TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Categorie: Politica

Chesterton: een en ander

“The whole modern world has divided itself into Conservatives and Progressives. The business of Progressives is to go on making mistakes. The business of Conservatives is to prevent mistakes from being corrected. Even when the revolutionist might himself repent of his revolution, the traditionalist is already defending it as part of his tradition. Thus we have two great types — the advanced person who rushes us into ruin, and the retrospective person who admires the ruins. He admires them especially by moonlight, not to say moonshine. Each new blunder of the progressive or prig becomes instantly a legend of immemorial antiquity for the snob. This is called the balance, or mutual check, in our Constitution.”

Verkiezingen in de verte, gerommel in de marge? Kijk hierboven naar Chesterton, het grote onderscheid. Maar spreken we vandaag nog over conservatieven en progressieven? Zijn de scheidslijnen duidelijk afgebakend in het illustere spel dat staat te beginnen? In een post-ideologisch tijdperk lijkt alles waardeloos; de verleiding van het zoete slapen in de comfort zone is te groot. Waar is het hunkeren gebleven van verzuilde tijden? Alles lijkt hetzelfde. Vallen de sluiers weg, dan kent ons ons toch zeker wel?

De ene noemt de andere idioot, de andere verklaart de ene voor zot. Wat als beide het zijn? Ik weet nog hoe het machtsspel me eertijds bekoorde, ofschoon ik nooit het engagement heb aangegaan mijn ziel aan de duivel te verkopen. Mephistoteles heeft een blauwtje gelopen. Toch dwingt een mens zichzelf onder te dompelen in de woeste baren van de politieke hak op de tak, de waan van de dag en een schoon Idee. Uiteindelijk ben ik de tegenpool van de andere, de onderstroom van een grote rivier die onafwendbaar naar de monding toestroomt.

P.

Advertenties

Tijddronken

As he grew older, awareness of the self became awareness of time. He gradually came to make out the sound of the white ants. Moment by moment, second by second, with what a shallow awareness men slipped through time that would not return! Only with age did one know that there was a richness, an intoxication even, in each drop. The drops of beautiful time, like the drops of a rich, rare wine. And time dripped away like blood. Old men dried up and died. In payment for having neglected to stop time at the glorious moment when the rich blood, unbeknownst to the owner himself, was bringing rich drunkenness.

MISHIMA, Yukio, The decay of the angel, Vintage Books, London, 2001, 105.

Het onbewogen koningschap en de revolte

[…]

Als startpunt gebruiken we het Hindoedenkbeeld van de cakravartin, of “universele koning”. De cakravartin geldt als een archetype van de koninklijke functie, waar verscheidene koningen, die aan het traditionele principe voldoen, min of meer complete beelden of zelfs bijzondere uitdrukkingen van vertegenwoordigen. Cakravartin betekent letterlijk “heer” of “spinner van het wiel”. Dit denkbeeld brengt ons terug naar het idee van een centrum dat ook aan een innerlijke staat, een manier van Zijn of, beter, dé weg van het Zijn, beantwoordt.

In feite symboliseert het wiel ook de samsara of de stroom van het worden (de Hellenen noemden dit het “wiel van de generatie” of “het wiel van het Lot”). Zijn bewegingsloos centrum duidt op de inherente spirituele stabiliteit van zij die niet door deze stroom worden beroerd en die de aan de inferieure aard verbonden energieën en activiteiten kunnen organiseren en onderwerpen aan een hoger principe. Dan verschijnt de cakravartin als de dharmaraja, de “Heer van de Wet” of “de Heer van het Wiel van de Wet”. Volgens Confucius: “Het overheidsbedrijf via deugd kan vergeleken worden met de poolster, aan wie de menigte sterren hulde brengen terwijl deze op zijn plaats blijft”. Daar komt ook de betekenis van het concept “revolutie” vandaan, de beweging rond een “onbewogen beweger”, hoewel het vandaag in de moderne wereld synoniem is geworden met subversie.

In deze zin neemt het koningschap de rol van een “pool” aan, door te verwijzen naar een algemene traditionele symboliek. We herinneren ons hier dat […] Plato verwijst naar de plaats waar Zeus beraadslaagt met de goden om een beslissing over het lot van Atlantis te treffen: “Hij riep dus alle goden op naar zijn meest glorieuze verblijfplaats, dat in het midden van het universum staat en uitkijkt over het gehele veranderlijke rijk”. Het bovenvermelde denkbeeld van de cakravartin is ook verbonden met een cyclus van raadselachtige tradities over het werkelijke bestaan van een “wereldcentrum”, […]. Sommige essentiële koningschapssymbolen hadden oorspronkelijk een nauwe verbondenheid met deze ideeën. Een van deze symbolen was de scepter, waarvan de voorname functie analoog verbonden was met de “wereldas”. Een ander symbool is de troon, een “verheven” plaats; stilzitten op de troon evoceert namelijk, in aanvulling op de aan de “pool” en “onbewogen beweger” verbonden betekenis van stabiliteit, overeenstemmende innerlijke en metafysische betekenissen.

[…]

~

Julius Evola in Rivolta contro il mondo moderno (III, Polaire symboliek; de Heer van Vrede en Rechtvaardigheid)

Bedenkingen bij de dood van Khadaffi

Deze tekst mag door eenieder worden overgenomen, mits bronvermelding.
Het einde van zijn regime was voorspelbaar, maar wat brengt zijn dood voor Libië?

Het moet een behoorlijk chaotisch einde zijn geweest voor de voormalige Libische leider. Toen de slag bij Sirte gestreden was werd het konvooi van kolonel Khadaffi, dat ongeveer uit 80 wagens bestond, rond 8.30 onder vuur genomen door Franse gevechtsvliegtuigen buiten de stad. De kolonel vluchtte een nabijgelegen riool in, er ontstond een vuurgevecht met achtervolgende rebellen en hij werd verwond terug naar buiten gesleurd door een uitzinnige menigte. De man zei maanden geleden dat hij wilde vechten tot de dood en nu blijkt dat hij het heeft waargemaakt. Een soortgelijklot was ook Mussolini beschoren, die door een woedende groep partizanen prompt werd opgehangen. Wat er met Khadaffi gebeurde is niet helemaal zeker. De informatie is nog te ruw, tussen al de euforie kan er nog niet met volle zekerheid gezegd worden wat de kolonel nu juist heeft meegemaakt in zijn laatste momenten. Maar het moet alvast niet aangenaam zijn geweest, als ik zie hoe hard hij aan de haren wordt getrokken en heen en weer wordt geduwd. Het lijkt om een lynchpartij, om eerlijk te zijn. Dat kan ook liggen aan de gebrekkige cameraregie.

De Libische burgeroorlog lijkt aan zijn einde gekomen te zijn. Het door de internationale gemeenschap beschouwde booswicht is dood en vele leiders zeggen dat de mars van het Libische volk naar een democratische staat nu pas echt begonnen is. Toch zijn nog vele factoren onduidelijk. De rebellen zijn geen onverdeelde eenheid met een duidelijk programma, ook al werd er maandenlang gesproken van “Khadaffi versus de rebellen”. Zodra de laatste bolwerken van de regeringsaanhangers vallen, zal die vermeende eenheid ongetwijfeld breuklijnen vertonen. Niet alleen tribale, maar ook ideologische breuklijnen zullen zich opdringen. In Egypte is na de val van Moebarak reeds gebleken dat deze tot bloedige clashes kunnen leiden met vele doden tot gevolg.

De rol van het leger en de staat in Egypte is natuurlijk anders, dat is waar. Moebarak heeft nooit een revolutie geleid die nog maar enigszins vergelijkbaar is met die van Khadaffi. De situatie na de val van een leider is dus in beide landen anders. En toch zal ook in Libië blijken dat, eens het stof gaat liggen, de mars naar de democratie toch geen eenvoudige kwestie zal zijn. Is er genoeg draagkracht voor een stabiele regimewisseling? Zal het Westen daarbij helpen? En zo ja, tegen welke prijs? Versterkt deze “hulp” de perceptie van een (neo-) kolonialistische interventie door het Westen niet (zie dit artikel (klik))? Het werd al eens gezegd: als het voorname exportproduct van Libië broccoli was in plaats van olie, zou de reactie van het Westen geheel anders zijn geweest. But in Libya, the black juice was worth the squeeze.

De dood van Khadaffi biedt datzelfde Westen ook een uitweg aan. Een opluchting. In een internationale rechtszaak zou Khadaffi ongetwijfeld de relatie tussen zijn regime en vele Westerse landen hebben aangehaald. Vele voormalige en huidige Westerse leiders zouden hun broek tot de knieën zien zakken. Het zou interessant zijn om een analyse te maken van de haat-liefde relatie tussen Khadaffi en het Westen. Het zwart-witte beeld van het “Brave Democratische Westen” en de “Boosaardige Dictatoriale Periferie” zou verrijkt worden met ontelbare grijze tinten. Khadaffi was ooit een voorman van de Derde Wereld, die de Westerse oliebaronnen en de jongens en meisjes van de IMF terecht vergeleek met de kolonialistische Italianen onder Mussolini. Zoals Midden Oostenexpert Robert Fisk zei:

‘We loved him. We hated him. Then we loved him again. Blair slobbered over him. Then we hated him again. Then La Clinton slobbered over her BlackBerry and we really hated him even more again’.

P.

Dit toemaatje kon ik niet laten:

Het fenomeen PMC: de terugkeer van de feodaliteit?

Huurlingenbedrijven voegen een nieuwe dimensie toe aan het Amerikaanse buitenlandse beleid.

Op 16 september 2007 bewaken huurlingen van de private militaire organisatie Blackwater een konvooi nabij het Nisourplein in Bagdad, Irak. Een moeder en haar volwassen zoon rijden traag met een Kia aan de verkeerde kant van de weg en negeren een politiebevel om te stoppen. Het veiligheidspersoneel van Blackwater vuurt een resem waarschuwingsschoten af en gooit een aantal aanvalshandgranaten naar de wagen. Deze granaten geven een harde knal en een felle lichtflits, maar zijn niet dodelijk. De Irakese politie- en legerdiensten denken dat het fragmentatiegranaten zijn, waardoor een vuurgevecht ontstaat. 17 mensen laten het leven in het bloedbad. Brigadier-generaal Abdul-Karim Khalaf meldt zelfs dat het Blackwaterpersoneel willekeurig op burgers schoot. Dat wordt bevestigd in de New York Times, waar beschreven wordt hoe een Blackwaterlid ondanks tegenstand van zijn collega’s op burgers bleef vuren. Blackwater gebruikte volgens de opgemaakte rapporten excessief geweld en vuurde op burgers zonder enige vorm van provocatie. Later onderzoek wees overigens uit dat de meesten die stierven zonder enige reden gedood werden. Blackwater werd als gevolg van dit incident tijdelijk geschorst.

Private Military Companies: què?

Blackwater werd in 1990 door de voormalige US Navy Seal Eric Prince opgericht als een private trainingsfaciliteit om leger- en politie-eenheden te trainen. Deze bevindt zich in North Carolina en is 28 km² groot. Het bedrijf kende vooral een steile opmars na de terreuraanslagen op 11 september 2001. Blackwater leverde snel veiligheidstroepen in Afghanistan en heeft een tijd geleden een contract van 9 miljard dollar gekregen om de ambassadeur van de VS in Irak te bewaken.

Het bedrijf kreeg ook immuniteit, waardoor het niet vervolgd kon worden. Het is een van de zestig private beveiligingsbedrijven die in Irak opereren. Momenteel staat Blackwater bekend als Xe, omdat de naam te negatief werd om nog te gebruiken na een aantal rechtszaken. Het bedrijf was naast de Irakmissie ook nog actief als hulpverlener na de Orkaan Katrina, gaf trainingen aan troepen van Azerbeidzjan, verleende inlichtingen aan een Afghaanse anti-drugseenheid en kreeg ook contracten in Japan om radarsystemen te bewaken.

Blackwater is dus in feite een Private Military Company (PMC), een huurlingenbedrijf. Het is een privaat bedrijf dat niet onder controle staat van een staat, maar het sluit er wel heel wat contracten mee af. Een PMC wordt door de Derde Conventie van Geneve (1949) geplaatst onder de noemer ‘defensiedienstverlener’, maar het levert ook personeel om tactische missies te volbrengen, in tegenstelling tot bedrijven zoals Lockheed Martin. Hoewel de Conventie van Geneve een aantal wetteksten heeft laten opstellen, zijn de zogenaamde ‘rules of engagement’ van een PMC nog niet helemaal hetzelfde als die van de reguliere legerdiensten.

Kapitalisme

Voorstanders van de vrije markt maken vaak het onderscheid tussen ‘rentseekers’ en ‘profitseekers’. Een PMC is volgens hen een rentseeker, omdat de eindgebruiker (de staat) niet de totaalkost moet betalen. Deze wimpelt hij af op de belastingsbetaler, die het grootste deel van de contracten van de PMC betaalt. Net omdat de PMC zo afhankelijk is van de staat hoort men wel eens van ultraliberalen dat dit een logische uitwas is van de sociaaldemocratische welvaartsstaat. ‘Kapitalisme 4.0’ is het nieuwe model in hun ogen: de staat wordt een actieve speler op de vrije markt.

Het hedendaagse kapitalistische systeem is een symbiose tussen de staat en het economische systeem. Er bestaat dus een wederzijdse afhankelijkheid. Men merkt in de verbetenheid van libertariërs om hun handen proper te wassen van het huidige economische systeem dezelfde vastberadenheid die men bij hardleerse communisten vindt. Ze zijn vol lof over de sociaaleconomische verworvenheden van de revolutie, maar zeggen wel dat de Sovjetunie niets te maken heeft met communisme wanneer men de negatieve elementen van het Sovjetrijk opsomt. Hoe dan ook zijn PMC’s een gat in de markt: de Amerikaanse hegemonie heeft nood aan andere vormen van militaire bezettingsstructuren. Het is juist dat een PMC afhankelijk is van opdrachten van de staat. Maar dat maakt het nog altijd geen vazal van een staat, zoals in een feodale relatie tussen heerser en onderdaan. De afhankelijkheid van een PMC van de staat is betrekkelijk relatief, omdat bijvoorbeeld Blackwater/Xe ook trainingen geeft aan buitenlandse troepenmachten.

Een andere kritiek die men vaak hoort is het feit dat een PMC een publiek bedrijf is, waarbij de beslissingen vanuit de overheid komen in plaats van de private personen die het bedrijf in handen hebben. Voor Blackwater/Xe is dit zeker niet van tel. Het is immers geen vazal, hoewel het bedrijf inderdaad geen diensten zal verlenen die tegen de Amerikaanse belangen gaan. De Amerikaanse staat is dé belangrijkste klant. Blackwater/Xe zal bijvoorbeeld niet snel Iraanse troepen gaan trainen in North Carolina, laat staan dat het bedrijf morgen de kernreactoren van Noord-Korea zal bewaken. Toch hebben private militaire ondernemingen al bewezen dat zij ondermijnend kunnen zijn voor een vredesproces. Zo heeft Northbridge Services Group in 2003 aan de Ivoorkust een rebellengroepering voorzien van financiële steun en wapens.

Amerikaans imperialisme

PMC’s kunnen voor de VS wel degelijk belangrijk zijn. Omdat militaire expedities tegenwoordig een gigantische overhead met zich meebrengen kan de VS niet alleen meer op zijn eigen leger terugvallen. Daarnaast kan de VS geen troepen blijven uitsturen zonder daarvoor nog eens extra veel moeite te doen om nieuwe legertroepen klaar te stomen voor de strijd. De Amerikaanse hegemonie zal daardoor immers stilaan te groot worden om alleen door het reguliere leger beheerd te worden. Daar komen PMC’s handig bij van pas. Zij leveren extra troepen met een eigen logistiek apparaat, waardoor de kosten-batenanalyse in het voordeel van het aanwenden van PMC’s uitdraait. Dat beaamt ook Donald Rumsfeld in 2005:

“Het bespaart heel wat kosten om aannemers in te schakelen voor een resem zaken die ons leger niet meer hoeft te doen, en, om welke reden dan ook, andere burgers of overheidspersoneel niet kunnen doen. De aannemers komen van ons land maar ook van andere landen. Soms komen de contracten van ons land of een ander land en zij zetten mensen in van verschillende landen zoals Irakezen en mensen van naburige landen. En daar zijn er veel van. Het cijfer groeit”.

Toen Rumsfeld van het oorlogstoneel verdween, was er een verhouding van ongeveer één huurling per soldaat.

PMC’s kunnen ook een aardige invloed uitoefenen op het buitenlandse beleid van de VS. Eric Prince, de oprichter van Blackwater, is een religieuze Republikein. Het is niet ondenkbaar dat er met de groei van contracten van PMC’s ook een sterke lobbygroep op gang komt. Momenteel zullen zij zeker niet de lobbygroepen die uitgaan van banken of machtige pharmagroepen overklassen. Maar Prince heeft echter wel miljoenen dollars uitgegeven aan conservatieve christelijke kandidaten voor de Republikeinse Partij. Dat is eigen aan de Amerikaanse corpocratie: bedrijven hebben een sterke invloed op het binnenlandse en buitenlandse beleid. Een voorbeeld daarvan is de actieve inmenging in Midden- en Zuid-Amerika ten behoeve van de Amerikaanse multinationals, zoals de United Fruit Company. De voorzitter van Starbucks, Howard Schultz, heeft sympathieën voor de Israëlische zaak en geeft jaarlijks miljoenen dollars via de inkomsten van Starbucks aan de staat Israël. En daarnaast zijn er honderden andere bedrijven die een verborgen politieke agenda hebben en belangen hebben die gelijklopen met het Amerikaanse buitenlandse beleid. Het Amerikaanse defensiebedrijf General Dynamics zag zijn winst driemaal verdubbelen sinds de invasies van Afghanistan en Irak tijdens de Bush-administratie. Dit bedrijf stelt momenteel heel wat mensen uit het voormalige Cheney-kabinet te werk. Het is dus helemaal niet ondenkbaar dat PMC’s bepaalde kandidaten financieel zullen steunen zodat zij verkozen geraken.

Bovendien zijn er altijd conflicten op de wereld die door clandestiene operaties verder opgestookt kunnen worden. De CIA heeft de afgelopen decennia heel wat verschillende rebellengroepen en opstandige generaals in links georiënteerde landen in Zuid-Amerika gesteund zodat daar een militaire junta aan de macht kon geraken. Maar het zijn blijkbaar niet enkel overheidsinstanties die hun invloed uitstrekken. In augustus 2004 was Blackwater betrokken bij een poging tot een coup in Equatoriaal-Guinea. Mark Thatcher, zoon van Margareth Thatcher, zou hierin een rol gespeeld hebben.

Niet altijd even legaal

In de eerste helft van 2009 kwamen er 2500 huurlingen bij in Irak, maar Blackwater zit daar niet meer bij. Het bedrijf verlegde haar zwaartepunt naar anti-drugsoperaties in Latijns-Amerika. DynCorp nam de rol over, een bedrijf dat eveneens een berucht verleden heeft. Zo waren voormalige personeelsleden van het bedrijf betrokken bij mensenhandel in het voormalige Joegoslavië. Met behulp van de Servische maffia vervoerden zij Roemeense en Russische seksslavinnetjes. Andere bedrijven blijven ook aanwezig in Irak: Aegis, Eirlys, de Steele Foundation, …

De vraag van rechtsgeldigheid is daarom belangrijk, want hoe kunnen zulke bedrijven dit blijven doen zonder vervolgd te worden? PMC’s moeten geen directe verantwoording afleggen aan het Amerikaanse Congres. Door gebrek aan een degelijke wetgeving rond PMC’s zijn een aantal leden van DynCorp die zich in Bosnië schuldig hebben gemaakt aan verkrachtingen vrijuit gegaan. De Titan Corporation leende een aantal vertalers en ondervragers uit aan de beruchte Abu Ghraibgevangenis. In 2009 is er dan weer een onderzoek opgestart naar Amerikaanse PMC’s die konvooien van het Amerikaanse leger in Afghanistan beschermden door Afghaanse krijgsheren en talibanstrijders te betalen. Zo zou de VS indirect geld afdragen aan de opstandelingen die zij net trachten te bestrijden.

De toekomst

Stellen dat de oorlog met de opkomst van PMC’s wordt geprivatiseerd zou een boude stelling zijn. Ten slotte worden oorlogen in eerste plaats nog altijd aangegaan door staten en niet door bedrijven. Het is twijfelachtig dat een PMC vandaag de dag zoveel geld zou hebben dat het de kost van een ‘militaire overhead’ zou kunnen dragen. Een staat heeft veel meer mogelijkheden om geld in te zetten voor een militaire expeditie. Het is echter wel zo dat de belangen van de private sector zeer sterk verwikkeld zijn met het Amerikaanse buitenlandse beleid en zo een aardig stukje bijdragen aan de uitbouw en de in stand houding van de Amerikaanse hegemonie. Door lobbygroepen op te richten en bepaalde Congresleden te steunen kunnen PMC’s wel een aardige invloed uitoefenen op de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Sommige mensen zeggen dat de Amerikaanse economie alleen maar beter wordt van oorlogsvoering. Dit geldt zeker voor PMC’s: zij staan en vallen bij Amerikaanse aanwezigheid in het buitenland. Tegenstanders willen zware sancties opleggen tegen zulke bedrijven. Andere stemmen, zoals de kritische Britse commentator Robert Fisk, willen dat het Midden-Oosten vrij van Westerse inmenging blijft. In zulke ogen is het buitenlandse beleid van de VS een grotere bedreiging voor de wereldvrede dan ‘schurkenstaten’ zoals Iran of Noord-Korea. Met de opkomst van PMC’s ziet men die bedreiging gedeeltelijk in private handen belanden.

 

P.

10 jaar 9/11: de onmacht van een reus

9/11 schokte de wereld. Nooit eerder had een terreuraanval zoveel slachtoffers veroorzaakt op een manier die enkel door Hollywoodregisseurs zoals Michael “Explosions!” Bay bedacht kon worden. Slavoj Žižek, een Sloveense cultuurfilosoof, toonde in zijn werk Welkom in de woestijn van de werkelijkheid aan hoe deze gebeurtenis een scheur betekende in de Westerse onwerkelijke beschouwing van de wereld.

Hij stelt dat postmoderne westerlingen in een veilige cocon leven, een steriel bestaan dat illusoir is. De populaire Duitse filosoof Peter Sloterdijk sprak van “sferen”. Het streven naar de werkelijkheid gebeurt enkel in gewelddadige films en andere entertainmentvormen. Voor het overige ziet men enkel geweld op televisiejournaals of documentaires. Het TV- of computerscherm vormde het kleine enge raampje op de wereld. 9/11 was een scheurmoment, de illusoire “sfeer” werd gepenetreerd door iets reëels: de ‘werkelijkheid’, vaak slechts een spookbeeld voor vele Westerlingen op het televisiescherm, drong binnen in onze ‘eigen sociale werkelijkheid’. Dit was een keerpunt. Of dan toch niet?

Soms wordt de vraag gesteld of de VS het allemaal zelf niet gezocht heeft. En daar valt een lans voor te breken, als men de bilan van het Amerikaanse buitenlandse beleid opstelt. Op deze website staat een opsomming van alle landen waar de VS zich sinds 1890 mee heeft gemoeid. De lijst is indrukwekkend. De usual suspects zijn er bij de vleet: Iran, Afghanistan, Vietnam, Irak, Cuba, … Ook minder gekende interventies zoals de coup in Indonesië in 1965 waar miljoenen mensen het leven lieten staan erbij. Niet dat alleen de VS zich met zulke dingen inliet. Ook de grootmachten China, Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland hebben minder fraaie interventies op hun palmares. Een grootmacht heeft een gegeven invloedssfeer die het wil verdedigen of uitbreiden. Zonder die invloedssfeer is het geen grootmacht meer. Het unilateralisme van de VS duidt op een hoge mate van straffeloosheid. Het verwondert dan ook niet dat er organisaties en bewegingen ontstaan die zich afzetten tegen deze vormen van imperialisme.

In de ogen van Amerikaanse interventionisten en hun propagandamachine werden deze verzetsstrijders steevast “extremisten” of “terroristen” genoemd. Het interveniërende VS zou Vietnam, Cuba, Iran, … immers de “vrijheid” brengen en “democratie” beloven. Semantiek, uiteraard. Dat de VS en het Westen in het algemeen geen probleem hadden met dictators zoals Moebarak in Egypte is algemeen geweten: zolang deze marionetten de belangen van de VS maar niet in de weg liepen, was er geen probleem. Maar als de macht van de marionetten taande, was een messteek in de rug ten voordele van een beter alternatief altijd een optie. Vaak werden vele verzetsgroepen aanvankelijk gesteund door de VS, zoals de taliban tegen de Russische invasie of de Vietminh tegen de Japanse bezetter. In dat opzicht is Bin Laden een “spook” dat door de VS in het leven werd geroepen, zij het dan indirect omdat Bin Laden nooit rechtstreeks werd gesponsord door de CIA.

Sommige kwatongen, vaak van het tin foil hat-type, beweren dan weer dat 9/11 een inside job was en dat het Amerikaanse militair-industriële complex garen spinde in de nasleep van de ramp. Dat schunnige individuen de kapers hebben betaald en dat er geen Joodse slachtoffers zouden gevallen zijn. En o ja, het gezicht van de Duivel werd gezien in een van de WTC-torens! Het is natuurlijk geen geheim dat er miljarden werden verdiend door de oorlogen in Afghanistan en Irak. Maar laten we even realistisch zijn. De grote (en ja, vooral megalomane) schaal van het project maakte de uitvoering ervan onmogelijk wegens de toestand van het politieke etablissement en de onmogelijkheid om dit stil te houden. We spreken niet over de film 2012 waar dit soort megalomanie wél mogelijk blijkt, maar over de realiteit. Door de symbiotische toestand tussen het Amerikaanse kapitalisme en het buitenlandse beleid, kan wel gesteld worden dat de ramp enorme opportuniteiten creëerde voor bepaalde lobbygroepen, multinationals, defensiebedrijven en beruchte organisaties zoals Blackwater. Deze immorele hebzucht is echter geen oorzaak van 9/11, maar maakte wel deel uit van de nasleep tot op vandaag de dag.

Wat is er dan veranderd na 9/11? Heel wat. En tegelijk ook niet veel. Het Amerikaanse interventionisme taande niet, integendeel, het nam toe in arrogantie. ‘Met ons of tegen ons’ luidde de Bush-doctrine: ieder land dat terroristen herbergde of het terrorisme steunde werd op de zwarte lijst geplaatst. Uiteraard heeft de VS zichzelf niet op die lijst geplaatst, die vrijheid kon het zich wel permitteren op de morele hogere grond die de regering zich heeft toegeëigend na 9/11. Afghanistan, een failed state, werd binnengevallen om de daders te pakken. En Irak werd binnengevallen omdat de dictator, voordien gesteund door de VS, niet meer van nut was en omdat het volk nu eenmaal houdt van oorlog. Dit bloedbad en de bezetting verhoogde nogmaals de anti-Westerse sentimenten.

Desondanks ontsloot de “sfeer” zich opnieuw. Maar de reus wankelt door interne problemen, 9/11 heeft iets losgeweekt. Niet zozeer de paranoia of het unilateralisme is in omvang toegenomen, maar wel het besef van de eindigheid van de pax americana. Ook de machtigste leerling van de klas kan getroffen worden in zijn hart. Of de VS de gang van de wereld nog zal bepalen zoals het dat deed voor 9/11 is nog maar de vraag. De aanloop naar het verval is ingezet. En wie of wat komt daarna? In dit opzicht was 9/11 en de nasleep een teken aan de wand. De machtige heerser die triomfantelijk boven allen uitrees na de Tweede Wereldoorlog is vandaag een seniele oude dwaas die niet alleen de wereld, maar ook en vooral zichzelf onmachtig is geworden.

 

P.

Pjotr leest … Dostojevski

‘Hoezo? Wat wil dat zeggen? Het recht op misdaad? Maar toch niet ‘door inwerking van het milieu’?’ wilde Razoemichin zelfs enigszins geschrokken weten.

‘Nee, nee, niet alleen daardoor,’ antwoordde Porfiri. ‘Het komt er helemaal op neer dat alle mensen in mijnheers artikel in “gewone” en in “buitengewone” kan worden verdeeld. Gewone mensen behoren in gehoorzaamheid te leven en hebben niet het recht de wet te overtreden omdat ze, ziet u, gewone mensen zijn. Maar buitengewone mensen hebben het recht allerlei misdaden te begaan en de wet op allerlei manieren te overtreden, alleen al daarom omdat ze buitengewone mensen zijn. Zo zegt u het toch als ik me tenminste niet vergis?’.

‘Hoe kom je erbij? Dat kan hij toch nooit zo gezegd hebben!’ mompelde Razoemichin verbaasd.

Raskolnikov grinnikte weer. Hij had meteen begrepen waarom het ging en waar men hem wilde hebben; hij herinnerde zich zijn artikel. Hij besloot de uitdaging te aanvaarden.

‘U hebt mij niet helemaal juist geciteerd,’ begon hij eenvoudig en bescheiden. ‘Trouwens, ik moet toegeven dat u het bijna getrouw hebt weergegeven, zelfs, zo u wenst, volmaakt getrouw … (Hij leek het plezierig te vinden om toe te geven dat het volmaakt getrouw was). Het verschil ligt slechts hierin dat ik helemaal niet met nadruk stel dat buitengewone mensen beslist gehouden en verplicht zijn om altijd allerlei onoorbare handelingen te verrichten zoals u zegt. Het komt mij zelfs voor dat een dergelijk artikel ook niet in druk had mogen verschijnen. Ik heb er slechts heel eenvoudig op gezinspeeld dat een “buitengewoon” mens het recht heeft … Dat wil zeggen, niet het formele recht, maar dat hij het recht met zijn geweten overeen te komen om over … bepaalde obstakels heen te stappen, en dan alleen nog in dat geval wanneer het verwezenlijken van zijn idee (dat soms misschien wel heilzaam kan zijn voor de gehele mensheid) dit eist. U meende te moeten zeggen dat mijn artikel vaag was; ik ben bereid om het u zo goed mogelijk uit te leggen. Ik vergis me misschien niet wanneer ik veronderstel dat dit ook uw wens lijkt te zijn; staat u mij dus toe.

Ik ben van mening dat, indien de ontdekkingen van Kepler en Newton ten gevolge van bepaalde combinaties de mensheid niet anders bekend hadden kunnen worden dan door het opofferen van één, tien, honderd, enzovoort mensen die deze ontdekking in de weg hadden gestaan of verhinderd, Newton het recht en zelfs de plicht zou hebben gehad … om deze tien of honderd mensen uit de weg te ruimen om zijn ontdekkingen aan de gehele mensheid te openbaren. Dit wil trouwens helemaal niet zeggen dat Newton het recht zou hebben om iedereen, de eerste de beste, naar goeddunken te vermoorden of elke dag op de markt te gaan stelen. Verder, herinner ik me, ontwikkel ik in mijn artikel de gedachte dat alle … wel, bijvoorbeeld, wetgevers en grondleggers van de beschaving, te beginnen bij de alleroudste en vervolgens mensen zoals Lycurgus, Solon, Mohammed, Napoleon, enzovoort, allemaal stuk voor stuk misdadigers waren, alleen al daarom omdat ze bij het uitvaardigen van een nieuwe wet juist door deze uitvaardiging de oude door de gemeenschap als heilig beschouwde en door hun vaderen overgeleverde wet schonden  en natuurlijk geen halt hielden wanneer het tot bloedvergieten kwam, indien het vergieten van dat bloed (soms geheel onschuldig en roemrijk vergoten voor de oude wet) hen helpen kon. Het is zelfs opvallend dat een groot deel van deze weldoeners en grondleggers van de mensheid verschrikkelijke bloedvergieters waren.

Kortom, mijn gevolgtrekking is dat alle mensen, en niet slechts de groten maar ook zij die nauwelijks het rechte spoor verlaten, die dus zelfs nauwelijks in staat zijn iets nieuws te zeggen, van nature, in meer of mindere mate vanzelfsprekend, beslist misdadigers moeten zijn. Anders zou het moeilijk voor hen zijn om het rechte spoor te verlaten en ook zouden ze er zich natuurlijk niet bij neerleggen, wederom van nature, om in het rechte spoor te blijven, en volgens mij hebben ze zelfs die plicht om zich daar niet bij neer te leggen. Kortom, u ziet: er is hier tot nu toe niets dat bijzonder nieuw is. Dit is al duizend maal gedrukt en gelezen.

Wat betreft mijn indeling van de mensen in gewone en buitengewone, ik moet toegeven dat die enigszins willekeurig is, maar ik sta immers niet op exacte cijfers. Ik geloof alleen in mijn belangrijkste gedachte. Die behelst namelijk dat de mensen volgens de wet van de natuur over het algemeen in twee categorieën worden verdeeld: in een lagere (van de gewone), dus zogezegd in materiaal dat alleen maar dient tot het voortbrengen van zijn eigen soort, en in eigenlijke mensen, dat wil zeggen in hen die de gave of het talent bezitten om in hun milieu iets nieuws te verkondigen. Er zijn hierbij vanzelfsprekend eindeloze onderverdelingen, maar beide categorieën zijn nogal scherp afgebakend: de eerste categorie, het materiaal dus in het algemeen gesproken, is die van de van nature conservatieve en keurige mensen, die in gehoorzaamheid leven en ervan houden om gehoorzaam te zijn. Volgens mij is het ook hun plicht om gehoorzaam te zijn omdat dit hun bestemming is, en hierin steekt voor hen absoluut niets vernederends. De mensen van de tweede categorie overtraden allen de wet; het zijn omverwerpers of gezien hun kwaliteiten daartoe geneigd. Het spreekt vanzelf dat de misdaden van deze mensen betrekkelijk en zeer verschillend zijn; zij eisen merendeels, in uitingen van velerlei vorm, de omverwerping van het bestaand ein naam van het betere; Maar indien hij voor zijn ideaal over lijken zou moeten gaan of bloed moeten vergieten, dan kan hij zichzelf volgens mij, innerlijk, met een zuiver geweten, veroorloven om bloed te vergieten; echter, bedenk dit wel: met inachtneming van het ideaal en zijn maatstaven. Het is dan ook slechts in deze zin dat ik in mijn artikel over hun recht op misdaad spreek. (u herinnert zich toch dat we van het juridische vraagstuk uitgingen?)

Er is trouwens weinig reden tot ongerustheid: de massa zal hun bijna nooit dat recht toekennen; die stelt hen terecht en hangt hen op (min of meer) en vervult daarmee geheel rechtmatig haar conservatieve bestemming, met het voorbehoud echter dat deze zelfde massa in de volgende generaties de terechtgestelden op een voetsutk plaatst en hen (min of meer) vereert. De eerste categorie is altijd heer van het heden, de tweede categorie is heer van de toekomst. De eersten behoeden de gemeenschap en zorgen voor getalsmatige vermeerdering; die van de tweede houden de gemeenschap in beweging en leiden haar naar haar bestemming. Zowel dezen als genen hebben een volkomen gelijkelijk recht om te bestaan. Kortom, bij mij zijn allen gelijkberechtigd en, vive la guerre éternelle, tot het Nieuwe Jeruzalem, dat spreekt vanzelf’.

DOSTOJEVSKI, Fjodor M, Misdaad en Straf, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam, 2007, 269-271

Kali Yuga on the streets of London

Dit opiniestuk mag overgenomen worden mits bronvermelding, door eender wie.

Toen een betoging tegen politiegeweld na de dood van Mark Duggan uitdraaide op geweld had niemand gedacht dat Londen en andere grootsteden zouden veranderen in een wetteloze oorlogszone. Het leek uit het niets te komen. Out of the blue. En toch broeide er al jaren iets. Een kruitvat dat steeds dichter en dichter bij een uitbarsting kwam. Men onderdrukte hier en daar het kruitvat, probeerde de dop terug vaster te schroeven tegen beter weten in. Nu lijkt er geen houden meer aan te zijn. De dijken zijn doorgestoken, een vloedgolf van geweld overspoelt de Britse grootsteden. De schade loopt op in de miljoenen euro’s, dagelijks worden nieuwe winkels bestolen en in brand gestoken. De beelden zijn hallucinant, maar toch moet er een logica te vinden zijn achter deze storm van geweld. De stroom aan informatie is te groot, de stroom aan desinformatie mogelijk groter.

Sommigen beschrijven de “Londense Zomer” als een variant op de “Arabische Lente”. Dit lijkt bij de haren gegrepen te zijn. Er zijn gelijkenissen: woede op een gebrekkig systeem, weinig toekomstperspectief en een hoge werkloosheid onder de jeugd. De opstanden in het Midden-Oosten hebben een positief doel voor zich: zicht op hervormingen en het verdwijnen van een onderdrukkend systeem. Het Midden-Oosten ontwaakt. Het geweld in Londen is van nihilistischer aard. Een “eindtijd”-geweld, lijkt het wel: absurd, waanzinnig en immoreel. Er lijkt geen ideologisch verhaal aan gekoppeld te zijn. Mensen komen niet in opstand voor iets, zoals men dat doet in het Midden-Oosten. Men kiest geen banken, overheidsinstellingen of multinationals als doelwit. Alles en iedereen moet eraan geloven. De totale Leegte kijkt ons, de verbouwereerde toeschouwers, recht in de ogen.

Toch is er een logische oorzaak te vinden. Her en der hoort men kritiek op het besparingsbeleid van de overheid, “dat […] onlusten kan uitlokken op een schaal die we sinds het begin van de jaren 80 niet meer hebben gezien” (Nina Power, DS, 10/08/2011). En daar heb je het. De grondslag van het kruitvat ligt wellicht aan de sociale omstandigheden in de wijken waar het vuur ontstoken is. Het samenspel van een lage sociale mobiliteit en de als onrechtvaardig ervaren politieoptredens hebben een bijzonder explosief mengsel opgeleverd. Dit was ook de oorzaak van de befaamde rellen in Los Angeles in 1992. De dood van Mark Duggan was de spreekwoordelijke druppel. Er waren al meer klachten van onrechtmatig politiegeweld. Er hoeft echter geen ideologisch verhaal te zijn om dit soort geweld te ontketenen. Er staan geen revolutionairen op de barricaden die de Internationale zingen. Het geheel kan en zal ongetwijfeld geïdeologiseerd worden, maar dat gebeurt door de mensen in gezellige partijbureaus, journalistieke redactiekamers en op academische conferenties. De mensen die op straat gaan en deel uitmaken van de geweldorgie zullen in twee hokjes opgedeeld worden: proletarische achterban/verworpenen der aarde of uitschot van het ergste soort/product van een mislukte multiculturele maatschappij. Aan u de keuze.

Het probleem is niet alleen sociaal, maar ook politiek. Deze heeft gefaald, net als in andere Europese landen. Links maakt sterke analyses over sociaal onrecht, maar weet niet waar het vuur ontbrandt of wat te doen indien dit gebeurt. Rechts maakt geen analyses, negeert de sociale context, maar voorspelt wel rellen, en kiest voor de repressie om de dop terug op het kruitvat te schroeven. Een sterkere dop, die een nieuwe ontploffing uitstelt. En zo zit men in een vicieuze cirkel, een wijwatervat waarin een retorische duivel tekeer gaat. Verwijten vliegen links en rechts. Voor eerlijkheid en zelfkritiek is er geen ruimte, de hedendaagse politiek is moreel corrupt. Terwijl de muffig geurende praatpaleizen met hoogdravend gezwets worden gevuld in het voordeel van politieke agenda’s, broeit er iets in de straten. De riool loopt onder alle straten en wijken, maar de stank onder het parlement moet op dit moment weerzinwekkend zijn.

Maar waarom het willekeurige geweld? Waarom de massieve plunderingen en vernietigingen? Kunnen er geen betogingen worden gedaan, of een duidelijk manifest geschreven worden waarom men dit doet? Sommige luchtbeelden zijn niet anders dan die van de London Blitz tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de Duitse Luftwaffe massale bombardementen uitvoerde op Londen. Een collectieve walging ontstaat bij het lezen van verhalen over mensen die verplicht worden te strippen om hun kleren. Wat is het nut daarvan? En hoe kunnen we het verklaren? Het is te eenvoudig om het geweld af te doen als “zinloos”, “weerzinwekkend” en “opportunistisch”. Dat is de emotie die het overneemt. Geweld is zelden zinloos. Dat wordt ook gezegd in een blogpost van “Penny Red”. Het geweld mag zelfs absurd lijken in de ogen van zij die de brand aansteken, “but the politics are there”. Iedere keer wanneer mensen in opstand komen ontstaat er een omkering van de macht. Of liever gezegd: een machtsvacuüm. Diegenen die aan het rellen zijn hebben nu een ongebreidelde vrijheid om alles te doen wat normaal gezien niet mag. Er is geen sociale controle of geen overheidscontrole meer. Via geweld daagt men de autoriteiten uit. Ritueel geweld, noemt men dat in academische kringen. Oud als de straat.

Krachtig verwoord in het artikel van Penny is het volgende: als tweeduizend mensen een vreedzame mars doen tegen politiegeweld hoort niemand er iets van. Als tweehonderd mensen na een vreedzame optocht tegen politiegeweld plotseling beginnen te rellen, springt de pers erop als vliegen. Maar dit is geen probleem van een moreel gecorrumpeerde media. Dit is een typisch menselijk gedragssymptoom. Wij hunkeren naar geweld en misdaad, meent Dostojevski in zijn meesterwerk De Broers Karamazov: “Iedereen voelt zich aangetrokken tot de misdaad en niet alleen maar bij momenten, maar altijd. Weet u, de mensen hebben eens onderling afgesproken om daar niet voor uit te komen en sindsdien liegen ze allemaal of het gedrukt staat. Iedereen zegt dat hij het kwade haat, maar innerlijk zijn ze er allemaal gek op”. En die hunkering naar misdaad wordt duidelijk als ook universiteitsstudenten, grafische vormgevers en jeugdwerkers worden opgepakt wegens plunderen. Het plunderen wordt dus niet alleen door de geproletariseerde en gedesillusioneerde lage sociale klassen gedaan, maar ook andere sociale lagen doen er gretig aan mee. Dit illustreert de lage sociale samenhang van de hedendaagse samenleving in die steden.

Wie de Visnu Purâna leest, onderdeel van de Hindoeïstische heilige geschriften, komt een beschrijving tegen van de Kali Yuga. Mensen zullen meer en meer verlangen naar materiële weelde, ongerechtigheid viert hoogtij en er is geen plaats meer voor orde en structuur. Broeders en zusters keren zich tegen elkaar en zijn respectloos; zij zullen trouwloos zijn en onbeschaamd diefstal plegen en moorden; … De straten van Londen branden niet alleen, maar vormen een kleine experimentele kosmos. Een eindtijd in het klein, waar chaos overheerst. Soms zijn aardbevingen nodig om vervallen fundamenten te veranderen. Deze kleine Kali Yuga kan een leermeester zijn voor toekomstige generaties Britten.

Het einde van de blog van Penny stelt me wel wat teleur. Ik hoopte dat zij een wondermiddel had klaargestoomd om het broeiende kruitvat te ontvetten. Het gevaar weg te nemen. Of toch een kleine hint naar een werkbare oplossing, een blauwdruk. Helaas. Het einde bevat teveel naïef Kumbaya-gehalte in de trant van “Laten we de handen in elkaar slaan, de haat en vooroordelen opzij zetten en voor eens en voor goed beslissen welke toekomst we tegemoet gaan!”. Misschien te wijten aan de jeugdige leeftijd van de blogster, hoewel ze mijn leeftijd heeft. Of ik ben gewoon een cynische oude zak. Sorry, Penny.

P.

PS: van Satya Yuga naar Kali Yuga:

Wu-wei: subtiel als de “lichtste veer”

De koning zou volgens een traditie uit het Verre Oosten als een “zoon van de hemel”, en dus van nietmenselijke oorsprong, genieten van een “hemels mandaat” (tien ming), dat de opvatting van een werkelijke en bovennatuurlijke macht impliceert. Deze macht komt volgens Lao-tzu “van de hemel” en handelt zonder te handelen (wei wu wei) door een immateriële aanwezigheid, of op grond van alleen maar aanwezig te zijn. Het is onzichtbaar als de wind maar tegelijkertijd zijn zijn handelingen onafwendbaar als de krachten van de natuur. Wanneer deze kracht wordt ontketend zal volgens Meng-tzu de macht van gewone mensen buigen als grassprieten onder de wind. Wat betreft wu wei zegt een tekst het volgende:

Door zijn dikte en stoffelijkheid, staat de oprechtheid gelijk aan de aarde; en door zijn hoogte en pracht gelijk aan de hemel. Zijn omvang en duurte zijn zonder limiet. Wie deze oprechtheid bezit zonder zichzelf te tonen, zal stralen; zonder te bewegen zal hij anderen hernieuwen; zonder handelen zal hij hen volmaken. (Lun-yu, 26.5-6)

Alleen zo een man “zal de tegenpolen van de menselijke samenleving harmoniseren en een morele orde in het land stichten en in stand houden”.

In deze macht of “deugd” gesterkt voerde de Chinese monarch (wang) de opperste rol als centrum uit, of als een derde macht tussen hemel en aarde. Er werd verwacht dat het geluk en het ongeluk van het land, evenals de morele kwaliteiten van zijn onderdanen […], heimelijk afhankelijk waren van het gedrag van de monarch. […] In deze context beantwoordt de betekenis van het bekende gezegde “Onveranderlijkheid in het midden” aan de leer dat in “de onveranderlijkheid van het midden de deugd van de hemel zich manifesteert”. Wanneer dit principe als een algemene regel gold, zou niets de geordende koers van menselijke gebeurtenissen of de staat kunnen veranderen.

Uit: EVOLA, Julius, Revolt against the modern world, Inner Traditions, Rochester, 1996, 11. (eigen vert.)

“Kunt u het kort houden?”. De problematische aard van ons eigen fantasme.

Volgens de Sloveense filosoof Slavoj Žižek was de film The Truman Show uit 1998, waarin het hoofdpersonage leeft in een fictieve geïdealiseerde maatschappij, een voorbeeld hoe het laatkapitalistische Californische consumentenparadijs in zijn hyperrealiteit[1] eigenlijk onwerkelijk is. De ontwerkelijking zette zich voort na de ineenstorting van de WTC-torens: het contrast tussen de steriele ‘Coca Cola-idylle’ en de ‘woestijn van de werkelijkheid’, namelijk de reële Derde Wereld, bleef behouden. Wat de ramp op 11 september had kunnen veranderen in de ‘Eerste Wereld’, werd gewoon voortgezet: de afstand tussen Wij en Zij bleef absoluut. De entertainmentwereld speelt hierin een grote en belangrijke rol, waardoor Peter Sloterdijks idee van de illusoire ‘sfeer’ wordt verwerkelijkt. Sciencefictionfilms als Logan’s Run anticiperen op de postmoderne maatschappij door een geïsoleerde groep af te beelden die een steriel leven leidt, maar wel streeft naar de ervaring van de werkelijke wereld. Deze drang wordt gekanaliseerd door de entertainmentwereld met gewelddadige films. Toch weekte 9/11 iets los: de illusoire ‘sfeer’ waar Sloterdijk over sprak werd gepenetreerd door iets ‘reëels’; de ‘werkelijkheid’, vaak slechts een spookbeeld voor vele Westerlingen op het televisiescherm, drong binnen in onze ‘eigen sociale werkelijkheid’.

Shit just got real. Trumans' 9/11 moment.

Sinds de ontzuiling intrad, begon de entertainmentwereld een belangrijke rol te spelen in het dagelijkse bestaan van de westerling. Binnen deze omwenteling ondervond ook de journalistiek een belangrijke transformatie. De ontzuiling gaf meer ademruimte aan de media, die de kans kreeg om zich los te weken van de dominante Moederpartij, commerciële ontwikkelingen boden lucratieve kansen en de journalistiek ontwikkelde zich veel breder dan voordien. De krant van vandaag is iets onwezenlijks voor iemand uit het interbellum. De ontvoogding van de media, zeker in de Belgische context, leidde tot de vorming van mediaconglomeraten. Vele nieuwskanalen zijn vandaag in handen van de bedrijven die ook entertainmentkanalen in de hand hebben. Naast de aloude aanwezigheid van politieke belangen komen ook commerciële belangen in het grote speelveld van de media en dus ook de journalistiek.

De vraag stelt zich of de journalistiek niet teveel bijdraagt aan het behoud van de illusoire ‘sfeer’, die Žižek problematiseert. De ‘Vierde Macht’ is immers zelf een machtsinstelling die de grootste invloed heeft op de publieke opinie, ongetwijfeld een enorme verantwoordelijkheid. De vermenging tussen de reclame- en entertainmentwereld met de journalistieke wereld wordt als zeer problematisch ervaren, stelde Rik van Cauwelaert (directeur van het weekblad Knack) onlangs op een mediadebat. De betrouwbaarheid van de media lijdt hieronder en het onderscheid tussen goed verkoopbaar nieuws en goed nieuws wordt vaak genegeerd. Optimisten geloven dat de mediawereld, vrijgemaakt van verzuiling en paternalistische betutteling, net als de vrije markt zichzelf zal corrigeren. Gekleurde zenders als Fox News Channel bestaan, maar er bestaan ook genoeg andere, meer objectieve en kwalitatieve nieuwsbronnen op de markt. Foutieve informatie wordt zo dus meteen afgestraft en gecorrigeerd door alternatieve nieuwsbronnen. Maar staat de gemiddelde mediaconsument wel zo kritisch tegenover de bronnen en kan deze zich ontvoogden van zijn toegeëigende mediaconsumptiegewoonten? Idealiter zou men kunnen stellen dat het massapubliek een kritisch wezen is dat zelf fungeert als een democratisch orgaan. Toch botst dit met de realiteit: het is utopisch te geloven dat iedere burger zich zal inspannen en evenveel zal bijdragen aan een kritische publieke opinie. Daarom is het de belangrijkste taak van de journalistiek zelf om ervoor te zorgen dat de commerciële belangen niet in de weg staan van degelijke nieuwsberichtgeving.

De ‘illusoire sfeer’ herinnert aan de ‘enclavistische’ verstandhouding die Britse antropologe Mary Douglas onderscheidt. Deze verstandhouding gaat uit van een sterke Wij-Zij tegenstelling, waarin de eigen groep wordt beschouwd als een veilige zone met een officiële cultuur. Typerend hieraan zijn televisie- en radioprogramma’s met een sterke ons-kent-ons-mentaliteit, waarbij gezelligheid en vrolijkheid de politieke berichtgeving “plebejiseert”. Op deze manier wordt zowel de journalistiek als de politiek gebracht naar een niveau waar het helemaal niet hoort te zijn. Dit is een belangrijk gevolg van de omvangrijke invloed van de entertainmentwereld: er is geen plaats voor serieuze nuanceringen en de diepgaande analyses op de drukbezochte media. Het debat op Terzake, toch een van de meer serieuze duidingprogramma’s, tussen een Gentse professor en de woordvoerder van Field Liberation Movement op 30 mei 2011 was bedroevend kort en weinig duidend. “Kunt u het kort houden, professor?” vroeg Lieven Verstraete, “anders zijn we te wetenschappelijk bezig”. Deze teneur is problematisch. Programma’s als Basta die hun verdienste hebben wanneer ze schandelijke praktijken aan het licht brengen, wekken dan weer de indruk dat onderzoeksjournalistiek alleen maar bekend lijkt te worden bij het grote publiek wanneer het ‘leuk’, ‘ludiek’ en ‘humoristisch’ gebracht wordt.

Slavoj Žižek

De vraag om het verschil tussen de journalistiek en de entertainmentsfeer draait om de  aanwezigheid van deze ‘illusoire’ sfeer. Er treedt belangenvermenging op die op zijn minst deels te maken heeft met de gevolgen van de ontzuilde maatschappij. Spreken we van een maatschappij in verval, als we de beschavingsdenkers uit de twintigste eeuw erbij nemen? Er is zeker sprake van een toenemende trivialisering in de journalistieke wereld: het imago van een politicus hangt vaak niet meer af van zijn doen en laten in het parlement, maar zijn ‘market credibility’ en het daarop volgende doen en laten in de mediawereld. Er is een asverschuiving aan de gang en niet in de goede richting. Wezenlijke veranderingen zijn nodig, maar het invoeren van meer regelgevingen of controleorganen zijn slechts van repressieve aard en wellicht ook niet wenselijk. Het gaat veeleer om een mentaliteitsverandering, die uitgaat van een wezenlijk beschavingsideaal en een verzet tegen de algemene apathie, myopie en inertie van de maatschappij. De pers kan die verantwoordelijkheid op zich nemen. De vraag is of dit binnen de huidige maatschappelijke context kan. Is de onwerkelijkheid ervan niet te gebetonneerd? Is de menselijke component, het doelpubliek van de pers, niet te verslaafd aan dit levensgroot fantasme?

P.


[1] Volgens Žižek hét bepalende kenmerk van de postmoderne maatschappij.