TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Categorie: Zwerflust.

Spengler over de faustische mens en techniek

Spengler

Deze techniek (…) zal een tijdspoor achterlaten, als al het andere spoorloos is verdwenen en weggezonken. Deze faustische hartstocht heeft het beeld van het aardoppervlak veranderd.

Wat we hier zien, is het naar buiten en omhoog strevende en juist daarom ten diepste met de gotiek verwante levensgevoel, zoals het in de kinderjaren van de stoommachine door de monologen van Goethes Faust tot uitdrukking kwam. De dronken ziel wil boven ruimte en tijd uit vliegen. Een onnoembaar verlangen lokt hem naar grenzeloze verten. Men wil loskomen van de aarde, opgaan in het oneindige, de lichamelijke banden doorsnijden en in het heelal onder de sterren rondwentelen. Wat aan het begin van die weg de gloedvol omhoog zwevende geestdrift van de heilige Bernardus zocht, wat Grünewald en Rembrandt in hun achtergronden en Beethoven in de onaardse klanken van zijn laatste strijkkwartetten hebben gelegd, keert nu terug in de vergeestelijkte roes van deze dichte opeenvolging van uitvindingen. Vandaar dit fantastische verkeer, dat in een paar dagen hele continenten doorkruist, door onderaardse labyrinten heen raast, dat van de oude stoommachine, waarvan de mogelijkheden allang zijn uitgeput, overgaat op de verbrandingsmotor en zich uiteindelijk boven straten en spoorlijnen verheft en het luchtruim kiest; vandaar die ambitie om alle records te breken; en vandaar de enorme dimensies, de reusachtige hallen voor reusachtige machines, de enorme schepen en bruggen die brede rivieren overspannen, de waanzinnige bouwwerken die tot in de wolken reiken, de fabelachtige krachten die op één  punt zijn samengebald en daar gehoorzamen aan de hand van een kind, stemende, sidderende, dreunende fabrieken van staal en glas, waarin de nietige mens zich voortbeweegt als een heer die met onbeperkte kracht is toegerust en eindelijk de natuur onder zich voelt.

En die machines worden in hun vorm steeds verder ontmenselijkt, steeds ascetischer, mystieker, esoterischer. Ze weven rond de aarde een oneindig web van subtiele krachten, stromen en spanningen. Deze raderen, cilinders en hefbomen spreken niet meer. Alles wat beslissend is, trekt zich terug in het binnenste. Men heeft de machine als duivels ervaren, en terecht. In de ogen van een gelovige betekent de machine dat God van zijn troon wordt gestoten. Zij levert de heilige causaliteit uit an de mens en wordt door hem zwijgend, onweerstaanbaar, met een soort vooruitziende alwetendheid in beweging gezet.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Advertenties

Spengler over het begrip politiek

Spengler

Over het begrip ‘politiek’ hebben we meer nagedacht dan goed voor ons was. Des te minder oog hebben we voor de werkelijke politiek. Grote staatsmannen zijn gewend direct te handelen, en wel vanuit een feilloos oog voor de feiten. Dat is voor hen zo vanzelfsprekend dat de mogelijkheid om over algemene grondbegrippen van dit handelen na te denken – ervan uitgaande dat zulke begrippen bestaan – helemaal niet in hun hoofd opkomt. Zij wisten van oudsher wat ze moesten doen. Ze hadden geen aanleg en geen zin om daarover theorieën op te stellen. Denkers van beroep daarentegen, die hun aandacht op door mensen geschapen feiten richtten, stonden innerlijk zo ver van dit handelen af dat ze zich verloren in abstracties, bij voorkeur mythische constructies als gerechtigheid, deugd en vrijheid, waarmee ze vervolgens historische gebeurtenissen uit het verleden en vooral voor de toekomst de maat namen. Daarbij vergaten ze op het laatst dat het maar begrippen waren en kwamen tot de overtuiging dat het de taak van de politiek was om de loop der wereld volgens een idealistisch recept vorm te geven. Aangezien zoiets nooit en nergens gebeurde, leek het politiek handelen in hun ogen zo triviaal in vergelijking met het abstracte denken, dat ze in hun boeken ruzieden over de vraag of er eigenlijk wel zoiets bestond als een ‘genie van de daad’.

In tegenstelling daartoe wordt hier een poging ondernomen om in plaats van een ideologisch systeem een fysionomie van de politiek te schetsen, zoals die in de loop van de geschiedenis daadwerkelijk is bedreven, en niet zoals ze bedreven had moeten worden. Doordringen in de ultieme betekenis van grote feiten, ze ‘zien’, aanvoelen en omschrijven wat er symbolisch belangrijk aan is, dat was de opgaaf. De ontwerpen van wereldverbeteraars hebben met de historische werkelijkheid niets te maken.

We noemen de menselijke bestaansstromen ‘geschiedenis’ zodra we ze als beweging zien, en ‘geslacht’, ‘stand’, ‘volk’, ‘natie’ zodra we ze als iets bewogens opvatten. Politiek is de manier waarop dit stromende bestaan zich staande houdt, groeit en over andere levensstromen triomfeert. Het hele leven is politiek, in elke drijfveer, tot in de diepste kern. Wat we vandaag de dag graag levensenergie (vitaliteit) noemen, dit ‘het’ in ons dat tegen elke prijs vooruit en omhoog wil, die blinde, kosmische, hartstochtelijke geldingsdrang en machtswil, die plantaardig en als ras met de aarde, de ‘geboortestreek’ verbonden blijft, die gerichtheid en dat werkzaam moeten zijn – dat is wat overal onder hogere mensen als politiek leven op zoek is en op zoek moet zijn naar de grote beslissingen die maken dat ze oftewel een lot zijn, ofwel het ondergaan. Want men groeit of sterft af. Een derde mogelijkheid is er niet.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler over volken

Spengler

Alle grote historische gebeurtenissen zijn eigenlijk niet door volken in gang gezet, maar hebben pas volken in het leven geroepen. Elke daad verandert de ziel van de handelende persoon. Mogelijk heeft men zich eerst rond een beroemde naam geschaard, maar dat er achter die vermaarde klank geen bende maar een volk staat, is het gevolg en niet de voorwaarde van grote gebeurtenissen. Pas door wat ze op hun trektochten meemaakten, zijn Goten en Osmanen geworden wat ze later waren. ‘De Amerikanen’ zijn niet uit Europa geëmigreerd; de naam van de Florentijnse geograaf Amerigo Vespucci duidt vandaag de dag allereerst op een werelddeel, maar daarnaast ook op een echt volk, dat door de psychische schok van 1775 en bovenal door de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861 tot 1865 zijn eigen aard heeft gekregen.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler: over vuur in de wereld als geschiedenis

Spengler

Het vuur is voor de krijger een wapen, voor de ambachtsman een aspect van zijn beroep, voor de priester een teken van de godheid en voor de geleerde een probleem. Dat hoort echter allemaal bij de natuurlijke instelling van het wakker-zijn. In de wereld als geschiedenis daarentegen verschijnt niet het vuur in het algemeen, maar de brand van Carthago en die van Moskou en de vlammen van de brandstapels waarop Johannes Hus en Giordano Bruno werden verbrand.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Kutais, 31 december 1942

15823_junger-ernst

Ik ging vervolgens naar buiten, waar de sterren schitterden en de projectielen weerlichtten langs de hemel. De eeuwige tekens – de Grote Beer, Orion, Wega, het Zevengesternte, de brede baan van de Melkweg – wat zijn wij mensen en onze jaren op aarde vergeleken met die glans? Wat is ons vluchtig leed? Om middernacht, toen het drinkgelag een hoogtepunt bereikte, dacht ik met al mijn kracht aan mijn geliefden, en ik voelde hoe ook hun groet tot mij doordrong.

Uit: Ernst Junger, Parijs Dagboek 1941-1943

Hugo Claus: “Het verdriet van België” (1983)

hugoclaus

Het nadeel van het lezen van een “grote klassieker” is dat je oordeel half gevormd wordt door de roem dat het boek al heeft mogen vergaren. De superlatieven en lofvieringen zijn moeilijk te ontwijken en dreigen zelfs je eigen oordeel zodanig te kleuren dat je mensen begint na te praten wanneer je je mening wil geven. De teleurstelling kan dan ook groot zijn wanneer het boek tegenvalt, zoals ik ervoer bij het lezen van “Wuthering Heights” van Emily Brontë (maar misschien moet ik deze nog eens opnieuw lezen). Het magnum opus van Claus had ik enkele jaren geleden al eens gelezen, maar vond het tienjarige “jubileum” van zijn overlijden een passend moment om het nog eens ter hand te nemen. Ik weet dat ik andere verwachtingen had bij een eerste leesbeurt en dat de aparte aanpak van Claus me, na enige aanpassing, wel beviel. De titel vond ik vanzelfsprekend: het “verdriet” zou gaan over de moeizame erfenis van de collaboratie, een vaak voorkomend thema in het oeuvre van Claus. Als je het boek echter begint te lezen en passages tegenkomt waar het “verdriet” ter sprake komt, gaat het om meer dan alleen collaboratie.

Het werk bestaat uit twee delen en bestrijkt een tijdspanne van 1939 tot 1947. Het eerste deel “Het verdriet” is een kostschoolroman, opgedeeld in hoofdstukken en geschreven door protagonist Louis Seynave en semifictief alterego van Claus, waarin de lezer wordt meegesleept in de rijke verbeeldingswereld van een kind. Hierin zit een flinke dosis Bildung verscholen: Louis Seynaeve probeert zich aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog met zijn vrienden staande te houden in het pensionaat dat wordt geregeerd door nonnen. Hij probeert structuur te geven aan zijn bestaan door een ridderorde te stichten, ter meerdere eer en glorie van God. De periodes op het pensionaat worden afgewisseld voor vakantieperiodes thuis. Het tweede deel “van België” vertelt over de inval van de Duitsers, de daaropvolgende bezetting en collaboratie en de bevrijding. De puberende Louis flirt met de collaboratie, maar neemt er toch snel afstand van en wil zijn ontluikende schrijverschap ontwikkelen. Uiteindelijk neemt hij deel aan een schrijfwedstrijd waar hij “Het verdriet” inzendt. Kijk eens aan: een roman in een roman.

Het werk mag een klassieker zijn in het literaire canon van het vaderland, het is alleszins geen klassieke roman. Toen ik het werk voor de eerste keer vastnam verwachtte ik me aan een eerder conservatieve vertelling van een collaborerende Vlaamse familie, maar werd verrast door de gewaagde aanpak van Claus. Al eerder was James Joyce een inspiratiebron voor zijn “De verwondering” (1963) en ook nu zijn werken als “Ulysses” of “A portrait of the artist as a young man” niet veraf. De vergelijking gaat trouwens ook op met de lezing van de werken: niet iedereen wie “Het verdriet van België” in zijn kast heeft staan is erdoor geraakt, laat staan mensen die “Ulysses” in hun kast hebben staan. Om die reden is “Het verdriet van België” een roman die polariseert: niet iedereen kan de schrijfstijl van Claus appreciëren. Waar je bij de realistische romans van Dostojevski of Tolstoj hoogdravende discussies krijgt bij zowat alle personages is Claus een stuk prozaïscher. Zo wordt een uiteenzetting over Descartes verstoort door de dienstmeid die droogweg meldt dat het vertrek verstopt is. Het niveau is soms van een groteske slapstick en dat is net de charme van “Het verdriet van België”: Claus neemt zichzelf niet te serieus en zet ons allemaal te kakken. Daarmee worden we ook met onszelf geconfronteerd en wordt ons een spiegel voorgezet.

Het werk is voor een deel autobiografisch, want net als het hoofdpersonage Louis Seynaeve komt Claus uit een collaborerende drukkersfamilie uit West-Vlaanderen en heeft Claus zelf in zijn prille jeugdjaren geflirt met de collaboratie. De Bildung van het personage Seynaeve is dus ook een spiegel die Claus voor zichzelf houdt. De heimelijke lijfspreuk van Louis wordt toujours sourire: wat mensen zeggen is niet wat ze bedoelen en laat nooit zien wat er in je hart omgaat. Hier zit ook een maatschappijkritiek in, die ook terugkeert in “De geruchten” (1996): in tegenstelling tot de meer directe Nederlanders zijn Vlamingen zelfbehoudend en wordt de schone schijn vaak hooggehouden. Louis, en wellicht de andere personages in het boek, weet deze leugens wel te doorprikken, maar laat dit niet merken aan de omstaanders.

De taal die Claus in het werk hanteert is bijzonder rijk en geeft ook een inzage in het belang van taal om de personages te begrijpen. Je hebt de sterke invloed van het Frans op de Vlaamse taal, die anno 2018 in de dagelijkse omgang nog altijd aanwezig is. Daarnaast is er ook de tegenstroom die in de negentiende eeuw ontstond bij de flaminganten: “Staf, gij met uw Frans altijd, zeg liever: duimspijkers” luidt het antwoord van Louis’ grootvader wanneer Staf spreekt over punaises. Deze drang naar culturele zuiverheid kan ook overhellen naar het gebruik van Duitse woorden, want dat is een Germaanse taal. “Voor het eerst zijn we onder Germanen”, klinkt het dan tijdens de bezetting. Later in de roman krijg je ook de Amerikanen en Canadezen, waarbij de Engelse invloed op onze hedendaagse taal dan wel niet wordt benadrukt, maar wel in het achterhoofd belandt. Op die manier zie je dat onze taal dan wel gebonden mag zijn aan bepaalde spelregels, maar dat zij bovenal een levend organisme is waarbij het gebruik ervan allerminst objectief is. Wie taal gebruikt, neemt een stelling in. Mocht Claus gebruik hebben gemaakt van een gepolijst taalgebruik dat aanleunt bij dat van nieuwsankers, zou “Het verdriet van België” alle charme hebben verloren. Het is immers dat weelderige, volkse taalgebruik dat zo sterk aanleunt bij de werkelijkheid je als lezer overweldigt.

Na het schrijven van deze recensie heb ik zin gekregen om het boek opnieuw vast te nemen, want dit magnum opus heeft een niet te ontkennen aantrekkingskracht. Als historicus besef ik dat het begrip “tijdsgeest” problematisch en arbitrair is, maar Claus weet als geen ander je zodanig mee te sleuren in zijn verhaal en in zijn jeugd dat je er bij lijkt te zijn. Zijn er dan geen minpunten? Natuurlijk! De laatste tientallen pagina’s lijken me afgehaspeld, maar misschien heb ik er te snel over gelezen omdat ik onder de indruk was dat het belangrijkste al gezegd was. Zo nu en dan verslapt de aandacht en kom je enkele minuten later tot de conclusie dat je niet meer weet wat er juist is gebeurd. Dat overkomt me bij ieder boek of iedere film of ieder gesprek. Gelukkig zijn goede boeken, in tegenstelling tot wat sommigen denken, quasi oneindig herleesbaar en is dat bij “Het verdriet van België” voor mij betreft een fantastische herontdekking gebleken.

P.

Uit: ‘Het verdriet van België’ van Hugo Claus

‘Het wordt tijd dat Brussel eens grondig gekuist wordt. Brussel is van in de Middeleeuwen van ons, Vlamingen, geweest. Van in de tijd van de hertogen Jan de Eerste en de Tweede en de rest.’
‘De hertogen spraken Frans, Papa.’
‘Wie zegt dat? Is dat wat ze u leren in ’t College? En ik heb het deze week nog gelezen! Over de slag van Woeringen en over Jan de Eerste die van zijn paard viel tijdens een toernooi. Gij kent uw geschiedenis niet, gij! Geen sprake van dat zij Frans spraken. En Jan de Tweede die de lakenhal van Leuven heeft laten bouwen. Hij gaf zijn instructies aan zijn werkvolk in het Frans zeker?’
‘Jan de Tweede sprak Engels.’
‘Dat is helemaal het toppunt. Gij gaat mij uit mijn vel doen springen.’
‘Hij was in Engeland opgegroeid. Zijn schoonvader was de koning van Engeland.’
‘Ik spreek niet meer tegen u’, zei Papa, en zei: ‘Wij zouden een van die duiven daar de kop kunnen omringen en met die droge takjes een vuurtje maken, lijk in die goeie tijd dat ik met Cosijns op stap was in Frankrijk.

Philip Roth: “The plot against America” (2004)

3485381

Het was niet toevallig dat ik dit boek enkele dagen na de dood van de auteur vastnam, anders had deze nog lang in de kast gelegen. Zijn werk lag me al enkele maanden aan te staren vanuit de boekenkast en een enkele keer was ik er bijna in begonnen, maar heb toen toch op het laatste moment gekozen voor een ander werk. Door zijn dood werd Roth onder de aandacht gebracht en werd bij mij de interesse gewekt om dat ene boek in mijn bezit toch eindelijk eens vast te nemen.

“Anything can happen to anyone, but it usually doesn’t. Except when it does.”

De premisse van dit boek is een onverwachte wending in de VS naar aanloop naar de Tweede Wereldoorlog: de nationale held Charles A. Lindbergh, die met zijn vliegtuig The spirit of St. Louis in 1927 alleen over de Atlantische Oceaan vloog, wint in november 1940 met een landslide victory de presidentsverkiezingen, waarbij zijn tegenkandidaat Franklin D. Roosevelt de duimen moet afleggen. Lindbergh profileert zich als een fel tegenstander van een interventie in Europa en zal met de IJslandakkoorden een solide vredespact vormen met Nazi-Duitsland. Hoewel hij zich aan zijn belofte houdt om uit de oorlog te blijven zijn de diplomatische banden met Hitler aardig warm. Dat zorgt voor heel wat veranderingen bij de negenjarige Philip Roth, de fictieve dubbelganger van de schrijver, en zijn omgeving. Hij herkent al snel het verschil tussen de geschiedenis die hij leert op school, in wezen onveranderlijk en onafwendbaar, en de geschiedenis zoals die hij beleeft met zijn tijdsgenoten: radicaal onvoorspelbaar. Zo moet de trotse vader Herman machteloos toezien hij zijn zoon Sandy zich met fierheid inschrijft bij een uitwisselingsprogramma voor Joodse kinderen, die in pakweg Kentucky of Ohio twee maanden mogen werken – of worden heropgevoed als “echte Amerikanen” – bij een boerengezin. Zo heb je later in het verhaal ook nog de Homesteadact 42, waarbij Joodse werknemers met hun gezinnen naar het Zuiden en Midwesten worden gestuurd. De vader van Philip ziet in dat deze initiatieven bedoeld zijn om de onderlinge Joodse solidariteit te breken. Het duurt niet lang voor ook andere zaken mislopen en de VS een heel eigen Kristallnacht met dodelijke pogroms moet verwerken. Toch is het regime niet eenduidig antisemitisch en zijn er tal van prominente joden, zoals tante Evelyn en haar man en rabbijn Lionel Bengelsdorf, die in de hoogste regionen van het regime vertoeven.

Het verhaal ontvouwt zich als een geloofwaardige tegenfeitelijke geschiedenis, maar je moet je niet verwachten aan een andere uitkomst van de oorlog, die is voor Roth hetzelfde en dat merk je al meteen van het begin. Roth schuift de aanval op Pearl Harbor op met een jaar en laat zo nu en dan iets weten over de opmars van Japan en Duitsland, die weinig verschilt van hun historische tegenpolen. Ik weet het, de focus van dit boek ligt niet op het militair-historische, maar hierin maakt de schrijver zich er iets te gemakkelijk van af. Hij maakt dit echter ruimschoots goed door op een levendige wijze de verregaande veranderingen in de maatschappij te aanschouwen door de ogen van de negenjarige Philip, die zelf nog niet volwassen is en zijn moreel kompas nog niet heeft gevormd, wat hem de perfecte beschouwer maakt van al wat zich rond hem ontvouwt. Roth is een kundig vorser van de Amerikaanse geschiedenis en maakt indruk met het schrijven van een heel geloofwaardig en tastbaar ooggetuigenverslag. Zo zijn vele personages in het boek gebaseerd op historische figuren, die achteraan het boek – als je gelukt hebt met de uitgave neem ik aan – een beknopte biografie krijgen.

Roth bezint zich ook over de aard van de Amerikaanse ziel en verweeft deze vraagstelling naadloos in een verhaal dat voorbij lijkt te vliegen. Wat is Amerikaans zijn? Welke rol spelen joden daarin en op welke manier ben je zowel joods als Amerikaans? Beschouw het niet als een politiek statement in de nasleep van 9/11 – het boek is uitgegeven in 2004, want hij laat meerdere stemmen spreken die hun eigen logica volgen, waarbij het standpunt van Roth niet eenduidige af te leiden valt. Je lijkt de kant te willen trekken van de tegenstanders van Lindbergh, maar je merkt snel dat bijvoorbeeld Sandy terecht van leer trekt tegen zijn vader omdat hij de mentaliteit van “ghettojoden” heeft en daar wil van losbreken. De politieke omwenteling die langzaam uitmondt in een catastrophe is een katalysator voor de vele frustraties die heersen in de milieu’s waarin de Rothfamilie zich beweegt. Sommige joden trekken naar Canada, zoals neef Alvin die bij de paracommando’s gaat om geheime missies in het vijandelijke gebied uit te voeren en daarbij een been verliest.

Dit is een eerste kennismaking volgens het boekje: liefde op het eerste gezicht; uren proberen vrijmaken om de ene pagina na de andere om te slaan; aftellen naar de middagpauze of het thuiskomen om het terug vast te nemen; stiekem al recensies opzoeken om er meer van te weten te koen. Er is geen twijfel dat er nog vele andere Roths zullen volgen, die, naar wat ik lees, een heel eigen karakter hebben en me kunnen inwijden in een bijzondere kosmos. Roth maakt er geen geheim van dat hij vele biografische elementen verwerkt in zijn eigen romans en dat maakt zijn werken interessant, omdat de ziel van de schrijver daarin wordt geopenbaard.

 

P.

Frances Ha (2013)

frances_ha2

Ik heb een zwak voor fijnzinnige kakelfilms, in het vakjargon wel eens gekend als “mumblecore”. Deze films zijn erg dialooggedreven en kenmerken zich door een naturalistische stijl: zelden voelen de dialogen aan als ingestudeerd en dat maakt de films erg levensecht, alsof je op café zit tussen de personages en je haast deelneemt aan de gesprekken die zich voor je ontwikkelen. De Before Trilogy (Before Sunset, Before Sunrise en Before Midnight) van David Linklater zijn hier schoolvoorbeelden van. Ik begrijp dat velen hier nerveus van worden: onzekere, hoogopgeleide twintigers en dertigers die met de nodige pretentie kunstzinnige dialogen voeren en lamenteren over het leven, terwijl ze toch een comfortabel leventje leiden. First world problems of eerder existentiële overpeinzingen van de moderne Westerse mens? Frances Ha is zo’n film die in 2012 uitkwam en werd geregisseerd door Noah Baumbach en door hem en zijn vriendin Greta Gerwig geschreven, tevens de actrice die met flair het hoofdpersonage Frances Ha speelt.

Frances Halliday, of Ha, is een 28-jarige danseres die met haar beste vriendin Sophie op een appartement in Brooklyn woont. Haar leventje in New York is een verhaal uit de duizend: huppelend van het ene feestje naar het andere, met de nodige uitdagingen timmerend aan haar carrière en een liefdesleven dat toch niet altijd je dat is. Frances legt zich er wat lacherig bij neer dat ze undateable is. Wanneer Sophie verhuist naar haar droombuurt Tribeca moet Frances wegens geldgebrek een andere slaapplaats zoeken en vind die bij Benji en Lev, twee, hoe raad je het, kunstzinnige vrienden – de ene beeldhouwt, de andere schrijft een script voor Gremlins 3 – die haar tijdelijk opnemen in hun flat. Haar relatie met Sophie geraakt in moeilijkheden door uiteenlopende levenswegen en gedurende lange tijd spreken ze niet meer met elkaar, terwijl ze bij de aanvang van de film zo onafscheidelijk waren. Ze maakt gebruik van haar nieuwe kredietkaart om naar Parijs te gaan, waardoor ze zichzelf in de schulden steekt en liegt haar beste vriendin Sophie, met wie ze zich dan toch verzoent, voor dat alles heel goed met haar gaat, hoewel ze niet genoeg geld heeft om bij te dragen in de huur en haar carrière in het slop geraakt. Uiteindelijk komt ze min of meer terug op het juiste pad terecht.

Voor de plot hoef je deze film niet te zien: er is geen bijzondere clou of verhaallijn die de film opmerkzaam maakt. Het gaat over een aaibare twintiger in een miljoenenstad die haar leven probeert te leiden zoals ze dat wil, maar daar niet altijd in slaagt. “I’m not a person yet” roept ze uit en daar raakt ze aan de kern van het twintiger zijn: ze heeft nog geen definitief en netjes afgebakend leven voor zich en al lijkt ze ambitie te koesteren om carrière te maken lijkt ze ook te genieten van dat onbestemde heen en weer zwalpen tussen feestjes, jobs om de eindjes aan elkaar te knopen en willekeurige vriendschappen te sluiten met mensen die ze gaandeweg ontmoet. Ze neemt het leven niet serieus en dat charmeert haar.

Als ik even héél kort door de bocht mag gaan kan ik deze film hipstercinema noemen omdat de setting daarvoor een binnenkopper is: feestvierende kunstzinnige twintigers in New York die het leven op een of andere manier proberen te trotseren. Als ik hier achter de hoek ga kijken op het Mechelse Plein loopt het vol met die types. Ik hoor er niet helemaal bij, maar mijn culturele smaak loopt er wel mee gelijk en met die mensen kan je interessante discussies voeren. De film is hoogst herkenbaar omdat het gaat over opgroeien en al kan je Frances bij momenten een tikje infantiel vinden, vergeef je dat haar omdat haar aanmodderen niet veel anders is dan hoe wij vaak door het leven gaan, ook al proberen wij dat maar al te graag te maskeren door een perfect leventje te leiden op de sociale media.

P.

 

Hugo Claus: “De geruchten” (1996)

hugoclaus

De terugkeer van René Catrijsse, deserteur uit de koloniën en verwekt door een Vlaamse Obergruppenführer in de onzalige jaren veertig, veroorzaakt de nodige commotie in zijn Vlaamse geboortedorp Alegem. Het is een tamelijk gesloten dorp nabij Waregem, waarin de achterklap sterk aanwezig is en iedereen elkaar kent. Zijn komst veroorzaakt een reeks noodlottige incidenten die door de bewoners van het dorp als een “pest” beschrijven, veroorzaakt door de verloren zoon en zijn kompaan en mededeserteur Charlie. Beetje bij beetje kom je achter het schokkende verhaal van de onfortuinlijke René, die niet meer weet te aarden in het dorp dat hij een aantal jaar eerder verliet. Alles zit hem dan ook tegen: zoon van een moffenhoer, deserteur en verspreider van een mysterieuze ziekte uit de tropen. Twintig jaar later vertelt zijn broer Noël, die in zijn jeugd door moeder Alma op zijn hoofd is gevallen en als achterlijk wordt bestempeld, een gruwelijk verhaal dat tot een climax komt.

“De geruchten” is in eerste opzicht een bezinning over twee onverwerkte verledens: het trauma collaboratie waarover Claus reeds in onder andere “De verwondering” (1962) en “Het verdriet van België” (1983) heeft geschreven en het andere gaat over ons koloniale verleden in Kongo, waarover de protagonist van het verhaal minder fraaie dingen laat vallen. Een belangrijke rol speelt de Kap, de aanvoerder van René en Charlie die hen tot gruwelijke misdaden heeft aangespoord in Kongo, maar terug in het thuisland de bescherming heeft van hogerhand en alles in de doofpot wil steken. Daarnaast is het ook een herkenbare blik op het gesloten en bekrompen Vlaamse dorp, een orde van de schone schijn dat het deksel over de beerput aardig goed dicht heeft gemetseld. Claus wil laten zien dat zo’n deksel af en toe wel eens opengetrokken kan worden.

De verhaalstijl is een reeks korte hoofdstukken, waarbij telkens het perspectief wordt verschoven naar een ander personage. Op die manier krijg je snel het sociale weefsel van Alegem onder de loep, waardoor je met ieder hoofdstuk de nodige eindjes aan elkaar kan knopen. Dat maakt het boek overzichtelijk, al weet Claus deze perspectiefwisseling niet altijd consistent aan te houden en zie je in plaats van dat ene personage eerder Hugo Claus in de regiestoel zitten en het personage woorden in de mond leggen. Noël, de broer van René, die door een ongeval in zijn kinderjaren problemen heeft met zijn geheugen en als achterlijk wordt beschouwd, weet in beide delen verdomd scherpzinnig uit de hoek te komen en heeft in het tweede deel een geheugen waar ik soms jaloers op ben.

Een van de personages is het collectieve “wij”, dat je mag bekijken als het collectieve geweten van Alegem, namelijk de stamgasten van café Den Doofpot. “Wij” is telkens een plezier om te lezen, omdat Claus de gave heeft dialogen neer te pennen die ontzettend herkenbaar zijn wanneer je zelf een volkskroeg binnenstapt en aan de toog begint mee te praten over wat Jeanneke van de kapper zijn zuster haar schoonbroer heeft gezegd of met wie Elske van de bakker een affaire heeft. In die banale achterklap zit ook iets heel menselijks: onze nieuwsgierigheid heeft een aandoenlijke zijde, maar ook een schijnheilige. Die mentaliteit brengt Claus op een sublieme wijze aan het licht, zoals eerder genoteerd in deze blogpost.

Het geheel bestaat uit twee delen, waarvan het ene deel een half jaar in 1966 beslaat en het andere een vraaggesprek is tussen Noël en een oud-politiecommisaris. René is dan verdwenen en zijn broer denkt dat hij vermoedelijk ergens in Afrika rondzwerft. De lezer weet tegen dan wel anders. Dieu le veut. Bij aanvang van het tweede deel verwacht je dat de verhaallijn van twintig jaar eerder opnieuw wordt opgenomen, maar die komt er later pas bij kijken. Wat er juist in gebeurt ga ik niet verklappen, maar het is begrijpelijk dat Die Zeit op de achterflap van het boek spreekt over het “donkerste juweel onder al zijn romans”. Het onvoltooide verleden krijgt daar zijn bekomst. Vooral in het tweede deel weet Claus de spanning te doseren en er haast een thriller van te maken.

Ik voelde me af en toe op café in een Vlaams dorp bij het lezen van de roman, althans zeker het eerste deel, en hoewel ik op dit moment in het historische centrum van Antwerpen woon kan ik mij perfect inbeelden dat ik in een café achter de hoek dezelfde “geruchten” mag horen over mensen hier in de buurt als in een typisch café aan de dorpskerk. Ook buiten de romans wordt gesproken over onverwerkte verledens, of dat nu collectieve trauma’s zijn of hoogstpersoonlijke verledens die amper ter sprake worden gebracht, tenzij tussen pot en pint, waarbij de alcholische roes remmingen losmaakt en oude spanningen even vrij laat. Dat “wij”-perspectief dat Claus hier en daar bijhaalt om de eindjes aan elkaar te knopen is misschien gewoon jij en ik, die samen aan de toog zitten van het café hier achter de hoek om op verhaal te komen.

P.