TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Categorie: Zwerflust.

Hit & Run (zoals in dS Weekblad)

Gebaseerd op een format in dS Weekblad:

Wat is uw vroegste herinnering?

Mijn bomma die in de Fort II-straat te Wommelgem een grote kom verse dampende pudding (of was het rijst?) voor mij houdt.

Welke levende persoon bewondert u het meest, en waarom?

Mijn lief. Hoe houdt ze het toch vol?

Wanneer was u het gelukkigst?

Aan de tombe van Hafez in Shiraz, Iran op een vrijdagavond. Ik ervoer toen plots een extatisch moment dat ik (nog) niet heb kunnen overtreffen.

Wat is uw grootste angst?

Uitdoven. Geen zin meer hebben in iets. Geleefd worden.

Wat is uw meest onhebbelijke karaktertrek?

Dat zou je aan mijn lief moeten vragen, maar ik denk dat mijn nonchalance mensen op de zenuwen kan werken.

Welke eigenschap stoort u het meest bij anderen?

Oppervlakkigheid.

Wat is uw dierbaarste bezit?

Mijn leren Chesterfield oorfauteuil. Toevallig tegengekomen en ik was op slag verliefd. “Daar ga ik oud in worden” zei ik toen. Het is inmiddels mijn troon geworden van waaruit ik de wereld glansrijk bestier.

Kent u een gedicht uit uw hoofd of een passage uit een boek?

And the days are not full enough/and the nights are not full enough/and life slips by like a field mouse/not shaking the grass van Ezra Pound.

Wat maakt u ongelukkig?

Tijdverspilling door dingen die je moet doen en daardoor geen tijd meer overhouden voor de dingen die je wil doen.

Als u iets dat uitgestorven is, zou kunnen terugbrengen, wat kiest u dan?

Dinosaurussen en traditionele ommetochten met zwarte duivels waarbij onwennige omstaanders worden afgeranseld.

Wat was de beste kus van uw leven?

Elke eerste kus met een nieuw lief.

Wat is uw foutste ‘guilty pleasure’?

Superheldenfilms.

Wat bent u verschuldigd aan uw ouders?

Een warm nest.

Hebt u ooit ‘ik hou van u’ gezegd zonder het te menen?

Ja, toen ik nog niet wist wat ‘houden van’ betekende.

Wat was uw ergste job ooit?

Opdienen op een schoolfeest.

Wat was uw grootste teleurstelling?

Dat mijn beroepsleven nog niet is geworden wat ik vijf jaar geleden had voorzien.

Noem één ding dat de kwaliteit van uw leven zou verbeteren?

Meer tijd om te kunnen wijden aan de zaken die mij boeien.

Wat beschouwt u als uw grootste prestatie?

Ik hoop ooit een boek uit te geven, tot het zover is beschouw ik het een prestatie te zijn wie ik ben.

Wat is de belangrijkste les die het leven u heeft geleerd?

Perspectief krijgen.

Waar zou u momenteel het liefst willen zijn?

In een ongenaakbaar berglandschap in Centraal-Azië, hoog verheven boven de alledaagsheid.

Wat is uw favoriete geur?

Herfst en die dampende kom die de bomma voor mij hield.

Tegen wie zou u het liefst sorry zeggen, en waarom?

Aan mijn ouders tijdens mijn tienerjaren, dat moet vast niet gemakkelijk zijn geweest.

De liefde, hoe voelt dat?

Warm.

Hoe komt u tot rust?

Een goed boek, gezeteld in mijn Chesterfield, gezegend met een goed glas alcohol, John Coltrane of Bach op de achtergrond en mijn lief die slaapt in de zetel. Harmonie.

Van welke gewoonte zou u graag af willen?

Mijn nonchalance, net de onhebbelijkheid die ik zo koester.

Wanneer hebt u voor het laatste gehuild, en waarom?

Gehuild van het lachen bij een film, eerder dit jaar.

Wat is het dichtste dat u ooit bij de dood bent geweest?

De laatste dagen van mijn grootouders, waarvan er twee op korte tijd na elkaar zijn heengegaan. De dood is de genius van het leven, las ik eens. Daar zit wat in: pas wanneer de dood ons aankijkt, kunnen we stilstaan bij de waarde van het leven.

Wat houdt u wakker ’s nachts?

Een irritante keel wanneer ik verkouden ben, buiten dat zijn de armen van Morpheus bijzonder bevorderend voor mijn nachtrust.

Welke song mogen ze spelen op uw begrafenis?

Twee nummers. Het magistrale ‘Funeral Canticle’ van John Tavener en om af te sluiten ‘Always look on the bright side of life’. Op een begrafenis mag er ook een leven gevierd worden.

Hoe wilt u herinnerd worden?

Als iemand die wat interessants te vertellen had.

P.

Advertenties

Over boeken

1) Ben je verslaafd aan boeken kopen?
Ik heb een heel sterke drang om boeken te kopen, ook al maak ik mezelf na een zoveelste aankoop wijs dat ik eens een bibliotheekkaart moet aanschaffen. Een zinnig excuus is dat een boek mijn huisdecor verrijkt: ik ben immens fier op mijn boekenwand annex privébibliotheek. Een huis waar boeken domineren boven een big ass TV is een huis met een ziel, denk ik dan in de trant van Cicero. Of om het met een cliché te zeggen: mijn boekenkast laat zien wie ik ben. Ebooks spreken me niet aan, het boek als een materieel object is van belang omdat het een fysieke ervaring is: de zwaarte van een boek, het omslaan van een pagina, de bedwelmende houtgeur van oudere boeken zijn onmisbare zaken. Het gaat zelfs zo ver dat ik een goed boek streel wanneer ik de pagina’s opensla, net zoals je een hond aait na braaf gedrag aai ik het boek door een straf geformuleerde zin, een rake gedachte of een onthullende plottwist.
 
2) Wanneer koop je meestal boeken?
Als de gelegenheid zich voordoet. Als ik een auteur goed vind koop ik er meerdere boeken van en probeer op te zoeken wie deze heeft geïnspireerd of wie deze inspireert. Het kan zijn dat ik een hele maand geen boeken koop, maar ik kan op een week tijd meerdere boeken kopen. Er was een tijd dat ik regelmatig een bezoekje bracht aan Leon, die een aanlokkelijk antiquariaat heeft aan de Wolstraat en me weet te paaien met literaire tips, maar dat is al even geleden. Geen nood, Leon, ik kom nog wel eens terug met een rijk gevulde geldbuidel en ik hoop dat je nog wat zeldzame Jüngers in petto hebt.
 
3) Hoeveel boeken koop je meestal per keer?
Dat hangt af van het budget dat ik mijzelf opleg. Geef me een bon van 50 euro en ik dartel tussen de boekenrekken en kom af met een stapel – tenzij ik een klepper kies van 50 euro, dan is het maar eentje. Er is dus geen meestal, soms eentje, soms geentje, soms een hele roedel bij elkaar. De laatste tijd gaat het om enkelingen omdat de kastruimte me daartoe dwingt.
 
4) Ga je meestal alleen boeken kopen of met iemand samen?
Meestal alleen, soms met iemand samen. Ik heb geen specifieke voorkeur, maar neem wel graag mijn tijd en kan soms lang twijfelen over een aankoop.
 
5) Wat trekt je aan in een boek?
Een boek opent werelden, schept perspectieven, prikkelt mijn fantasie, doet ideeën ontwikkelen of brengt klaarheid in je eigen gedachten. Lezen houdt me intellectueel scherp en wapent me tegen elke vorm van geestelijke afstomping, breekt de dagelijkse routine en geeft me een behaaglijk gevoel. Het voelt aan als thuiskomen na een lange dag werken of net als op reis gaan wanneer het werken je teveel is geworden, in beide gevallen dus een zeer welgekomen verpozing.
 
6) Is er een specifiek genre waar je meteen naartoe trekt in de boekwinkel?
Ik ben een veelvraat en beperk me niet tot een bepaald genre zoals detectives of ontspanningsliteratuur. Als ik mijn boekenkast vluchtig bekijk zie grote klassiekers, historische monografieën, kortverhalen, filosofische werken, dichtbundels, kunstboeken, graphic novels, dagboeken, … Ze staan er allemaal: Dikke Russen, Melancholische Roemenen, Peinzende Duitsers, Luidkeelse Amerikanen, Gothische Britten, Scherpzinnige Japanners, Volkse Vlamingen, Gedurfde Ollanders, Grofgebekte & Fijnbesnaarde Fransen, Dronken Perzen…
 
7) Koop je boeken liever nieuw, tweedehands of maakt het niet uit?
Ik snuister het liefst in tweedehandswinkels, omdat gerafelde exemplaren een geschiedenis met zich dragen. Zo heb ik een DDR-publicatie van de werken van Schiller die rijkelijk zijn voorzien van kritische bedenkingen bij de inleiding die de Duitse schrijver probeert te zien als een protosocialistische denker. Sommige boeken in mijn bezitting zijn bijna 100 jaar oud en hebben een fantastische geur, ook niet onbelangrijk. Een nieuw boek kan ook zijn charmes hebben, zoals de prachtige uitgaves van Spenglers’ behaaglijk-pessimistische De ondergang van het Avondland of Mann’s machtige Jozef en zijn broers, of antiquaire hebbedingetjes zoals Ernst Jüngers’ sublieme Parijse dagboeken die zo gegeerd zijn in de Nederlandse vertaling. Er hangt een prijskaartje aan, maar ze zijn elke cent waard.
 
8) Hoeveel geef je per maand gemiddeld uit aan boeken?
Vroeger dacht ik mijn fietsvergoeding te hanteren als maatstaf van mijn maandelijks budget, maar dit varieert omdat ik mezelf soms een koopverbod opleg. Boeken kosten geld en er is meer in het leven dan boeken kopen (ook al zijn er zoveel pareltjes te ontdekken).
 
9) Heb je jezelf wel eens een shopverbod opgelegd?
O ja, al veelvuldig en iedere keer weet ik mijn eigen verbod te overtreden.
 
10) Hoe lang duurt het voor je in een boek begint dat je hebt gekocht?
Dat varieert van vrijwel meteen tot enkele jaren. Zo heb ik jaren gewacht tot ik begon aan East of Eden van John Steinbeck en het is natuurlijk tijdens zo’n leeservaring dat je jezelf voor het hoofd kan slaan dat je zolang hebt gewacht om het boek vast te grijpen. Zo zijn er nog andere boeken die al een tijdlang wachten op hun tijd. Ik herlees ook vaak boeken, sommige jaarlijks op een vast tijdstip (Karamazovweelde!), anderen wanneer ik er om een of andere reden zin in heb gekregen.
 
11) Koop je liever meerdere voordelige dunne boeken, of één duur en dik boek?
Dat hangt af welke boeken het zijn. Ik wacht al lange tijd om Parerga & Paralipomena van Schopenhauer te kopen, maar het dure prijskaartje schrikt me af. Een of twee keer per jaar durf ik meer dan de gemiddelde prijs geven aan een boek, maar die zijn het dan ook echt wel waard. Gelukkig zijn er ook vele mooie goedkope uitgaven te vinden, zoals Penguin Classics.
 
12) Heb je nog iets te zeggen over je boekverslaving?
Opgeslokt worden door een boek zonder achting te nemen op wat er rond mij gebeurt is mij niet ongekend. De werelden die door boeken worden geopend zijn mateloos boeiend – vandaar die hardnekkige leesverslaving, maar dat geldt ook voor de Grote Boze Wereld daarbuiten. Om van het leven te genieten ga ik af en toe dat boek eens opzij moeten leggen.
 
13) Welke boeken heb je als laatste gekocht?
Murakami’s De kleurloze Tsuruku en zijn pelgrimsjaren. Hoewel hij zijn landgenoot Yukio Mishima niet kan overtreffen, vind ik zijn boeken fantastisch om te lezen. Ik kijk er dus naar uit, maar eerst een tiende lezing van De broers Karamazov van Dostojevski. Dat is mijn jaarlijkse afspraak in de herfst.
 
P.

Spengler: de oorsprong van het hogere denken

Spengler

‘Van het vijfjarige jongetje naar mij is maar een stap. Maar van de pasgeborene naar het kind van vijf is een verbijsterende afstand’, heeft Tolstoj ooit gezegd. Hier, op dit beslissende punt van het bestaan, waar de mens pas mens wordt en zijn ontstellende eenzaamheid in het heelal leert kennen, toont zich de wereldangst als puur menselijke angst voor de dood, voor de grens in de wereld van het licht, voor de starre ruimte. Hier ligt de oorsprong van het hogere denken, dat in eerste instantie een nadenken is over de dood.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler over symbolen

Spengler

Symbolen zijn zintuiglijke tekens, laatste, ondeelbare en vooral ongewilde indrukken met een bepaalde betekenis. Een symbool is een trek van de werkelijkheid die voor wakkere mensen met directe innerlijke zekerheid iets betekent wat verstandelijk niet kan worden meegedeeld. Een Dorisch, vroeg-Arabisch, vroegromantisch ornament, de aanblik van een boerderij, van de familie, van het intermenselijke verkeer, klederdrachten en rituele handelingen, maar ook het gelaat, de manier van lopen en de houding van een mens, van hele standen en volkeren, de communicatievormen en woonvormen van alle mensen en dieren en bovendien heel de stomme taal van de natuur met haar bossen, grazige weiden, kudden, wolken, sterren, maanverlichte nachten en onweren, met bloeien en verwelken, nabijheid en verte – dat alles is een zinnebeeldige indruk die het kosmische maakt op ons die wakker zijn en die op momenten van inkeer die taal heel goed verstaan; en anderzijds is het gevoel de dingen dienovereenkomstig te begrijpen datgene wat families, stammen en ten slotte hele culturen uit de algemene mensheid licht en bijeenhoudt.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler: de geboorte en het sterven van een cultuur

Spengler

Een cultuur wordt geboren op het moment waarop een grote ziel uit de oerzielachtige toestand van de eeuwig kinderlijke mensheid ontwaakt, zich losmaakt, een gestalte uit het vormloze, iets begrensd en vergankelijks uit het grenzeloze en gelijkblijvende opduikt. Zij komt tot bloei op de bodem van een nauwkeurig te begrenzen landstreek, waaraan ze als een plant gebonden blijft. Een cultuur sterft als deze ziel al haar mogelijkheden in de gedaante van volkeren, talen, geloofsleren, kunsten, staten, wetenschappen heeft verwerkelijkt en terugkeert naar het oerzielenleven. Haar levende bestaan, de opeenvolging van grote tijdperken die strikt genomen de voortschrijdende voltooiing markeren, is echter een diep innerlijke, hartstochtelijke strijd voor het behoud van de idee tegenover de machten van de chaos van buiten alsook tegen het onbewuste van binnen, waarin die machten zich wrokkig hebben teruggetrokken. Niet alleen de kunstenaar vecht tegen de weerstand van de materie en tegen de vernietiging van de idee in hemzelf. Elke cultuur staat in diep symbolische en haast mystieke relatie tot de uitgebreidheid, tot de ruimte waarin en waardoor ze zich wil verwerkelijken. is het doel bereikt en de idee in al haar innerlijke mogelijkheden ten volle ontplooid en naar buiten toe verwerkelijkt, dan verstart de cultuur plotseling. Ze sterft af, haar bloed stolt, haar krachten breken – ze wordt civilisatie. Dit is wat we voelen bij de woorden ‘egypticisme’, ‘byzantinisme’ en ‘mandarijnendom’ en wat we daaronder verstaan. Zo kan ze, als een verweerde woudreus in het oerwoud, nog honderden en duizenden jaren lang haar vermolmde takken omhoogsteken. We zien het aan China, aan India, aan de wereld van de islam. Zo rees de antieke civilisatie van de keizertijd met een schijnbaar jeugdige kracht en weelderigheid reusachtig op en beroofde de jonge Arabische cultuur van het Oosten van lucht en licht.

Dit – de innerlijk en uiterlijke voltooiing, het ‘af-zijn’ dat elke levende cultuur te wachten staat – is de strekking van alle ondergangen van de geschiedenis. De ‘ondergang van de klassieke oudheid’ staat ons in grote lijnen het duidelijkst voor ogen, terwijl we de vroegste voorbodes van onze eigen ondergang, een wat verloop en duur betreft in elk opzicht vergelijkbare gebeurtenis, die de eerste eeuwen van de komende millennia zal beslaan, de ‘ondergang van het Avondland’, vandaag de dag al duidelijk in ons en om ons heen bespeuren.

Uit: De ondergang van het Avondland, Oswald Spengler (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017).

Spengler: ‘wiskunde is dus ook een kunst’

Spengler

De wiskunde reikt echter boven observeren en ontleden uit. Op haar hoogtepunten gaat zij visionair, niet abstraherend te werk. Van Goethe stamt ook de diepzinnige uitspraak dat de wiskundige alleen volmaakt is voor zoverre hij innerlijk de schoonheid van het ware ervaart. Hier zal men voelen hoe dicht het geheim dat in de essentie van het getal besloten ligt en het geheim van de artistieke schepping bij elkaar liggen. Hiermee komt de geboren wiskundige naast de grootmeesters van de fuga, de beitel en het penseel te staan, die zich eveneens die grote orde van alle dingen, die de alledaagse medemens van hun cultuur in zich draagt zonder ze echt te bezitten, in symbolen willen en moeten kleden, verwerkelijken en mededelen. Hiermee wordt het rijk van de getallen naast het rijk van de klanken, lijnen en kleuren een afbeelding van de wereldvorm. Daarom betekent het woord ‘scheppend’ op wiskundig vlak meer dan in de pure wetenschappen. Newton, Gauss en Riemann waren kunstzinnige naturen. Lees na hoe hun grote denkbeelden hun plotseling invielen. ‘Een wiskundige’, meende de oude Weierstrass, ‘die niet tevens iets zoals een dichter is, zal nooit een volmaakt wiskundige zijn.’

Uit: De ondergang van het Avondland, Oswald Spengler (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler: hun oudheid

Hun ‘oudheid’ vormde steevast de achtergrond voor een levensideaal dat ze zelf hadden geschapen en met hun hartenbloed hadden gevoed, een vat waarin ze hun eigen wereldgevoel konden uitgieten, een fantoom, een idool. In filosofische en poëtische kringen haalt men zijn hart op aan de gedurfde beschrijvingen van de drukte in de grote stad bij Aristophanes, Juvenalis en Petronius, aan de vuiligheid van het Zuiden en het gepeupel, het lawaai en de gewelddadigheid, aan lustknapen en courtisanes, aan de falluscultus en de caesarische orgieën – maar voor dezelfde realiteit in de huidige wereldsteden haalt men zijn neus op en gaat het klagend uit de weg. ‘In de steden is het slecht wonen: daar zijn te veel wellustige mensen.’ Aldus sprak Zarathoestra.

Uit: De ondergang van het Avondland van Oswald Spengler (Boom, Amsterdam, 2017)

1984 – “Doublethink”

1984_by_alcook-d4z39dh

To know and not to know, to be conscious of complete truthfulness while telling carefully constructed lies, to hold simultaneously two opinions which cancelled out, knowing them to be contradictory and believing in both of them; to use logic against logic, to repudiate morality while laying claim to it, to believe that democracy was impossible and that the Party was the guardian of democracy; to forget whatever it was necessary to forget, then to draw it back into memory again at the moment when it was needed, and then promptly to forget it again: and above all, to apply the same process to the process itself. That was the ultimate subtlety: consciously to induce unconsciousness, and then, once again, to become unconscious of the act of hypnosis you had just performed. Even to understand the word ‘doublethink’ involved the use of doublethink.

George Orwell, 1984

“Besides, Dorian, don’t deceive yourself”

Life is not governed by will or intention. Life is a question of nerves, fibres, and slowly built-up cells in which thought hides itself and passion has its dreams. You may fancy yourself safe, and think yourself strong. But a chance tone of colour in a room or a morning sky, a particular perfume that you had once loved and that brings subtle memories with it, a line from a forgotten poem that you had come across again, a cadence from a piece of music that you had ceased to play – I tell you, Dorian, that is on things like these that our lives depend.

Oscar Wilde, The picture of Dorian Gray

30. Het testament van mijn jeugd

30 jaar vertoef ik hier al en ik krijg dat nummer van Boudewijn De Groot maar niet uit mijn hoofd. Het geeft me een onweerstaanbare drang het testament van mijn jeugd op te schrijven want 30 is een kantelmoment en stemt me tot mijmeren. Heb ik wel alles uit mijn roaring twenties uitgehaald? Ik weet dat ik het verleden niet moet romantiseren, maar onbewust gebeurt dat toch door onze betrokkenheid met het verleden. Onze herinneringen zijn gestolde brokken tijd die steeds weer worden bijgeschaafd en met de jaren een fraaie naglans bekomen. Dat is dan weer de bekoring van de ouderdom: de wereld krijgt een grotere diepgang en bereik naarmate wij meer ervaren en inzicht krijgen.

Met dit testament hield ik me aanvankelijk vast aan een manifest dat ik 5 jaar geleden heb geschreven, maar het kreeg al snel een eigen leven. Hoe een overvloed van ideeën en inzichten uitmondt in een afgewerkte tekst is mij altijd een mirakel gebleken, maar het is me dan toch gelukt. Dit testament is bijgevolg een voertuig van zelfontdekking en wordt aangespoord door een kritische reflex die mij als mens eigen is. Het moderne leven is een maalstroom waarin ik een groot gevaar heb ontdekt: verstikking door maatschappelijk conformisme, een vormeloos bestaan en de blindheid voor de grote diepte van de wereld. De woorden van Friedrich Nietzsche omschrijven mijn existentiële onrust: “De woestijn groeit, wee hem die woestijnen in zich bergt!”.

I.

Ik was 14 en een teruggetrokken puber die zich niet altijd goed in zijn vel voelde. Dankzij een vriend belandde ik bij een lokale jeugdvereniging en vond via muziek een houvast. Mijn muzieksmaak was tevoren slechts bij momenten uitgesproken geweest, maar op dat beslissende moment ervoer ik de kracht van muziek. Niet alleen wist ik een geheel eigen smaak te ontwikkelen – mijn iPod bevat zowel rauwe, primitieve metal als zeer verfijnde barok, maar heeft muziek me ook doen ontwaken uit een lethargische toestand. Van een teruggetrokken puber evolueerde ik naar een zelfbewuste adolescent met een ontluikend wereldbeeld, bouwde een vriendenkring uit en proefde van de eerste liefde.

Ik was 19 en maakte de overstap van Marketing aan KdG naar Geschiedenis aan de Universiteit van Antwerpen. Deze academische scholing was een openbaring voor mij: de ideeën die ik had ontwikkeld werden bevrijd van hun dogmatische denkkaders. De zin voor nuance verbreedde mijn wereldbeeld en heeft me intellectueel sterk verrijkt. Er werd in mij een nostalgie verwekt naar een tijdperk dat ik niet gekend heb, maar wist ook mezelf en de gebeurtenissen rondom mij scherper te situeren in de wereld; ik heb geproefd van politieke denkbeelden, maar werd een wereld gewaar die stinkt naar rancune, hardnekkige oneerlijkheid en bittere afgunst; ik deed mijn eerste reiservaringen op, maar hunkerde bovenal naar meer; leerde Dionysos kennen en de onvermijdelijke muur die daarop volgt. Tot slot heb ik de waarde leren kennen van een goed gesprek op de meest uiteenlopende uren.

Ik was 26 toen ik besloot een appartement te kopen en het ouderlijke nest te verlaten. De drang om op eigen benen te staan was heel sterk geworden en ik verlangde naar een eigen omgeving. Tussen deze muren in de historische binnenstad van Antwerpen vind ik een thuishaven, een plaats waar de beklemming van de buitenwereld wordt geweerd en waar ik mezelf kan zijn. Naast deze heilige ruimte heb ik de wereld leren kennen in haar diversiteit en daaraan een niet afhoudende reishonger overgehouden. Ik voel mij beroerd door de heen en weer zinderende tonen van de Perzische tar en als ik mijn ogen sluit waan ik mij in een ongenaakbaar Safavidisch Esfahan of wordt de broeierigheid van de Cambodjaanse jungle gewaar wanneer ook hier de temperaturen de hoogte ingaan. Hoe kan ik ooit afscheid van nemen van die verre landen waar ik een stuk van mezelf ben verloren? Deze herinneringen koester ik nauw aan mijn hart en ben een hartstochtelijk ambassadeur voor de landen waar ik mijn hart ben verloren.

Ik ben 30 en maak het testament op van mijn jeugd en het getal bevreemd me. Naar de toekomst toe lokken vrouw en kind maar ik wil eerst aan het degustief beginnen van de roaring twenties voor ik de jaren dertig omhels met alles wat daarbij komt. Het pure, het rauwe, het authentieke ervaren, voelen dat ik echt leef. Alles lijkt echter troebeler te worden: vroeger leek alles helder en wanneer ik mijn eerdere schrijfsels lees lijkt het of ik, naarmate ik ouder word, een minder duidelijk wereldbeeld heb. Drijf ik alsnog weg in de maalstroom of klaart de troebelheid op? Daarom dit testament, een verfijning van en een aanvulling op het manifest dat ik vijf jaar geleden schreef.

II.

Things fall apart; the centre cannot hold

“The second coming”, W.B. Yeats

Mijn buikgevoel zegt me dat ons tijdperk uit haar lood geslagen en in verval is. In die zin zwem ik in tegen de stroom want ook al is het vooruitgangsoptimisme in postmoderne tijden niet meer gangbaar, toch is het nog altijd de pessimist die zich moet verantwoorden en niet de optimist. Toch ben ik voorzichtig met die termen, want het ene leidt tot een cliché van gemopper en verzuring en het andere tot naïviteit en blindheid. Zowel optimisme als pessimisme zijn uit balans, meent de Roemeense schrijver Emil Cioran. Een crisisbesef is niet enkel van deze tijd: beschavingen waren ook al in de oudheid onderhevig geacht aan een organische cyclus van opkomst, bloei en verval. Alles neigt naar entropie, naar chaos.

Er is echter niet veel om vrolijk over te zijn als je de balans opmaakt van ons tijdperk. Op geopolitiek vlak verschuiven de machtsverhoudingen drastisch en dat zorgt voor meer spanningen en breuklijnen. Stilaan evolueren we naar een multipolaire wereldorde, wat de huidige geopolitieke dynamiek op een hellend vlak zet. Grondstofschaarste is een grote uitdaging: steeds meer landen zien hun bestaande zelfvoorzienigheid afnemen door een toename van de vraag naar grondstoffen. Europa is bijvoorbeeld voor de import van zeldzame metalen bijna volledig afhankelijk van andere continenten, terwijl China ongeveer 85% daarvan in de bodem heeft zitten. Deze jacht heeft een ernstige impact op het milieu. Overbevissing, klimaatverandering en vervuiling zou volgens een studie van het IPSO leiden tot een grootschalige sterfte in de wereldzeeën, vergelijkbaar met de vorige massa-extinctie met de overgang van het Paleoceen op het Eoceen, maar deze roep, samen met andere klimaatgerelateerde waarschuwingen, valt in dovemansoren bij de beleidsmakers. In het slechtste geval zal de mensheid zichzelf niet overleven maar de aarde is een taaie tante en na de mensheid zal de fauna en flora herleven.

Onze maatschappij is doordrongen van de onwerkelijkheid, een illusoire, enclavistische sfeer geschapen door de mediawereld kleurt en beperkt ons perspectief op de wereld. De cultus van het Grote Gelijk zorgt ervoor dat we heel selectief omgaan met de informatie die ons wordt gegeven, ook al is er genoeg materiaal vrij beschikbaar om over ieder onderwerp een genuanceerd beeld te vormen. In debatten, op ieder niveau, zie je heel vaak mensen iemand iets verwijten waar zij zelf ook aan schuldig zijn. Er zijn weinig mensen die daar consistent in zijn en dat geeft een serieuze knauw in de geloofwaardigheid van een kritische publieke opinie. Het ideaal van de media als waakhond van de democratie wordt daarnaast ondergraven door de belangenvermenging met de entertainmentindustrie. “Kunt u het kort houden?” luidt de teneur van de heersende media, net daar waar meer duiding nodig is.

Ik mis de universiteitsjaren waar ik dag in dag uit werd geconfronteerd met boeiende ideeën en mijn wereldbeeld door woord en wederwoord wist aan te scherpen, aangemoedigd door het vloeiende bier. Dat lijkt nu verdwenen, ik ben de echte wereld ingedoken met al haar grillen en geneugten. Het arbeidsleven gaf me de financiële middelen om mijn dromen na te streven en een eigen leven op te bouwen, maar ik voel in mij de drang me intellectueel scherp te houden. De angst te verdommen is reëel, maar houdt me waakzaam. Ik heb nooit goed geweten wat ik wou doen of zijn – misschien omdat ik al ben of niet wil samenvallen met een beroep? Toch mag ik dromen van een toekomstige betrekking die me nauwer aan het hart ligt of alleszins de innerlijke rijkdom behouden die me schut van de maalstroom daarbuiten.

Misschien is het wel de kleinheid van de dagelijkse sleur die me afmat, de nakende dreiging van een kleinburgerlijk conformisme die mij beangstigt en het gevoel geen deel uit te maken van mijn generatie dat zo doet afkeren van mijn tijdspanne. Of wil ik mij niet vereenzelvigen met een generatie die de selfie, de safe space en de meme heeft grootgebracht? Ik voel me vervreemd van het aanhoudende geklaag van verzuurde tijdsgenoten of de frêle houding van mensen met een zelfverklaard positief aura die maar moeilijk tegen kritiek kunnen. Vandaar begrijp ik het oordeel van Cioran dat optimisme en pessimisme uit balans zijn, het levende bewijs dient zich dagelijks aan.

Zijn we dus gezien? Hebben we gewoon de brute pech in een tijd van verval geboren te zijn? Dat is zinsbedrog meent Zeno uit Marguerite Yourcenars’ L’oeuvre au noir: ‘Het is met jouw gouden tijden als met Damascus en Constantinopel, die mooi zijn van een afstand; men moet door hun straten lopen om hun melaatsen en hun gecrepeerde honden te zien. Jouw Plutarchus leert me dat Hephaestion volhield op vastendagen te eten als de eerste de beste ziekelijke veelvraat, en dat Alexander dronk als een Duitse huurling. Weinig tweevoeters sinds Adam hebben de naam mens verdiend.’ Dus neen, we hebben het nog niet helemaal verknoeid – ook al zitten we hier en daar aardig in de buurt – we modderen gewoon wat aan, zoals we dat altijd hebben gedaan. Groei, bloei en verval, allemaal heel organisch in elkaar overvloeiend. Dit besef hou ik goed in het achterhoofd. Ik ben een kind van mijn tijd en als vis in een bokaal slecht geplaatst om een finaal oordeel te vellen over mijn tijdperk.

IV.

“Welcome, O life! I go to encounter for the millionth time the reality of experience and to forge in the smithy of my soul the uncreated conscience of my race.”

A portrait of the artist as a young man van James Joyce

Ik ben een flâneur, een gepassioneerde toeschouwer die zich beweegt in de wereld en haar kwintessens probeert te vatten. Het is een aristocratische, haast solipsistische houding met de nadruk op een innerlijke verbeeldingskracht die me boven de massa verheft en me bewust maakt van mijn unieke visie op de wereld. Ik maak deel uit van de samenleving, maar voel me innerlijk vrij en ongebonden en wil niet zomaar zonder meer voldoen aan haar verwachtingen. Ik hecht geen geloof meer aan onwrikbare axioma’s en de -ismen als wonderkuren  waarvan ik weet dat zij gedoemd zijn tot falen. Onze maatschappij moddert immers niet meer of minder aan dan in het verleden want aanmodderen is onze condition humaine. Waar ik wel waarde aan hecht heb ik hieronder opgesomd. Zij zijn de brandpunten waarmee ik mijn perspectief heb weten te verruimen en mijzelf heb ontwikkeld tot … mijzelf.

Reizen

Het gebrek aan ruimte, een existentiele beklemming en de dagelijkse sleur wakkert mijn drang om te reizen aan, een dwaas heimwee doet mij verlangen naar verre horizonten waar het leven me waarachtiger toeschijnt. Ik heb dankzij de Perzen en Georgiërs ondervonden wat gastvrijheid is, de kwintessens van Heart of Darkness gevat in de Mekongvallei en een raadselachtige symbiose tussen traditie en moderniteit benijd in Japan. Couchsurfen trok mijn ogen open over andere culturen en de wijze raad van een droge Aussie die ik in San Francisco heb ontmoet kan ik aan iedereen die er op uit trekt meegeven: Why travel half around the world and say ‘no’?

Muziek

Zij levert verlichting of legt de nodige zwaarte in een moment; een kletterend drama met de hele santenboetiek of de zoete troost van een nachtegalenlied. Muziek schept een kosmische atmosfeer en staat de luisteraar toe de omgeving van zich af te sluiten, weg van nare verwachtingen en verstikkende conventies. Muziek is een heilige ruimte geworden, een tandem van melancholie en heling die me in een toestand brengt die onthecht is van de tijd. Ik licht de sluier op en zeg tegen mezelf: ‘kijk, hier voorbij alle blablabla, heb ik het leven gevonden.’ Tot vandaag is mijn smaak eclectisch, haast schizofreen, een vat vol verrassingen.

Bildung

Uit Oratio de hominis dignitate van Pico della Mirandola: “Ik heb u noch een vaste plaats, noch een eigen gelaat, noch enige bijzondere gave geschonken, o Adam, opdat gij naar eigen goeddunken uw plaats, uw gelaat en uw gaven zult kiezen, veroveren en bezitten. De natuur begrenst andere wezens door wetten welke ik heb ingesteld. Maar gij, die aan geen enkele grens gebonden zijt, gij zult door uw eigen wil, in de handen waarvan ik u heb geplaatst, uzelf bepalen. Ik heb u te midden van de wereld geplaatst, opdat gij beter kunt aanschouwen wat deze wereld bevat. Ik heb u hemels noch aards, sterfelijk noch onsterfelijk gemaakt, opdat gij vrijelijk en naar eigen oordeel, als goed schilder of een bekwaam beeldhouwer, uw gestalte zult voltooien.”

Literatuur

Ik kan er geen jaartal op plakken wanneer ik me in literatuur ben gaan verdiepen, maar het moet ergens aan het einde van mijn puberteit zijn geweest dat ik mijn eerste duik in de klassiekers heb genomen. Het is een verslaving geworden en al meer dan tien jaar aan een stuk lees ik almaar door aan een duizelingwekkend tempo. Doorheen de jaren heb ik een specifieke smaak ontwikkeld die zich uit in een uitgebreide collectie. Goede literatuur zoals mijn geliefde De broers Karamazov is tijdloos: eigentijds door de eeuwen heen. In literatuur wil ik het mens-zijn ontdekken; een immense diepte en een uitkijkpunt van waaruit ik alles rondom mij kan doorgronden; and drift in dreams of other lives and greater times.

Verwondering

Het bevreemd me dat mensen alles zo vanzelfsprekend kunnen vinden, net omdat ik zelf altijd een nieuwsgierige geest heb gehad. Voorbij de waan van de dag ontdek ik in het leven een diepte die mij doet verwonderen. Mijn subtiele jacht wekt ontzag op, maar ook onbehagen omdat de comfort zone waarin wij ons dagelijks wentelen, in contrast met die verdieping, zo verstikkend en oppervlakkig voorkomt. Het is de dromer in mij die zoveel waarde hecht aan de verwondering, omdat daarin de grote schoonheid van het leven is besloten. ‘Wanneer ons leven eindeloos en smarteloos zou zijn’, schreef Schopenhauer, ‘zou het misschien wel bij niemand opkomen te vragen waarom de wereld bestaat en is zoals ze is: alles zou dan vanzelfsprekend zijn.’

Kunst

Ik laat Hermann Hesse hier aan het woord over wat de kunst mij biedt, want ik weet het niet beter te verwoorden. “Dat was het overwinnen van de vergankelijkheid. Ik leerde inzien dat er van de klucht, de dodendans die het menselijke leven nu eenmaal is, iets overbleef, dat er iets was wat van duurzame aard was: de kunstwerken. Goed, daar komt ook weleens een einde aan, ze kunnen verbranden, ze kunnen aan slijtage onderhevig zijn of gewoon vernield worden. Maar toch zijn ze van langere duur dan een hele reeks mensenlevens, toch vormen ze voorbij de tijd, voorbij het ogenblik, een verstild rijk van voorstellingen en relikwieën. Ik heb zo het gevoel dat het iets goed is, iets waar troost van uitgaat, om daaraan je steentje bij te dragen, want je zou bijna kunnen zeggen dat het het vergankelijke vereeuwigt.”

Tijd

Door haar nauwe verwantschap met verval is de tijd de genius van het leven. Tijd is perceptie, zij heeft verschillende snelheden. De traditionele mens wist haar op een kwalitatieve wijze te ervaren door haar via de mythe en rituelen op te delen in ritmische intervallen. In het begin van de cultfilm Easy Rider ontdoet Henry Fonda zich van zijn horloge, een handeling die de bevrijding van het moderne, rationele tijdsritme symboliseert. Deze tijdsdilatatie bestaat ook in de natuur: op kleine schaal gaat het ons te snel en op grote schaal alles te traag. Wie bewust is van de greep die de tijd op ons heeft weet haar te arresteren: de schepping van een moment buiten de tijd waar het onvermijdelijke verval niet bestaat en waar de eeuwigheid eenvoudigweg stand houdt.

Historisch besef

Een historische opleiding gaf me een gevoel van diepte: alles waarmee wij in aanraking komen kan worden geplaatst in een historische context en dat gaat heel ver. Zo is onze alledaagse taal het resultaat van een lange tocht in de geschiedenis en kan je hedendaagse conflicten pas doorgronden door ze in een context te plaatsen. In plaats van de geschiedenis te beschouwen als een afgewerkt geheel ‘zoals het geweest is’, bepaalt onze omgang met het verleden onze blik op de werkelijkheid. Geschiedenis is continu in beweging, omdat wij continu met haar in dialoog staan. Het is een illusie dat we aan haar kunnen ontsnappen, want ook ons huis, dat bastion dat ons afschermt van de grote boze wereld daarbuiten, is een vergaarbak van het menselijke verleden.

Taal

De wereld heeft maar zin zolang we haar maar met taal kunnen bekleden. Via taal kunnen we alle fenomenen en indrukken we waarnemen in een verhaal gieten. En toch ontbreekt er iets aan taal, iets ontoereikends. Als de taal de wereld begrenst, waarom begrijp ik dan datgene wat ik niet onder woorden kan brengen? Ook Ernst Jünger zag dat in: ’Dan ervoer hij zijn ziel als een donker land ver van de mensen, rijk aan goud en andere zeldzame zaken en omgeven door een gordel van zielloos oerwoud ondernam hij evenwel een poging zich door het kreupelhout te wurmen, dan ontglipten zijn schatten hem onderweg en bracht hij slechts gelach of een kleurloos niets aan het licht.” Het intuïtieve bevindt zich in een domein voorbij de taal, zij emaneert een kosmisch geheim dat zich slechts sporadisch laat raden. Kon ik mijn brein maar koppelen aan een digitale copywriter, een seismograaf die bij de minste trilling mijn gedachten tot uiting brengt, dan zou men mij aan de hand van mijn stream of consciousness me als een heilige dwaas beschouwen.

Schrijven

Ik ben niet zo welbespraakt als ik zou willen zijn, maar bezit een zekere eruditie en maak mezelf wijs dat mijn gedachten op schrift klare taal spreken. Ik beeld me bij het schrijven graag in dat ik uit dat machtige bolwerk van taal woorden haal en probeer samen te smeden tot een zinvol geheel. Op die manier probeer ik dat kleurloze niets waarover Jünger sprak te vermijden. Daar is tijd voor nodig. Een goede tekst is als wijn en moet leven en zich ontwikkelen zodat ze de nodige diepte kan krijgen. Vers proza is nog wat ruw, zei Jünger, maar in de loop der jaren verwerft het patina, zoals onze herinneringen met de jaren een fraaie glans bekomen. Daarnaast is schrijven ook therapeutisch, ik voel welbehagen wanneer ik iets van me kan afschrijven. Toch blijft er een knagend “onaf” gevoel bij iedere poging tot schrijven.

Kosmische eenzaamheidskunde

Immanuel Kant heeft me duidelijk gemaakt dat iedere gewaarwording van ruimte en tijd die wij met onze zintuigen opvangen wordt gefilterd en geordend door ons kenvermogen. Onze wereld wordt dus opgebouwd door ons eigen bewustzijn, niet dat van een ander. Om die reden zijn mensen kosmisch eenzaam: alleen ik kan immers zien en interpreteren wat ik zie of ervaar, al wat buiten mijzelf komt is tweedehandsinformatie. Dat maakt dus dat er meer dan 7 miljard unieke visies zijn op het leven en evenveel werelden. Ik vind die gedachte fascinerend en koester die stille, eenzame momenten waar ruimte ontstaat om te mijmeren. Cato had gelijk: nooit is de mens meer actief dan wanneer hij niets doet, nooit is hij minder eenzaam dan wanneer hij op zichzelf is.

Het sacrale

Als kind nam ik zomaar aan wat men aan mij over God en Jezus vertelde en had ik na de catecheselessen schrik van Jezus, die mij ’s nachts stalkte in de vorm van takken van de boom aan het raam. Als puber flirtte ik met atheïsme en uit rebellie droeg ik een pentagram, zonder te weten waar dit voor stond. Later ontdekte ik een religieuze gevoeligheid in mij, met eerbied betrad ik Vrijdagmoskeeën in Iran, tempels in het Verre Oosten of liet me verbazen door de barokke pracht van Rooms-Katholieke kerken in Europa. Het religieuze maakt tijd en ruimte sacraal en overstijgt het louter menselijke. In De Kruisdraging van Hieronymus Bosch wordt Christus voorgesteld als de rots in de branding, onaangetast door al het bederf rondom hem. Dat is voor mij een religieuze oerervaring: de orde in een chaotische wereld. Ordo ab chao.

Bourgondië

Geluk, dat zit ook in kleine dingen die je smaakpapillen in vervoering brengen. Blauwe schimmelkaas met dadels bijvoorbeeld, gecombineerd met een smeuïge porto of een  romige barley wine. Ook de culinaire geneugten weten een sacraal moment uit te kerven in de maalstroom van de tijd. Dan waan ik mij als God in Frankrijk en weet ik zelfs nog jaren later te herinneren hoe krachtig de wijn in mij de levensgeesten wakker maakte of hoe de nazinderende smaak van whisky bepaalde gedachten in mij deed ontstaan die uiteindelijk in dit schrijven worden weerspiegeld. Ik investeer graag in mijn culinaire geneugten omdat zij mijn wereld ontzettend verrijken. Dan arresteer ik de tijd en wentel me in een kosmos van volmaakt geluk.

De anderen

Ik heb geleerd dat het loont nader tot elkaar te komen, want voorbij reserves en vooroordelen lonkt een ontzagwekkende psychologische diepte. Simpele zielen bestaan dus niet, enkel een gebrek aan perspectief. Kunstzinnige dromen zijn niet alleen te vinden bij mensen die grote artistieke verwezenlijkingen tot stand brengen, maar ook bij het “gewone” volk: de kassierster van de lokale Carrefour of de man die je vuilzakken ophaalt zijn – bewust of onbewust – waanzinnig creatief. Ook achter hun bezigheden schemert een grootse onbegrijpelijke wereld die de meest onbenullige mens veredelt. Vergeet niet dat het door onze naasten is dat wij als mensen worden gevormd.

De goddelijke nonchalance

Ik ben mij bewust van mijn nonchalante houding. De reden daarvoor is dat ik het leven sub specie aeternitatis – vanuit het perspectief van de eeuwigheid – bekijk: alle materie en leven kan je terugbrengen naar de elementaire hoogovens van de sterren. Wij zijn geboren uit een schitterende supernova, weggeslingerd in een gigantische ruimte waaruit het zonnestelsel is ontstaan en een planeet die er een aantal miljard jaar over deed om via een reeks evolutionaire gissingen en de juiste condities een complex wezen als de mens voort te brengen. Een andere inspiratiebron voor mijn nonchalance zijn de reizen die ik heb gemaakt naar bestemmingen die niet geplaagd zijn door de regelneverij of de rat race als het Westen. Ik probeer me die onbedwongen nonchalance, die zo bevrijdend aanvoelt, eigen te maken en boei me niet op door futiliteiten. Hoewel deze goddelijke nonchalance me behoed voor blindheid voor het grotere plaatje, schuilt het gevaar erin dat ook bekommernissen die er soms wél toe doen me ontgaan.

V.

Wat overzien wij maar een onbeduidend stukje van ons eigen leven, als je dat vergelijkt met de diepte van de wereldtijd! En toch, als onze blik zich richt op het individuele en eigene, dan verliest die zich net zo dromerig en omfloerst in eigen vroegten en verten als wanneer we het veel grotere mensheidsleven in beeld proberen te krijgen – ontroerd door de waarneming van een eenheid die zich daarin herhaalt.

Jozef en zijn broers van Thomas Mann

Ik wil niet blind te zijn voor wat ik de grote diepte van de wereld noem: een wereld die niet zonder meer vanzelfsprekend is maar die ik wil doorgronden als een zorgvuldig gecomponeerd geheel dat al even schizofreen is als mijn playlist. Rauw en verfijnd, luidruchtig en geruisloos, harmonisch en chaotisch, flux en reflux. Het leven is een vreemd theater waar we plots op de planken worden geworpen met andere medespelers en na veel vijven en zessen terug achter de coulissen moeten duiken. Heidegger had het heel goed begrepen: het Zijnsgebeuren is in essentie ongrijpbaar. Onze fout is dat wij het bestaan teveel proberen te beheersen en haar te serieus hebben genomen. Om die overvloed aan serieux tegen te gaan is gelatenheid nodig, een ironische nonchalance, een speelse kijk op het menselijke bestaan. Wat is het leven immers meer dan een vrolijke dans op ’t galgenveld?

Niemand zal nooit deze werkelijkheid kennen, het kenbare is immers een eiland omgeven door een oceaan dat Immanuel Kant het ‘Ding an sich’ benoemde. Onze werkelijkheid wordt subjectief vervormd door onze eigen geest: de werkelijkheid buiten ons wordt door onze geest bewust en onbewust, redelijk en onredelijk, omgevormd tot een gepercipieerde werkelijkheid. Dat wil zeggen dat het enige zijnde waarover een mens concreet en redelijk kan praten is datgene wat overeenkomt met zijn eigen perceptie. Die betrokkenheid is de kern van de kosmische eenzaamheid waarover ik eerder schreef. Die “eigen perceptie” wordt natuurlijk hevig beïnvloed door invloeden van buitenaf zoals opvoeding, het culturele kader waarbinnen men zich beweegt, opleiding, etcetera. Er staan hapklare referentiekaders klaar die ons een zicht geven op de wereld waarin wij ons bewegen, handelen en denken. Ik ben tot zekere hoogte geconditioneerd door mijn omgeving – een toestand waaruit ik mij nooit geheel kan ontworstelen, maar toch ben ik van mezelf bewust als een demiurg die een eigen werkelijkheid aan elkaar weet te vlechten.

De mens is een tussenwezen, meent Blaise Pascal: een niets vergeleken met het oneindige, een Al in vergelijking met het niets, een midden tussen niets en alles. Als biologisch wezen slechts het resultaat van een reeks evolutionaire gissingen, op het kosmische uurwerk slechts een fractie van een seconde op een heel lange tijdslijn, op kosmische schaal gelegen in een zoveelste kwadrant van de Melkweg, dat ondanks haar ontzagwekkende grootte, die de mens nooit in zijn geheel kan koloniseren of domineren, zelf maar een fractie is van haar lokale Supergroep, die op haar beurt nog niet eens zo groot is ten opzichte van het kenbare, steeds uitdijende heelal. En wat is er voorbij het kenbare? Zo bekeken is ons bestaan een absurde nietigheid, een gefluister in een onmetelijke ruimte, slechts een momentopname. Dat schept voor mij gemoedsrust.

Ik onderga steeds bewuster de gevolgen van die ingrijpende metamorfose van veroudering. Op lange termijn, hopelijk in een verre toekomst, verliezen ik de wedloop met de tijd, maar in ruil daarvoor kan ik mijn leven wel de nodige diepte en rijkdom geven. Daarom werp ik nu, aan het begin van mijn jaren dertig, de handschoen in het aanschijn van de Tijd. Door de subtiele jacht naar verwondering en de mythische overdrijving van de werkelijkheid kan ik haar schalkse mars arresteren, net zoals Proust dat deed door het madeleinekoekje te doppen in de lindenbloesemthee. Ik wil datgene waar kinderen zo goed in zijn: de zomers veel langer, avonturen stoutmoediger en onweders brutaler maken dan ze in werkelijkheid zijn. Ik heb de mogelijkheid terug te keren naar de ongeschonden jaren van mijn eeuwige jeugd en nestel me in de warme boezem van innerlijke verbeeldingskracht waar de tijd geen vat op me heeft. Schrijlings weergalmt het in de stoffige uithoeken van mijn kranige schedel: “Ach, dat ik dit wonder moge meemaken!”

P.