hij slechts gelach of een kleurloos niets aan het licht.”

Jünger, Ernst, Luitenant Sturm, Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009, 67-68.

Personae

Merkwaardig hoe gezichten verschijnen die verraden hoe ze er later gaan uit zien. Je ziet in de prille groeven van de neus, de eigenaardige kentering van de mond en de terugdeinzende haarlijnen een voorafschaduwing van de oude dag. Oude gezichten hebben een markant karakter, maar wat dan met die gezichten die een lange schemerperiode kennen voordat ze hun definitieve karakter bekleden? Wat dan met de tocht die een gezicht onderneemt naar een rijpere tijd?

Het verouderen wordt pas werkelijk wanneer je zelf in de spiegel kijkt. Ik kan me voorstellen dat je je eigen gezicht pas ziet veranderen wanneer je uit de vanzelfsprekendheid van je eigen bestaan treed: door je iedere dag in de spiegel te zien ben je het minst van iedereen vatbaar voor de veranderingen in je eigen gezicht. Maar soms treedt dan een hapering op in je zelfperceptie: daar sta je dan plots met het besef dat je een jaar ouder bent geworden, dat het kinderachtige is verdwenen of dat de jeugd zelf dreigt te verdwijnen. In The Portrait of an Artist as a Young Man van James Joyce merkte ik het begrip arrestation op: onderbroken worden; een stille mijmering.

And life slips by like a field mouse/Not shaking the grass (Ezra Pound)

P.

Apsjeronsk, 1 januari 1943

Mantische nieuwjaarsdromen – ik verbleef in een groot hotel en sprak met de portier, die op zijn jas in zilver geborduurde sleutels droeg, over de koffers van de reizigers. Hij was van opvatting dat ze daar zelfs in de grootste nood slechts ongaarne afstand van deden – ze betekenden meer dan het omhulsel van hun have, daar zat ook hun verdere reis in, evenals hun aanzien en kredietwaardigheid. Ze zouden zijn als het schip dat men op een zeereis als laatste in de steek liet, of zelfs als de eigen huid. Vagelijk begreep ik dat het hotel de wereld was, en de koffer het leven.

(…)

Vroeg opgestaan voor de terugreis naar Apsjeronsk. De zon glansde schitterend op de bergen, waar de bossen ademden in de violette kleuren van het eerste begin van de lente. Ik was ook goedgehumeurd, als een zwaardvechter die opnieuw de arena betreedt. De kleine alledaagse bezigheden op deze eerste dag van het jaar verricht je met meer liefde – wassen, scheren, ontbijten en de aantekeningen in het dagboek: symbolische handelingen die je celebreert.

Drie goede voornemens. Ten eerste: ‘Matig leven’, want bijna alle problemen in mijn leven zijn veroorzaakt door de overtredingen jegens de matigheid.

Ten tweede: ‘Steeds oog voor de ongelukkigen.’ De mens heeft de aangeboren neiging het ware ongeluk niet te zien, en meer zelfs: hij wendt de blik af. Het medelijden komt achteraan hinken.

Tot slot wil ik het peinzen over individuele redding uitbannen in deze maalstroom van mogelijke catastrofes. Belangrijker is dat je je waardig gedraagt. We beveiligen onszelf toch slechts op bepaalde punten van het oppervlak van een geheel dat voor ons verborgen blijft, en juist de uitvlucht die wij bedenken, kan onze dood zijn.

(…)

Uit: ‘Kaukasische aantekeningen’ in: JÜNGER, Ernst, Parijs dagboek 1941-1943, Amsterdam: De Arbeiderspers, 1986, 239-240.

“J’écrirai sur ma porte:”

27696_393547129409_716729409_3961509_6152514_n

Toute visite est une agression.

ou

N’entrez pas, soyez charitable.

ou

Tout visage me dérange

ou

Je n’y suis jamais.

ou

Maudit soit qui sonne.

ou

Je ne connais personne.

ou

Fou dangereux.

CIORAN, Emil, Cahiers 1957-1972, Editions Gallimard, 1997, 420.

Parijs, 10 augustus 1942

’s Nachts dromen over de loopgraven in de Eerste Wereldoorlog. Ik was in de ondergrondse schuilplaats, maar ditmaal zaten daar ook kinderen, aan wie ik prentenboeken liet zien. Toen stapte ik naar buiten en ging in een bomtrechter liggen. De aarde was tot poeder gezeefd door projectielen. Ik wreef de droge kruimels tussen mijn handen en herkende ze dusdoende als de materie waaruit wij komen en waarheen wij weer terugkeren. Ik onderscheidde ze nauwelijks van mijn lichaam en van mijn hand. Ik lag daar als een mummie te midden van mummiestof.

JÜNGER, Ernst, Parijs Dagboek 1941-1943, Amsterdam, Uitgeverij De Arbeiderspers, 1986, 137.

Tolkien: Que faire?

But all night he dreamed of his own house and wandered in his sleep into all his different rooms looking for something that he could not find nor remember what it looked like.