TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Categorie: Zwerflust.

Spengler over volken

Spengler

Alle grote historische gebeurtenissen zijn eigenlijk niet door volken in gang gezet, maar hebben pas volken in het leven geroepen. Elke daad verandert de ziel van de handelende persoon. Mogelijk heeft men zich eerst rond een beroemde naam geschaard, maar dat er achter die vermaarde klank geen bende maar een volk staat, is het gevolg en niet de voorwaarde van grote gebeurtenissen. Pas door wat ze op hun trektochten meemaakten, zijn Goten en Osmanen geworden wat ze later waren. ‘De Amerikanen’ zijn niet uit Europa geëmigreerd; de naam van de Florentijnse geograaf Amerigo Vespucci duidt vandaag de dag allereerst op een werelddeel, maar daarnaast ook op een echt volk, dat door de psychische schok van 1775 en bovenal door de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861 tot 1865 zijn eigen aard heeft gekregen.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Advertenties

Spengler: over vuur in de wereld als geschiedenis

Spengler

Het vuur is voor de krijger een wapen, voor de ambachtsman een aspect van zijn beroep, voor de priester een teken van de godheid en voor de geleerde een probleem. Dat hoort echter allemaal bij de natuurlijke instelling van het wakker-zijn. In de wereld als geschiedenis daarentegen verschijnt niet het vuur in het algemeen, maar de brand van Carthago en die van Moskou en de vlammen van de brandstapels waarop Johannes Hus en Giordano Bruno werden verbrand.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Kutais, 31 december 1942

15823_junger-ernst

Ik ging vervolgens naar buiten, waar de sterren schitterden en de projectielen weerlichtten langs de hemel. De eeuwige tekens – de Grote Beer, Orion, Wega, het Zevengesternte, de brede baan van de Melkweg – wat zijn wij mensen en onze jaren op aarde vergeleken met die glans? Wat is ons vluchtig leed? Om middernacht, toen het drinkgelag een hoogtepunt bereikte, dacht ik met al mijn kracht aan mijn geliefden, en ik voelde hoe ook hun groet tot mij doordrong.

Uit: Ernst Junger, Parijs Dagboek 1941-1943

Hugo Claus: “Het verdriet van België” (1983)

hugoclaus

Het nadeel van het lezen van een “grote klassieker” is dat je oordeel half gevormd wordt door de roem dat het boek al heeft mogen vergaren. De superlatieven en lofvieringen zijn moeilijk te ontwijken en dreigen zelfs je eigen oordeel zodanig te kleuren dat je mensen begint na te praten wanneer je je mening wil geven. De teleurstelling kan dan ook groot zijn wanneer het boek tegenvalt, zoals ik ervoer bij het lezen van “Wuthering Heights” van Emily Brontë (maar misschien moet ik deze nog eens opnieuw lezen). Het magnum opus van Claus had ik enkele jaren geleden al eens gelezen, maar vond het tienjarige “jubileum” van zijn overlijden een passend moment om het nog eens ter hand te nemen. Ik weet dat ik andere verwachtingen had bij een eerste leesbeurt en dat de aparte aanpak van Claus me, na enige aanpassing, wel beviel. De titel vond ik vanzelfsprekend: het “verdriet” zou gaan over de moeizame erfenis van de collaboratie, een vaak voorkomend thema in het oeuvre van Claus. Als je het boek echter begint te lezen en passages tegenkomt waar het “verdriet” ter sprake komt, gaat het om meer dan alleen collaboratie.

Het werk bestaat uit twee delen en bestrijkt een tijdspanne van 1939 tot 1947. Het eerste deel “Het verdriet” is een kostschoolroman, opgedeeld in hoofdstukken en geschreven door protagonist Louis Seynave en semifictief alterego van Claus, waarin de lezer wordt meegesleept in de rijke verbeeldingswereld van een kind. Hierin zit een flinke dosis Bildung verscholen: Louis Seynaeve probeert zich aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog met zijn vrienden staande te houden in het pensionaat dat wordt geregeerd door nonnen. Hij probeert structuur te geven aan zijn bestaan door een ridderorde te stichten, ter meerdere eer en glorie van God. De periodes op het pensionaat worden afgewisseld voor vakantieperiodes thuis. Het tweede deel “van België” vertelt over de inval van de Duitsers, de daaropvolgende bezetting en collaboratie en de bevrijding. De puberende Louis flirt met de collaboratie, maar neemt er toch snel afstand van en wil zijn ontluikende schrijverschap ontwikkelen. Uiteindelijk neemt hij deel aan een schrijfwedstrijd waar hij “Het verdriet” inzendt. Kijk eens aan: een roman in een roman.

Het werk mag een klassieker zijn in het literaire canon van het vaderland, het is alleszins geen klassieke roman. Toen ik het werk voor de eerste keer vastnam verwachtte ik me aan een eerder conservatieve vertelling van een collaborerende Vlaamse familie, maar werd verrast door de gewaagde aanpak van Claus. Al eerder was James Joyce een inspiratiebron voor zijn “De verwondering” (1963) en ook nu zijn werken als “Ulysses” of “A portrait of the artist as a young man” niet veraf. De vergelijking gaat trouwens ook op met de lezing van de werken: niet iedereen wie “Het verdriet van België” in zijn kast heeft staan is erdoor geraakt, laat staan mensen die “Ulysses” in hun kast hebben staan. Om die reden is “Het verdriet van België” een roman die polariseert: niet iedereen kan de schrijfstijl van Claus appreciëren. Waar je bij de realistische romans van Dostojevski of Tolstoj hoogdravende discussies krijgt bij zowat alle personages is Claus een stuk prozaïscher. Zo wordt een uiteenzetting over Descartes verstoort door de dienstmeid die droogweg meldt dat het vertrek verstopt is. Het niveau is soms van een groteske slapstick en dat is net de charme van “Het verdriet van België”: Claus neemt zichzelf niet te serieus en zet ons allemaal te kakken. Daarmee worden we ook met onszelf geconfronteerd en wordt ons een spiegel voorgezet.

Het werk is voor een deel autobiografisch, want net als het hoofdpersonage Louis Seynaeve komt Claus uit een collaborerende drukkersfamilie uit West-Vlaanderen en heeft Claus zelf in zijn prille jeugdjaren geflirt met de collaboratie. De Bildung van het personage Seynaeve is dus ook een spiegel die Claus voor zichzelf houdt. De heimelijke lijfspreuk van Louis wordt toujours sourire: wat mensen zeggen is niet wat ze bedoelen en laat nooit zien wat er in je hart omgaat. Hier zit ook een maatschappijkritiek in, die ook terugkeert in “De geruchten” (1996): in tegenstelling tot de meer directe Nederlanders zijn Vlamingen zelfbehoudend en wordt de schone schijn vaak hooggehouden. Louis, en wellicht de andere personages in het boek, weet deze leugens wel te doorprikken, maar laat dit niet merken aan de omstaanders.

De taal die Claus in het werk hanteert is bijzonder rijk en geeft ook een inzage in het belang van taal om de personages te begrijpen. Je hebt de sterke invloed van het Frans op de Vlaamse taal, die anno 2018 in de dagelijkse omgang nog altijd aanwezig is. Daarnaast is er ook de tegenstroom die in de negentiende eeuw ontstond bij de flaminganten: “Staf, gij met uw Frans altijd, zeg liever: duimspijkers” luidt het antwoord van Louis’ grootvader wanneer Staf spreekt over punaises. Deze drang naar culturele zuiverheid kan ook overhellen naar het gebruik van Duitse woorden, want dat is een Germaanse taal. “Voor het eerst zijn we onder Germanen”, klinkt het dan tijdens de bezetting. Later in de roman krijg je ook de Amerikanen en Canadezen, waarbij de Engelse invloed op onze hedendaagse taal dan wel niet wordt benadrukt, maar wel in het achterhoofd belandt. Op die manier zie je dat onze taal dan wel gebonden mag zijn aan bepaalde spelregels, maar dat zij bovenal een levend organisme is waarbij het gebruik ervan allerminst objectief is. Wie taal gebruikt, neemt een stelling in. Mocht Claus gebruik hebben gemaakt van een gepolijst taalgebruik dat aanleunt bij dat van nieuwsankers, zou “Het verdriet van België” alle charme hebben verloren. Het is immers dat weelderige, volkse taalgebruik dat zo sterk aanleunt bij de werkelijkheid je als lezer overweldigt.

Na het schrijven van deze recensie heb ik zin gekregen om het boek opnieuw vast te nemen, want dit magnum opus heeft een niet te ontkennen aantrekkingskracht. Als historicus besef ik dat het begrip “tijdsgeest” problematisch en arbitrair is, maar Claus weet als geen ander je zodanig mee te sleuren in zijn verhaal en in zijn jeugd dat je er bij lijkt te zijn. Zijn er dan geen minpunten? Natuurlijk! De laatste tientallen pagina’s lijken me afgehaspeld, maar misschien heb ik er te snel over gelezen omdat ik onder de indruk was dat het belangrijkste al gezegd was. Zo nu en dan verslapt de aandacht en kom je enkele minuten later tot de conclusie dat je niet meer weet wat er juist is gebeurd. Dat overkomt me bij ieder boek of iedere film of ieder gesprek. Gelukkig zijn goede boeken, in tegenstelling tot wat sommigen denken, quasi oneindig herleesbaar en is dat bij “Het verdriet van België” voor mij betreft een fantastische herontdekking gebleken.

P.

Uit: ‘Het verdriet van België’ van Hugo Claus

‘Het wordt tijd dat Brussel eens grondig gekuist wordt. Brussel is van in de Middeleeuwen van ons, Vlamingen, geweest. Van in de tijd van de hertogen Jan de Eerste en de Tweede en de rest.’
‘De hertogen spraken Frans, Papa.’
‘Wie zegt dat? Is dat wat ze u leren in ’t College? En ik heb het deze week nog gelezen! Over de slag van Woeringen en over Jan de Eerste die van zijn paard viel tijdens een toernooi. Gij kent uw geschiedenis niet, gij! Geen sprake van dat zij Frans spraken. En Jan de Tweede die de lakenhal van Leuven heeft laten bouwen. Hij gaf zijn instructies aan zijn werkvolk in het Frans zeker?’
‘Jan de Tweede sprak Engels.’
‘Dat is helemaal het toppunt. Gij gaat mij uit mijn vel doen springen.’
‘Hij was in Engeland opgegroeid. Zijn schoonvader was de koning van Engeland.’
‘Ik spreek niet meer tegen u’, zei Papa, en zei: ‘Wij zouden een van die duiven daar de kop kunnen omringen en met die droge takjes een vuurtje maken, lijk in die goeie tijd dat ik met Cosijns op stap was in Frankrijk.

Philip Roth: “The plot against America” (2004)

3485381

Het was niet toevallig dat ik dit boek enkele dagen na de dood van de auteur vastnam, anders had deze nog lang in de kast gelegen. Zijn werk lag me al enkele maanden aan te staren vanuit de boekenkast en een enkele keer was ik er bijna in begonnen, maar heb toen toch op het laatste moment gekozen voor een ander werk. Door zijn dood werd Roth onder de aandacht gebracht en werd bij mij de interesse gewekt om dat ene boek in mijn bezit toch eindelijk eens vast te nemen.

“Anything can happen to anyone, but it usually doesn’t. Except when it does.”

De premisse van dit boek is een onverwachte wending in de VS naar aanloop naar de Tweede Wereldoorlog: de nationale held Charles A. Lindbergh, die met zijn vliegtuig The spirit of St. Louis in 1927 alleen over de Atlantische Oceaan vloog, wint in november 1940 met een landslide victory de presidentsverkiezingen, waarbij zijn tegenkandidaat Franklin D. Roosevelt de duimen moet afleggen. Lindbergh profileert zich als een fel tegenstander van een interventie in Europa en zal met de IJslandakkoorden een solide vredespact vormen met Nazi-Duitsland. Hoewel hij zich aan zijn belofte houdt om uit de oorlog te blijven zijn de diplomatische banden met Hitler aardig warm. Dat zorgt voor heel wat veranderingen bij de negenjarige Philip Roth, de fictieve dubbelganger van de schrijver, en zijn omgeving. Hij herkent al snel het verschil tussen de geschiedenis die hij leert op school, in wezen onveranderlijk en onafwendbaar, en de geschiedenis zoals die hij beleeft met zijn tijdsgenoten: radicaal onvoorspelbaar. Zo moet de trotse vader Herman machteloos toezien hij zijn zoon Sandy zich met fierheid inschrijft bij een uitwisselingsprogramma voor Joodse kinderen, die in pakweg Kentucky of Ohio twee maanden mogen werken – of worden heropgevoed als “echte Amerikanen” – bij een boerengezin. Zo heb je later in het verhaal ook nog de Homesteadact 42, waarbij Joodse werknemers met hun gezinnen naar het Zuiden en Midwesten worden gestuurd. De vader van Philip ziet in dat deze initiatieven bedoeld zijn om de onderlinge Joodse solidariteit te breken. Het duurt niet lang voor ook andere zaken mislopen en de VS een heel eigen Kristallnacht met dodelijke pogroms moet verwerken. Toch is het regime niet eenduidig antisemitisch en zijn er tal van prominente joden, zoals tante Evelyn en haar man en rabbijn Lionel Bengelsdorf, die in de hoogste regionen van het regime vertoeven.

Het verhaal ontvouwt zich als een geloofwaardige tegenfeitelijke geschiedenis, maar je moet je niet verwachten aan een andere uitkomst van de oorlog, die is voor Roth hetzelfde en dat merk je al meteen van het begin. Roth schuift de aanval op Pearl Harbor op met een jaar en laat zo nu en dan iets weten over de opmars van Japan en Duitsland, die weinig verschilt van hun historische tegenpolen. Ik weet het, de focus van dit boek ligt niet op het militair-historische, maar hierin maakt de schrijver zich er iets te gemakkelijk van af. Hij maakt dit echter ruimschoots goed door op een levendige wijze de verregaande veranderingen in de maatschappij te aanschouwen door de ogen van de negenjarige Philip, die zelf nog niet volwassen is en zijn moreel kompas nog niet heeft gevormd, wat hem de perfecte beschouwer maakt van al wat zich rond hem ontvouwt. Roth is een kundig vorser van de Amerikaanse geschiedenis en maakt indruk met het schrijven van een heel geloofwaardig en tastbaar ooggetuigenverslag. Zo zijn vele personages in het boek gebaseerd op historische figuren, die achteraan het boek – als je gelukt hebt met de uitgave neem ik aan – een beknopte biografie krijgen.

Roth bezint zich ook over de aard van de Amerikaanse ziel en verweeft deze vraagstelling naadloos in een verhaal dat voorbij lijkt te vliegen. Wat is Amerikaans zijn? Welke rol spelen joden daarin en op welke manier ben je zowel joods als Amerikaans? Beschouw het niet als een politiek statement in de nasleep van 9/11 – het boek is uitgegeven in 2004, want hij laat meerdere stemmen spreken die hun eigen logica volgen, waarbij het standpunt van Roth niet eenduidige af te leiden valt. Je lijkt de kant te willen trekken van de tegenstanders van Lindbergh, maar je merkt snel dat bijvoorbeeld Sandy terecht van leer trekt tegen zijn vader omdat hij de mentaliteit van “ghettojoden” heeft en daar wil van losbreken. De politieke omwenteling die langzaam uitmondt in een catastrophe is een katalysator voor de vele frustraties die heersen in de milieu’s waarin de Rothfamilie zich beweegt. Sommige joden trekken naar Canada, zoals neef Alvin die bij de paracommando’s gaat om geheime missies in het vijandelijke gebied uit te voeren en daarbij een been verliest.

Dit is een eerste kennismaking volgens het boekje: liefde op het eerste gezicht; uren proberen vrijmaken om de ene pagina na de andere om te slaan; aftellen naar de middagpauze of het thuiskomen om het terug vast te nemen; stiekem al recensies opzoeken om er meer van te weten te koen. Er is geen twijfel dat er nog vele andere Roths zullen volgen, die, naar wat ik lees, een heel eigen karakter hebben en me kunnen inwijden in een bijzondere kosmos. Roth maakt er geen geheim van dat hij vele biografische elementen verwerkt in zijn eigen romans en dat maakt zijn werken interessant, omdat de ziel van de schrijver daarin wordt geopenbaard.

 

P.

Frances Ha (2013)

frances_ha2

Ik heb een zwak voor fijnzinnige kakelfilms, in het vakjargon wel eens gekend als “mumblecore”. Deze films zijn erg dialooggedreven en kenmerken zich door een naturalistische stijl: zelden voelen de dialogen aan als ingestudeerd en dat maakt de films erg levensecht, alsof je op café zit tussen de personages en je haast deelneemt aan de gesprekken die zich voor je ontwikkelen. De Before Trilogy (Before Sunset, Before Sunrise en Before Midnight) van David Linklater zijn hier schoolvoorbeelden van. Ik begrijp dat velen hier nerveus van worden: onzekere, hoogopgeleide twintigers en dertigers die met de nodige pretentie kunstzinnige dialogen voeren en lamenteren over het leven, terwijl ze toch een comfortabel leventje leiden. First world problems of eerder existentiële overpeinzingen van de moderne Westerse mens? Frances Ha is zo’n film die in 2012 uitkwam en werd geregisseerd door Noah Baumbach en door hem en zijn vriendin Greta Gerwig geschreven, tevens de actrice die met flair het hoofdpersonage Frances Ha speelt.

Frances Halliday, of Ha, is een 28-jarige danseres die met haar beste vriendin Sophie op een appartement in Brooklyn woont. Haar leventje in New York is een verhaal uit de duizend: huppelend van het ene feestje naar het andere, met de nodige uitdagingen timmerend aan haar carrière en een liefdesleven dat toch niet altijd je dat is. Frances legt zich er wat lacherig bij neer dat ze undateable is. Wanneer Sophie verhuist naar haar droombuurt Tribeca moet Frances wegens geldgebrek een andere slaapplaats zoeken en vind die bij Benji en Lev, twee, hoe raad je het, kunstzinnige vrienden – de ene beeldhouwt, de andere schrijft een script voor Gremlins 3 – die haar tijdelijk opnemen in hun flat. Haar relatie met Sophie geraakt in moeilijkheden door uiteenlopende levenswegen en gedurende lange tijd spreken ze niet meer met elkaar, terwijl ze bij de aanvang van de film zo onafscheidelijk waren. Ze maakt gebruik van haar nieuwe kredietkaart om naar Parijs te gaan, waardoor ze zichzelf in de schulden steekt en liegt haar beste vriendin Sophie, met wie ze zich dan toch verzoent, voor dat alles heel goed met haar gaat, hoewel ze niet genoeg geld heeft om bij te dragen in de huur en haar carrière in het slop geraakt. Uiteindelijk komt ze min of meer terug op het juiste pad terecht.

Voor de plot hoef je deze film niet te zien: er is geen bijzondere clou of verhaallijn die de film opmerkzaam maakt. Het gaat over een aaibare twintiger in een miljoenenstad die haar leven probeert te leiden zoals ze dat wil, maar daar niet altijd in slaagt. “I’m not a person yet” roept ze uit en daar raakt ze aan de kern van het twintiger zijn: ze heeft nog geen definitief en netjes afgebakend leven voor zich en al lijkt ze ambitie te koesteren om carrière te maken lijkt ze ook te genieten van dat onbestemde heen en weer zwalpen tussen feestjes, jobs om de eindjes aan elkaar te knopen en willekeurige vriendschappen te sluiten met mensen die ze gaandeweg ontmoet. Ze neemt het leven niet serieus en dat charmeert haar.

Als ik even héél kort door de bocht mag gaan kan ik deze film hipstercinema noemen omdat de setting daarvoor een binnenkopper is: feestvierende kunstzinnige twintigers in New York die het leven op een of andere manier proberen te trotseren. Als ik hier achter de hoek ga kijken op het Mechelse Plein loopt het vol met die types. Ik hoor er niet helemaal bij, maar mijn culturele smaak loopt er wel mee gelijk en met die mensen kan je interessante discussies voeren. De film is hoogst herkenbaar omdat het gaat over opgroeien en al kan je Frances bij momenten een tikje infantiel vinden, vergeef je dat haar omdat haar aanmodderen niet veel anders is dan hoe wij vaak door het leven gaan, ook al proberen wij dat maar al te graag te maskeren door een perfect leventje te leiden op de sociale media.

P.

 

Hugo Claus: “De geruchten” (1996)

hugoclaus

De terugkeer van René Catrijsse, deserteur uit de koloniën en verwekt door een Vlaamse Obergruppenführer in de onzalige jaren veertig, veroorzaakt de nodige commotie in zijn Vlaamse geboortedorp Alegem. Het is een tamelijk gesloten dorp nabij Waregem, waarin de achterklap sterk aanwezig is en iedereen elkaar kent. Zijn komst veroorzaakt een reeks noodlottige incidenten die door de bewoners van het dorp als een “pest” beschrijven, veroorzaakt door de verloren zoon en zijn kompaan en mededeserteur Charlie. Beetje bij beetje kom je achter het schokkende verhaal van de onfortuinlijke René, die niet meer weet te aarden in het dorp dat hij een aantal jaar eerder verliet. Alles zit hem dan ook tegen: zoon van een moffenhoer, deserteur en verspreider van een mysterieuze ziekte uit de tropen. Twintig jaar later vertelt zijn broer Noël, die in zijn jeugd door moeder Alma op zijn hoofd is gevallen en als achterlijk wordt bestempeld, een gruwelijk verhaal dat tot een climax komt.

“De geruchten” is in eerste opzicht een bezinning over twee onverwerkte verledens: het trauma collaboratie waarover Claus reeds in onder andere “De verwondering” (1962) en “Het verdriet van België” (1983) heeft geschreven en het andere gaat over ons koloniale verleden in Kongo, waarover de protagonist van het verhaal minder fraaie dingen laat vallen. Een belangrijke rol speelt de Kap, de aanvoerder van René en Charlie die hen tot gruwelijke misdaden heeft aangespoord in Kongo, maar terug in het thuisland de bescherming heeft van hogerhand en alles in de doofpot wil steken. Daarnaast is het ook een herkenbare blik op het gesloten en bekrompen Vlaamse dorp, een orde van de schone schijn dat het deksel over de beerput aardig goed dicht heeft gemetseld. Claus wil laten zien dat zo’n deksel af en toe wel eens opengetrokken kan worden.

De verhaalstijl is een reeks korte hoofdstukken, waarbij telkens het perspectief wordt verschoven naar een ander personage. Op die manier krijg je snel het sociale weefsel van Alegem onder de loep, waardoor je met ieder hoofdstuk de nodige eindjes aan elkaar kan knopen. Dat maakt het boek overzichtelijk, al weet Claus deze perspectiefwisseling niet altijd consistent aan te houden en zie je in plaats van dat ene personage eerder Hugo Claus in de regiestoel zitten en het personage woorden in de mond leggen. Noël, de broer van René, die door een ongeval in zijn kinderjaren problemen heeft met zijn geheugen en als achterlijk wordt beschouwd, weet in beide delen verdomd scherpzinnig uit de hoek te komen en heeft in het tweede deel een geheugen waar ik soms jaloers op ben.

Een van de personages is het collectieve “wij”, dat je mag bekijken als het collectieve geweten van Alegem, namelijk de stamgasten van café Den Doofpot. “Wij” is telkens een plezier om te lezen, omdat Claus de gave heeft dialogen neer te pennen die ontzettend herkenbaar zijn wanneer je zelf een volkskroeg binnenstapt en aan de toog begint mee te praten over wat Jeanneke van de kapper zijn zuster haar schoonbroer heeft gezegd of met wie Elske van de bakker een affaire heeft. In die banale achterklap zit ook iets heel menselijks: onze nieuwsgierigheid heeft een aandoenlijke zijde, maar ook een schijnheilige. Die mentaliteit brengt Claus op een sublieme wijze aan het licht, zoals eerder genoteerd in deze blogpost.

Het geheel bestaat uit twee delen, waarvan het ene deel een half jaar in 1966 beslaat en het andere een vraaggesprek is tussen Noël en een oud-politiecommisaris. René is dan verdwenen en zijn broer denkt dat hij vermoedelijk ergens in Afrika rondzwerft. De lezer weet tegen dan wel anders. Dieu le veut. Bij aanvang van het tweede deel verwacht je dat de verhaallijn van twintig jaar eerder opnieuw wordt opgenomen, maar die komt er later pas bij kijken. Wat er juist in gebeurt ga ik niet verklappen, maar het is begrijpelijk dat Die Zeit op de achterflap van het boek spreekt over het “donkerste juweel onder al zijn romans”. Het onvoltooide verleden krijgt daar zijn bekomst. Vooral in het tweede deel weet Claus de spanning te doseren en er haast een thriller van te maken.

Ik voelde me af en toe op café in een Vlaams dorp bij het lezen van de roman, althans zeker het eerste deel, en hoewel ik op dit moment in het historische centrum van Antwerpen woon kan ik mij perfect inbeelden dat ik in een café achter de hoek dezelfde “geruchten” mag horen over mensen hier in de buurt als in een typisch café aan de dorpskerk. Ook buiten de romans wordt gesproken over onverwerkte verledens, of dat nu collectieve trauma’s zijn of hoogstpersoonlijke verledens die amper ter sprake worden gebracht, tenzij tussen pot en pint, waarbij de alcholische roes remmingen losmaakt en oude spanningen even vrij laat. Dat “wij”-perspectief dat Claus hier en daar bijhaalt om de eindjes aan elkaar te knopen is misschien gewoon jij en ik, die samen aan de toog zitten van het café hier achter de hoek om op verhaal te komen.

P.

 

Nino Haratischwili: ‘Het achtste leven’ (2014)

Georgie (71 van 151).jpg

Foto van de auteur

Aan Georgië hou ik fantastische herinneringen over – op een verkeerd op de maag belande partij khinkali en een overdosis tsjatsja na is het een machtige bestemming. Het gaat niet alleen om een land met een onwaarschijnlijk mooi stel bergen en een rijke oeroude cultuur, maar bovenal hebben de mensen mij verrast met hun onvervalste gastvrijheid en charmerende nonchalance. De ontspannen cafécultuur van Tbilisi, de dronken winkelier Davit die me uitnodigde om liters  zelfgemaakte wijn te drinken en dan heb je nog hier en daar het goedkeurende oog van een schalkse Stalin, dit allemaal temidden van een grandioze natuur. Er is een gezegde uit de Koude Oorlog dat slechte Sovjets naar de hel gaan en goede Sovjets naar Georgië. Toen ik daar was, begreep ik wat ze daarmee bedoelden. Toen mijn oog dus viel op een Georgisch familie-epos van de fictieve familie Jasji over een periode van meer dan een eeuw, ofwel 6 generaties, dat wordt vergeleken met Tolstoj en maar liefst 1200+ pagina’s telde, kon ik me niet inhouden.

Het verhaal neemt zijn aanvang in 2006, waar Nitsa, de vertelster, het verhaal van haar familie vertelt aan Brilka, haar nichtje dat op bezoek kwam en wegglipt om op haar eentje naar Wenen te gaan. Ze begint haar verhaal met Anastasia ‘Stasia’ Jasji, de dochter van een succesvolle chocoladefabrikant, in een klein Georgisch stadje aan de grens met Azerbeidzjan in het tijdperk van tsaar Nicolaas II. Haar vader wist met een geheimzinnige kruidenmix een sublieme warme chocolade te maken die in het verhaal van de familie een belangrijke en soms onheilspellende rol speelt. De familiegeschiedenis van de Jasji’s neemt ons meer dan eeuw op sleeptouw, niet alleen in de Sovjet-Unie en de Kaukasus, maar ook naar het hippe Londen van de sixties en seventies en de Praagse Lente van 1968, waar Kitty Jasji, oudtante van Nitsa, een onverwachts icoon wordt van het verzet tegen het regime. De personages ervaren de enorme impact van historische gebeurtenissen: bloedige wereldoorlogen, verscheurende burgeroorlogen, de opkomst en val van de Sovjet-Unie zijn in hun geheel te omvangrijk om in éen boek te omschrijven, laat staan dat ik het in een recensie kan doen. Het is heel wat, geloof me.

Voor het eerst wist ik mijn weg te banen in de waterval aan namen en bijnamen in het verhaal, zonder dat ik daarvoor telkens naar de achterste pagina’s moet zoeken wie juist nu weer die of deze persoon is. Dat heeft te maken met de wijze waarop Haratischwili elk personage een eigen stem heeft gegeven en een heldere vertelstijl heeft. Ieder hoofdstuk mag de naam dragen van een personage waarop de focus ligt, ze weet toch alle andere personages naadloos te verweven in het verhaal, dat op een flashback na mooi chronologisch is gestructureerd. Soms werd ik zo meegezogen in het verhaal dat ik het betreurde dat de jaren leken te vliegen en zo het einde betekenden van personages die ik graag nog beter had leren kennen.

Tussen de stamvader en Brilka zit een enorme brok geschiedenis. Gelukkig heb je nooit het gevoel dat die door je strot word geramd en weet Haratischwili het juist te doseren. Er zijn ook geen lange geschiedfilosofische mijmeringen à la Oorlog en vrede te vinden, die zijn kort gehouden, maar krachtig genoeg om je zelf aan het denken te zetten. Haratischwili weet je bovenal de ervaring van die dramatische geschiedenis mee te geven waardoor je je betrokken voelt tot het verhaal. De verbolgingen over de autoritaire Kostja en tegelijk medelijden met de man die zijn tanende macht en het verval van zijn carrière maar moeilijk kan verkroppen, de tragische levensloop van de mooie Christina en de vrijgevochten Kitty of de manier waarop Stasia er iedere keer in slaagt de oorlogsfronten te trotseren om haar geliefden op te zoeken worden zo krachtig geschreven dat de geschiedenis die erbij komt te kijken er als zoete koek in gaat. Ze weet ook met de nodige nuance het leven onder het communisme te beschrijven. In plaats van de klassieke rigiditeit aan te kaarten, beschrijft ze hoe ambigue het Sovjetregime was.

Een mooie symboliek in het boek is het verhaal van de wandtapijt, verteld door Stasia aan achterkleindochter Nitsa, de vertelster van het verhaal. We vormen allemaal draden van een wandtapijt en zichzelf zijn we maar een klein deel, maar als je ze in hun samenhang bekijkt ontdek je patronen. ‘Tapijten zijn geweven van verhalen’, legt Stasi uit. ‘Dus moet je ze bewaren en onderhouden. Ook al heeft dit tapijt jarenlang ergens ingepakt gelegen en als voer voor de motten gediend, het moet nu herleven en ons zijn verhalen vertellen. Ik weet zeker dat wij er ook in verweven zijn, al hadden we daar geen idee van.’ Het tapijt is een metafoor voor het verhaal van de mensheid en elke draad is verbonden met duizenden verhalen.

Al bij de Tolstojvergelijking wist ik dat deze roman een soapgehalte zou hebben. Dat is bij familiegeschiedenissen misschien onvermijdelijk, maar ik zie dat niet als een slecht punt. Een mensenleven bestaat nu eenmaal uit het delen van lief en leed en die banaliteit vanwaar we in eerste instantie juist willen vluchten als we een boek vastnemen. Dat maakt een verhaal ook levensecht: je kan geen psychologische diepgang krijgen in een verhaal waarin het hoofdpersonage geen verveling kent of de keuzes van zijn leven betreurt en de grillen van het lot ondergaat. De personages in Het Achtste Leven zijn uit het leven gegrepen, hun karakterontwikkeling is herkenbaar. Zo ervaar je met hen het aan diggelen liggen van dromen, leer je het opportunisme begrijpen van sommige personages zoals de stugge houding van Kostja die zijn familie wil beschermen en tegelijk ook in dezelfde lijn probeert te krijgen. Het leven is aanmodderen en met wat geluk krijg je ergens vaste grond waarop je een gelukkig bestaan weet uit te bouwen. Het is echter geen zekerheid dat dit geluk blijft voortbestaan, want morgen kan het gedaan zijn.

Ik heb Georgië nog beter leren kennen dankzij dit boek. Het is een frappant land waar twee van de grootste beulen van de wereldgeschiedenis vandaan komen, Beria en Stalin, maar ook een ontzettend gastvrij en trots volk dat ondanks het leed, de onderdrukking, het verdriet en de niet geheelde wonden het glas heft en elkaar toedrinkt. Ja, zij hebben kleine kantjes maar wie heeft die niet? Het paradijs dat de Sovjets hebben gezien in Georgië is er ondanks de rode eeuw vol tegenstrijdigheden wat mij betreft nog altijd te vinden. Geen tijd of geld om naar daar te gaan? Dan is dit boek een goed plan B.

P.

Hugo Claus: ‘De verwondering’ (1962)

4e113d91-9ec8-11e7-bbe7-02b7b76bf47f

Na het lezen verwondert het mij niet dat Hugo Claus aan dit boek moest ploeteren om het af te krijgen, dat zes jaar na zijn roman ‘De koele minnaar’ (1956) verscheen. Bij publicatie in oktober 1962 zei hij dat hij ‘De verwondering’ beschouwde als zijn eerste boek: ‘Al mijn vorige boeken zijn geschreven in twee maanden: beginnen en stoppen, afgelopen. Deze manier van werken blijkt me de laatste jaren onmogelijk. Ik kan dat niet meer.’ Niet dat hij in die zes jaar stil zat: naast romans publiceerde Claus ook poëzie- en verhalenbundels, deed vertalingen en toneelwerk. ‘De verwondering’ lag al vanaf 1955 in de stijgers. Enkele thema’s en ideeën werkte hij uit in toneelstukken, zoals ‘Het lied van de moordenaar’ dat in 1957 in Rotterdam in première ging. De setting met het uiteindelijke boek verschilt, maar het personage Crabbe, waarrond ‘De verwondering’ voor een stuk draait, komt daarin reeds tevoorschijn. Het boek, zei Claus, zou gaan over de psycholische nainvloeden van de oorlog in West-Vlaanderen, waar veel collaboratie was met de Duitsers. Hij probeert de houding te belichten, maar niet in een beschuldigende of verontschuldigende zin. Bij publicatie verwachtte bij tegenstand van zowel de ‘witten’ als de ‘zwarten’.

Het thema is niet verwonderlijk, omdat Claus zelf een kind van de collaboratie was en zijn vader, de drukker Jozef Claus, actief was in het VNV en zijn persen liet draaien voor de bezetter. Later zei hij dat hij in de oorlogsjaren als kind ‘op een verschrikkelijke manier pro-nazi’ was. Het Vlaamse nationalisme was hem met de paplepel ingegeven. Je voelt me dus al aankomen: er zit een stuk persoonlijke verleden van Claus verstopt in het boek. Zo is er de parallel tussen de vervolging van groothandelaar Richard Harmedam in het boek met de vervolging van de Kortrijkse collaborateur Louis Desmet in mei 1945. Deze werd, net zoals in het boek bij Harmedam, verplicht een standbeeld te kussen voor de gevallenen van de vorige wereldoorlog, waarna een vrouw hem op zijn gezicht stampte en zijn gezicht vermorzelde op het beeld. Een offer op het altaar van het vaderland. Claus probeert te achterhalen waarom hij zich als kind gemakkelijk liet inpalmen voor de totalitaire verleiding. ‘De verwondering’ is dan ook een van de meest geanalyseerde werken van Claus, omdat het, mede dankzij de moeilijke toegankelijkheid, meer versleuteld is dan het meer expliciet autobiografische ‘Het verdriet van België’.

Victor-Denijs De Rijckel is een leerkracht die een buitenstaander is. Hij wordt niet op prijs gesteld en in zijn schoolomgeving wordt die afwijzing van zijn persoon vertegenwoordigt door de Prefect, een autoritair figuur die De Rijckel misprijst omwille van diens abnormale gedrag. Op een gemaskerd bal leert De Rijckel een mysterieuze vrouw kennen die hij achterna reist naar Almout (naar Alamout, het kasteel van de Assasijnen), een geheimzinnig kasteel waar, jaren na de val van Hitler, nog wordt gerouwd om een Vlaamse SS’er genaamd Crabbe, die als de ‘Aanvoerder’ en ‘Kameraad’ wordt verheerlijkt en veel weg heeft van Reimond Tollenaere, die na zijn dood in 1942 aan het Oostfront al snel een martelarenstatus kreeg. Al snel merkt De Rijckel dat hij, die aanvankelijk voor een Nederlandse geleerde wordt beschouwd, ook in dit milieu niet op veel genade mag rekenen. Op deze manier toont Claus aan dat er geen zwart-wit onderscheid te maken is tussen de verlichte democratie en het irrationele nationalisme. De rationele orde van de Prefect en de mythomanische orde van Crabbe zijn aan elkaar gewaagd en voor De Rijckel even onderdrukkend. Daarom wil De Rijckel zich terugtrekken in de ‘verwondering’, wat de titel van het boek verklaart: hij komt zijn zwakheid en tekortkomingen onder ogen. De verwondering is de toestand van de mens voor het denken, ze draagt de hoop van een nieuw perspectief in zich zonder zich kritiekloos neer te leggen bij het ene of andere paradigma.

Ik  – en ik zal daar niet alleen in zijn – heb het boek ervaren als een moeilijke noot om te kraken, omdat het een experimentele roman is met een onbetrouwbare verteller. Claus neemt je mee op sleeptouw in een oerwoud van taal, waar je maar moeilijk een weg kan vinden en daarnaast weet je niet in welke tijdlijn je je bevindt. Het helpt ook niet wanneer je weet dat de verteller in een psychiatrische instelling zit en daar zijn verhaal vertelt. Verleden en heden vloeien door elkaar heen. Je kan dus niet vertrouwen op de verteller, die ongerijmdheden laat vallen in zijn verhaal en die je dwingt zelf een weg te zoeken in het labyrint dat Claus heeft gemaakt. Deze zou tijdens het schrijfproces inspiratie hebben gevonden in ‘Ullyses’ van James Joyce, een werk dat met gemak in de top vijf van ongelezen meesterwerken beland. Het is dus geen verrassing dat ‘De verwondering’ een dankbaar onderzoeksonderwerp is.

Het probleem met deze experimentele romans is dat je ze niet zomaar even gaat lezen in de zetel – en dat is net wat ik altijd doe. In een ideale situatie zet je je er een hele dag aan met een notitieboekje naast je en ga je in een leesgroep stuk per stuk bespreken om er alles uit te halen. Wanneer ik het nawoord van Kevin Absillis lees, besef ik dat ik bepaalde stukken helemaal anders had geïnterpreteerd of er niet uithaal wat hij er wel uithaalt. Dan kom je tot “aha!’-momenten en voel je jezelf dom omdat de symboliek – de meeuwen verwijzen naar Rodenbach en Blauwvoeterie – zo voor de hand ligt. Bovenal heeft het nawoord me geholpen een rode draad te zoeken in het verhaal.

Ik voel mezelf al aankomen: ik ga dat boek nog eens moeten lezen, in de hoop dat ik het kan herontdekken. Dit is een werk dat je in één keer niet hebt gelezen (of niet kan lezen).

P.