TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Categorie: Reizen

Tapijtsurfen in Iran

Waarom? Je doet het omdat weinig westerlingen het durven. Uit een grenzeloze nieuwsgierigheid; als een uitdaging; een onweerstaanbare Drang nach Osten; het grote dwaze avontuur dat je plots grijpt. Mijn taalkennis van Farsi was nihil, maar ik wilde niet geloven dat de taal mijn wereld begrenst. Moederlief wil het niet, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dat Iran meer was dan chadors, kernbommen en mullahs wist ik wel, maar ik wou het met mijn eigen ogen zien en ervaren. Hoezo, gevaarlijk? Hoezo, fundamentalistisch? Hoezo, vijandig? Voorbij al het goed en kwaad van clichés wou ik de lach achter de chador ontdekken. Dat op eigen houtje, zonder betrokken te zijn met reisbureau’s, overijverige gidsen en andere factoren die me zouden belemmeren in mijn doel. Dus … waarom eens niet couchsurfen op Perzische tapijten?  

Klik voor foto’s

Advertenties

Wees gegroet, Juanita

Anderhalf jaar geleden, toen ik het geluk had in Peru te zijn, bezocht ik in het museum van de Universiteit van Arequipa  De IJsmaagd van Ampato. Het betreft Juanita, een kind dat destijds in haar vroege tienerjaren door de Inca’s op de berg Ampato werd geofferd aan de Goden.  Destijds waren mensenoffers aan de zogenaamde Apu’s, berggoden, een manier om de ontstemde Goden te behagen. Voor (post-) modernen is dit waanzin, een onbevattelijke misdaad. Maar tegelijk ook een heel fascinerende denkoefening. Een unieke manier om mens en maatschappij in een radicaal ander perspectief te plaatsen.

Als je erover doordenkt, bestaat er een “logica” achter dit hoogst merkwaardige ritueel. Beeld je een traditionele beschaving in waar de plaats van de mens, ruimte en tijd in de kosmos zeer afgebakend is. Iedere ruimte wordt gecultiveerd op een sacrale wijze en ook de tijdservaring is voor de traditionele mens heel anders. Alles wat van tel is draagt een symbolische geladenheid. Wanneer deze ordening door elkaar wordt geschud, betekende dit dat de goden ontstemt zijn. Hierdoor geraakt ook de maatschappelijke ordening in de war. Een mensenoffer was een manier om deze balans terug te herstellen. Dit is enkel begrijpelijk als je beseft dat de waarde van een mensenleven in die context totaal verschilt dan de waarde van een mensenleven in een hedendaagse westerse maatschappij. Het feit dat Juanita gekozen werd, was een grote eer voor haar familie.

Een voorbeeld van deze kosmische ordening is het graf waarin Juanita geplaatst werd. Daarin werden objecten geplaatst, maar niet zomaar, niet als versiering of verfraaiing. Ieder materieel object droeg een betekenis en verwees naar de kosmische ordening van de Incamaatschappij. Je zou kunnen zeggen dat ieder object een zogenaamde hiërofanie was, een materieel object dat het goddelijke vertegenwoordigde. Niet het object an sich werd aanbeden, maar wel het goddelijke dat in en doorheen het object zich manifesteerde. Op die manier transformeerde het graf zich naar een heilige microkosmos.

Ook Juanita werd niet zomaar gekozen uit de bevolking. Zij was geen Chinese vrijwilliger die van een markt werd geplukt. Net vanwege het belang van een mensenoffer, moest het kind vooral zuiver zijn. En dat wil zeggen dat Juanita een kind was dat uit de hoge adel kwam. Net als het graf, onderging ook Juanita een transformatie. Pachacuti Inca Yupanqui was de Sapa Inca (de Incakeizer) die zijn goddelijkheid overdroeg aan Juanita, waardoor zij een halfgod werd. Ze droeg blauwe araveren op haar hoofd, dure textiel die typisch adellijk was en werd gewikkeld in een aksu, een helder gekleurd begrafenisdoek.

Met de komst van de Spanjaarden is er vanzelfsprekend onnoemelijk veel veranderd in de Nieuwe Wereld. En toch leeft die oude precolombiaanse vlam nog sterk in Zuid-Amerika. Dat voel je instinctmatig aan wanneer je ginds vertoeft. Tijdens een processie in Cuzco viel me op dat er veel aandacht werd gegeven aan de Pachamama, de aardgodin die onder de boerenbevolking in de Incamaatschappij veel aandacht kreeg. Door samen te vallen met de Heilige Maagd Maria, kreeg zij de kans om tot op de dag van vandaag vereerd te worden.

Toen in 1960 de Grote Chileense Aardbeving gebeurde, de meest kolossale aardbeving sinds het begin van de metingen (9.5 op de schaal van Richter), was er iets heel eigenaardigs aan de gang in het Chileense kuststadje Collileufu.  Juana Namuncura Añen, een lokale machi (een traditionele sjamaan), eiste een mensenoffer om de aarde en de oceaan gunstig te stemmen. Het vijfjarige slachtoffer werd ontdaan van zijn ledematen, waarna zijn lichaam door de oceaan werd meegesleurd.

P.

“Waarom haastig zijn te Lier?”

Het onderstaande stukje is een relict van vroeger tijden. Omdat de bomen zich in deze tijd in hun gouden tooi kleden en dra hun bladeren zullen afwerpen, vond ik dit onderstaande melancholische stukje passend te zijn voor dit moment. Lier is een stad voor genieters. Een stad waar het tijdloze doorheen alles lijkt te schijnen. En waar kleine verrassingen om iedere hoek te vinden zijn.

———

Zelfs het gure herfstweer ontsiert de Pallieterstad niet van zijn charme

Lier verkoopt zichzelf als een bruisende stad die tegelijk charmant, bourgondisch, historisch, verrassend, veelzijdig en romantisch is. Iets wat niet meer bewezen hoeft te worden. Toch heeft de stad nog meer in petto. Het roemrijke kunstverleden voegt een laatste aspect toe aan de Pallieterstad: tijdloosheid.

“Niet bepaald het weer dat je in gedachten had, zeker?” grapten Berten en Kerstin, een jong koppel dat net in Lier woont, toen we ons in het gure herfstweer begaven. Ik vervloekte eerder die dag de hemelsluizen, die al enkele dagen wagenwijd openstonden. En toch. De melancholische stemming die het gure herfstweer opwekt doet sfeervol aan. “Het heeft iets speciaals en we maken er iets gezellig van” stelt Kerstin ons gerust. Gewapend met paraplu’s gaan we de eindeloze regenbui tegemoet. Wat water kan ons niet deren.

Geen minutieuze planning, maar eerder een soort nonchalance vormt onze leidraad vandaag. Het boekje ‘Schoon Lier’ van Felix Timmermans, dé Lierse schrijver bij uitstek, neem ik mee. En daarmee keer ik niet zozeer terug naar een Lier uit een welbepaald verleden, maar naar een tijdloos Lier. Timmermans schreef geen toeristisch boek met netjes geordende bezienswaardigheden, maar eerder een dromerige evocatie van zijn geboortestad. Op deze manier kan het spontaan ontdekken van een stad een bijzondere ervaring zijn.

We komen aan bij het Lierse begijnhof, ‘d’Amandelboom van Lier’ volgens de schrijver. Hier speelt het boek ‘De zeer schone uren van juffrouw Symforosa, begijntjen’ van Timmermans af. Zij is een begijntje dat verliefd wordt op de hovenier Martienus die haar druivelaar verzorgt. In het voorjaar verlaat hij het Begijnhof om bij de Bruine Paters te gaan. Dit zorgt voor veel hartzeer en vragen bij Symforosa. Ze probeert hem zoveel mogelijk te ontwijken en raapt alle moed bij elkaar om afscheid te nemen op de Begijnenvest. Toen ze na lang aandringen bij moeder overste toelating kreeg om hem te bezoeken, besefte ze bij aankomst dat hij gelukkig was en ging ze voldaan terug naar het Begijnhof.

In het korte verhaal legt zij de zogenaamde ‘Kruisweg’ af, langs een reeks schilderijtjes die de lijdensweg van Jezus afbeelden. We volgden als pelgrims deze minibedevaart. Helaas waren deze schilderijtjes in restauratie, dus konden we enkel de afbeeldingen zien met de bijhorende Bijbelteksten. In een kleine zijstraat van de Sint-Margarethastraat zien we een klein standbeeld van een blijmoedige Symforosa. We passeren het oude werkhuis van Timmermans in de Grachtkant. Iets verderop ligt de Hellestraat waarin het verliefde begijntje een roos ontving van Martienus, vlak voor hij vertrok. We herkennen het huis met het gietijzeren hek, waar Martienus een tuintje onderhield.

Over het huis van Martienus bevindt zich het zogenaamde ‘Ruusbroechuisje’, waar Timmermans samen met de Lierse letterkundige Ernest ‘Nest’ Van Der Hallen en de architect Flor Van Reeth ‘stille uren beleefden’ en zich aan kunst wijdden. Het is tevens het kleinste huisje van het Begijnhof, maar is helaas niet toegankelijk. Vooral ‘Nest’ was in de wolken met het huisje, wat bleek uit de brieven die hij schreef:

“In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee als in ‘nen droom:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …”.

Zijn brieven gonzen van lof over het Begijnhof. Hij, Fé en Flor richtten hier de Pelgrimbeweging op, een kunstenaarsgenootschap die de katholieke kunst wilde moderniseren.

 “Hier wandelt de mystiek in burgerkleding rond” schrijft Timmermans.  Vandaag is er echter weinig volk op de been, het weer houdt de brave burgers van Lier binnen. De mystiek zit hem namelijk vooral in de sfeer die hier rondwaart. “Alsof je van het moderne Lier overstapt naar een tijdloos Lier”, voegt Berten eraan toe. Het laatste begijntje is gestorven in 1994. Ze leeft nog in naam verder in taverne Zuster Agnes, juist buiten het Begijnhof.

 

Niet veel verderop schuilen we even voor de regen in het Convent, vlak aan de uitgang aan de Begijnenvest waar Symforosa afscheid nam van Martienus. Hier is een ruime tentoonstellingsruimte ondergebracht. Vandaag zien we de gedichten van Vera Beau, die inzicht geeft op de gevoelswereld van nabestaanden van een zelfdoding  en de schilderijen van Fons Teijssen.

We verlaten het Begijnhof langs de Begijnenvest, de ‘groene kathedraal’. Ik haal nog eens de laatste pagina van het verhaal van Symforosa naar boven:

“En het regent nu op zijn zeven gemakken. ’t Zal weer een regen voor vele dagen zijn. De lucht is nat en de verten zijn verdronken. Het regent luie, rechte strepen zonder wind en ’t ruist machtig op de bladeren van de bomen”.

Het verhaal komt tot leven. “Je mag dat verhaal eens komen vertellen wanneer we gaan trouwen, behalve het einde want ik hoop niet dat Berten net als Martienus naar het klooster gaat” lacht Kerstin.

Wanneer we de Lierse sportvelden zijn gepasseerd kunnen we de ‘zilveren knoop’ zien waar Felix Timmermans zo lyrisch over was: de samenkomst van de kleine Nete, die door de stad vloeit en de grote Nete die er omheen vloeit. We gaan door het kleine parkje dat haast verzuipt in de regen. Er hangt een melancholische sfeer naarmate het licht vermindert. De vijver treedt stilaan buiten zijn oevers, elders horen we de Lierse ‘pompiers’ druk heen en weer rijden. Mijn gezelschap klaagt niet over het weer.

We komen voorbij het oude zwembad van Lier, volgens Berten een “schande van de buurt” wegens de erbarmelijke staat ervan en spoedig rijp voor de sloop. “Wanneer het oude zwembad gesloopt wordt, zal er een lange groene zone ontstaan rond het einde van de kleine Nete” zegt hij en wijst me de omgeving aan. De letters van het stedelijke zwembad hangen er nog maar halvelings aan en de ingang van het zwembad waar ik vroeger als kind soms heen ging was afgerasterd.

Het Timmermans-Opsomermuseum, dat nabij ligt, stelt het werk van een hele resem Lierse kunstenaars tentoon. Het gelijkvloers is onderverdeeld in drie grote kamers die gewijd zijn aan Isidoor Opsomer (1878-1967), een schilder die flirtte met realisme en postimpressionisme. Die flirt is duidelijk merkbaar bij verschillende schilderijen. Een afbeelding van De processie in het begijnhof leunt sterk aan bij het postimpressionisme en toont ook hier die sterke affectie van een Lierse kunstenaar voor het Begijnhof. Het indrukwekkende Christus predikend in Lier sluit aan bij het realisme. “Een opmerkelijk stuk”, zegt de aanwezige museumgids, die me wat uitleg geeft. “Het stadje is schoon” schreef Timmermans. “En Opsomer kan het schoon laten zien”. Op de eerste verdieping vinden we een deel toegewijd aan Lierse striptekenaars zoals Gommaar Timmermans, zoon van, lokale componisten en architecten zoals Flor van Reeth. Een groot deel is uiteraard gereserveerd voor Felix Timmermans.

Australian Fine Wines is een lokale wijnhandelaar die regelmatig proeverijen organiseert. Timmermans mag dan gezegd hebben dat Lier rijmt op bier en plezier, de druivelaar kreeg evenveel aandacht. De afsluiter van de dag in een wijnkelder doet ons denken aan zijn weemoedige verhaal van Benedikt Serneels, ‘de pastoor uit den bloeyenden wijngaerdt’. Timmermans schreef het boek in 1921 aan zijn ‘druivesappige vrienden’. Vandaag wordt de Shirazdruif in de kijker gezet, dominant in de Australische wijnproductie.

“Is het daarbuiten nog altijd zo lelijk bezig? Een wonder dat wij in onze kelder nooit problemen hebben met water” gaat de wijnhandelaar een gesprek aan met de aanwezige gasten. Een koppel dat mee binnen kwam zegt dat het pompen geblazen is aan de Grote Markt. Elders horen we inderdaad de Lierse brandweer door de straten razen. De namen van de wijnen in de kelder waar we vertoeven mogen dan geen oervlaamse klanken hebben, we kunnen ons inleven in de weemoedige sfeer van de verhalen die Timmermans schreef. We besluiten een Grant Burge Cabernet Sauvignon uit 2005 te kopen, een passende karakterwijn in dit gure herfstweer.

Met paraplu’s in de aanslag, stuiten we op het moderne Lier op het Zimmerplein. De najaarsfoor zal vandaag niet veel volk ontvangen. Een enkeling betreedt het geruisloze Lunapark, dat er stil bijligt. Net achter de hoek bevindt zich het Begijnhof, waar onze tocht begon. De Gevangenpoort doemt op. Even lijkt de tijdloosheid van ‘d’Amandelboom” zich meester te hebben gemaakt van het moderne Lier. Ik dacht aan wat Fé eens schreef: “waarom haastig zijn te Lier”?


 

P.

Het plan Bhutan

Er zijn zo van die momenten wanneer je iets tegenkomt in een boek, op het internet of elders waarvan je denkt: “dat wil ik ooit eens gedaan hebben in mijn leven”. Je geeft het een plaats op je zogenaamde “Bucket List” en hoopt het te kunnen doen. Of je het wérkelijk gaat doen, dat is nog maar de vraag. Veel mensen brengen tijd door met plannen. Eindeloos plannen. En plannen zijn goed omdat je een concreet doel voor je ogen plaatst. Sommigen schrijven het neer en anderen printen het in hun hoofd of spreken erover met hun partner en vrienden of familie. Maar vaak vervagen plannen in ijdele dromen en komt het er nooit meer van. Dat is tragisch, omdat een mensenleven behoorlijk kort is als je erover nadenkt.

Van de droom die ik voor ogen heb, en die u als mijn dierbare lezer hieronder kan zien in een Youtubefilmpje, wil ik toch werk van maken. Ik ben bereid ervoor te sparen, want het is geen goedkope droom. Het zal bloed, zweet en tranen kosten om me voor te bereiden. En nog meer om het te volbrengen. Want meer dan een week boven 4000 meter hoogte trekken, dat is bijzonder zwaar. Ik voelde me in Peru al behoorlijk beteuterd, toen ik oude mannen en vrouwen van bejaarde leeftijd als flukse berggeiten de berg op zag gaan, terwijl ik en mijn jongere reisgezellen worstelden bij iedere helling. Je mag het hooggebergte niet onderschatten. De ijle lucht is een geduchte tegenstander, maar beetje bij beetje geraak je toch omhoog.

stap

per stap

per stap

En daarin zit een zekere zelfloosheid. Je verbant gedachten over hoe lang het nog zou kunnen zijn en hoeveel meter je al gestegen bent. Dat verbannen gaat vanzelf, eigenaardig genoeg. Alles verdwijnt, behalve datgene wat je moet doen. Je keert in jezelf. Je ledigt jezelf. Je gaat op in je handeling. In zekere zin verlies je jezelf. Daarin zit ook een zekere mystieke handeling, die niet beter verwoord kan worden dan door een citaat uit het oude Hindoe-epos Bhagavad-Gîtâ: “Strijd om der wille van de strijd, zonder te denken aan geluk of verdriet, verlies of winst, zege of nederlaag – als je zo handelt, blijf je altijd van zonden vrij.” (Bhagavad-Gîtâ, II-38)

Hieronder plaats ik een filmpje van iemand die de beruchte Snowman Trek in het Himalayastaatje Bhutan gedaan heeft en er een boek over heeft geschreven. God, wat benijd ik die man. Maar ik sta daar ook. Over een aantal jaar. Hoog in de bergen en hoog boven alle ijle en zinloze maatschappij-idealen. Als een Zarathustra, die uiteindelijk moet terugkeren naar het dal. Als een veranderd mens. Iemand die het Immense heeft beschouwd en in de Afgrond van zichzelf heeft gekeken.

P.

De weg naar Machu Picchu

De ongeplaveide weg naar het heiligdom ging stijl-kronkelend naar omhoog, als een slang die zich moeiteloos voortbewoog naar zijn schuilplaats. Het was ochtend, de vroege ochtend waar het licht schaars was maar waar de dieren voluit hun levenslied zongen. Instinctief wist je dat de dageraad niet lang op zich zou laten wachten. De zonnegeur hing als een belofte in de lucht. Nog een uur, hoogstens anderhalf uur en dan zou de gloed van de eerste zonnestralen het landschap overrompelen. Rondom mij bevindt zich een processie van honderden mensen van verschillend allooi. Ik hoor verscheidene wereldtalen, een Babylon in het klein, maar dan zonder een spraakverwarring omdat iedereen gericht was op hetzelfde doel. We verstonden elkaar niet, maar we begrepen elkaar.

Nog een kwartier wachten en dan begint de trek naar boven. De heilige trek, waar iedereen op te wachten staat. Heilig, want de stad die we bezoeken was het spirituele centrum van een teloorgegaan wereldrijk. Ver voor en achter mij staan geheimzinnige gestalten; het profiel van een jong koppel dat elkaar innig omhelst; een groepje bebaarde mannen dat aanstalten maakt om de groep vrouwen voor hen te benaderen; een avontuurlijk kind loopt ons voorbij in de armen van zijn zorgzame moeder. Het geroezemoes dat hier ontstaat is zacht en onverstaanbaar. In stille eerbied voor de pelgrimsplaats spreekt men met fluisterende stemmen. De razernij en waanzin van het alledaagse ruimt plaats voor een subtiele hint van iets onveranderlijks en eeuwigs.

De glanzende poort opent zich, met daarachter de onbekende en toch vertrouwde kronkeling naar boven. Het machtige hemelgesternte begint stilaan plaats te ruimen voor een vreemde schijn achter de heuvels. Week wordt de maan en haar witte licht taant. Mild ruist een vochtige bergwind over onze hoofden naar de richting van de poorten, terwijl de aarde lichter wordt en zich scherper aftekent tegen de hemel. Het is helder, de karakteristieke mist die ons dagenlang heeft achtervolgd heeft de wilde jacht opgegeven. Plots ontstaat er beweging in de processie. De aarde beeft en terwijl wij naar boven gaan, stijgen wij gezamenlijk met de zon. En weet gij, beste lezer, hoe verrukkelijk het kan zijn om het aanstormende licht tegemoet te treden op de top van een berg?

P.

Californische Capriolen II: eekhoorngekte en huppelende kindersnacks

“Shut up and sit down!” maant de verbolgen vader zijn zoon aan, die, zichtbaar gloeiend als een overhitte Fukushimareactor, zijn jacht op de koortsige eekhoorn staakt. Iets verderop rust het schalkse beest, zich bewust dat het geen prooi meer is. De jongen zet zich stuurs neer naast zijn vader, terwijl de eekhoorn onder de ogen van de jongen verder zoekt naar eten en aandacht. De vader richt zijn blik op de Liberty Capmonoliet die voor hem opdoemt en lijkt erdoor bevangen te zijn. Het is warm buiten, maar de donkere sparren werpen een koele schaduw waar hij zit. Kalm ruist de wind door de bomen en glijden langs zijn armen naar de vallei. Enkele meters verder raast de Mercedrivier onder een kristalheldere lucht naar beneden. De sneeuw smolt laat dit jaar, het waterniveau staat op een recordniveau in 34 jaar. De monoliet is als een schilderij van abstracte aard. Het is een gehavend gezicht met ervaring en biedt beschutting en geborgenheid. Het lijkt een kwade wereld dat zich daarachter manifesteert te willen tegenhouden. Eenzame bomen en struiken staan her en der opgesteld als een teken van leven. En tegelijkertijd komt de Liberty Cap dreigend, allesomvattend en dominant over. Het dringt zich op aan de omgeving en lijkt onoverkomelijk te zijn. Dit is zijn machtig amfitheater, vervaardigd door krachten die mens en dier te boven gaan. Dat mythische indianenverhalen werden geschapen rond deze kolossen, verwondert niet. Deze natuurlijke tempel nodigt uit voor de creatie van een haast allesomvattende zingevende kosmologie.

Nevada Falls & Liberty Cap

“Alles vloeit” merkte John Muir, een Schots-Amerikaanse natuurvorser, tijdens zijn verblijf in Yosemite Valley op. Alles gaat wel ergens heen: de mensen, het water, de dieren en zelfs de schijnbaar onwrikbare rotsen die de machtige Mercedrivier trotseren. Ieder jaar opnieuw verandert de Mercedrivier in een woeste razernij die zijn omgeving beïnvloedt. Ik sta bovenaan de “Giant Staircase”. De Nevada Falls en Vernal Falls werpen het water op een dramatische wijze honderden meters naar beneden, terwijl het verandert in een dikke en vochtige mist die voor de nodige afkoeling zorgt. Hun namen ontlenen zij aan de geschriften van Lafayette Bunnell, lid van de negentiende eeuwse Mariposabrigade en ontdekkingsreiziger: “The Nevada Fall was so called because it was the nearest to the Sierra Nevada, and because the name was sufficiently indicative of a wintry companion for our spring (Vernal Fall) … The white, foaming water, as it dashed down Yo-wy-we from the snowy mountains, represented to my mind a vast avalanche of snow”. Binnen deze mistige lawine migreren ontelbare waterdruppels stroomafwaarts en voorzien de rijkelijk begroeide groene oever van leven. Het water speelt een cruciale rol in de geologische processen die het landschap vormgeven. Wat als we een unieke waterdruppel konden vangen, identificeren en terug vrijlaten? Waar zou het ons heen leiden?

Een nationaal park in de Verenigde Staten van dit kaliber trekt jaarlijks vier miljoen bezoekers. Dat is hetzelfde als het totale inwonersaantal van Wallonië. Vooral de vallei trekt een massa aan bezoekers aan, waardoor je een breed spectrum aan archetypische Amerikanen ziet pelgrimeren. De typische Amerikaanse vader uit een middelmatige Hollywoodfilm die met baseballpet, snor en buikje zijn dochter bij de hand neemt en haar als een prinsesje beschouwt bestaat wel degelijk. Je ziet ze in hordes aankomen, evenals de meer zwaarlijvige Amerikanen die met moeite een paar trappen nemen om een waterval te zien en dan terug afdruipen naar de frequent rijdende shuttledienst om naar een volgend gemakkelijk bereikbaar uitkijkpunt te gaan. Je hebt ze in alle soorten en maten, en het zou verkeerd zijn iedere Amerikaan in een clichématig doosje te willen stoppen. Dé clichéamerikaan bestaat, wees daar maar zeker van. Maar hij overheerst niet. Hij steekt er alleen boven uit omdat je hem verwacht en zelfs naar hem uitkijkt. Dat de overgrote meerderheid van de parkbezoekers eruit zien als de gemiddelde Europeaan, valt dan minder op.

Vernal Falls

Ranger Jeff is zijn naam. Een jonge man van 30 jaar, een rossige baard en volledig uitgedost. “The best office in the World!”, zegt hij, terwijl hij rondkijkt in de “Sequoia Grove”. Ik kan hem best geloven, terwijl ik nogmaals de frisse boslucht inadem en hoop dat ik het over een maand nog steeds kan ruiken. De man wil beroemd worden op Facebook en wil op termijn hét aanspreekpunt zijn in Yosemite National Park. “Ask me anything you want!” zegt hij dolenthousiast terwijl hij zich vooral tot de dames van de groep richt en knipoogt. Iemand vraagt hem over het “beergevaar” in dit gebied. Iedereen wil een beer zien, maar niemand staat te popelen om het snoezige knuffeldier op enkele meters van zich verwijderd te zien. Volgens Ranger Jeff is het eenvoudig: zie gewoon dat je iemand bij hebt die trager loopt dan jij of gooi een kind naar de beer en ga dan lopen. Succes gegarandeerd. Dat kunnen we altijd proberen. We laten Jeff achter ons, want hij was bezig met een sluipweg af te dekken. Snode toeristen. Iets verderop zien we mensen voorbijgangers aanmanen om stil te zijn, terwijl ze richting het dichte bos gapen. Blijkbaar loopt daar een zwarte beer rond, die, zich onbewust van een tiental voyeurs, rond de boomstammen zoekt naar eten. De beren houden van deze habitat. Er zijn de zachte groene “meadows” in de hooglanden waar ze in de zomer van het groene gras eten, ze zijn verzot op de vruchten van zwarte eiken en er zijn zwarte bessen waar ze een moord voor zouden begaan. Het onbegrip rond het concept “beerprobleem” bevangt me plots. Alsof de aanwezigheid van beren in Yosemite Valley een schande zou zijn. Een woekerende kanker die uitgeroeid zou moeten worden. Het zijn de mensen die gevaarlijker zijn en verwoestender van aard dan de beren. Vooral de onwetende mensen die zichzelf in de nesten werken door geen aandacht te schenken aan een aantal belangrijke voorzorgsmaatregelen. Regelmatig worden beren aangereden door snelle chauffeurs of mensen aangevallen door beren omdat ze hen uitdagen. Ik kijk rond me en zoek naar een kind om Ranger Jeffs’ theorie te testen. Helaas, ik vang bot. De beer zal het vandaag zonder een kindersnack moeten doen.

 

P.

Californische Capriolen I

“Why travel half around the world and say ‘No’?” zegt M., terwijl hij nonchalant met zijn schouders schudt toen hij besloot tóch weg te gaan. We bevinden ons in de jeugdherberg en we zijn vertrokken. De deur uit. M. uit Australië, ikzelf uit het zeemzoete Boechout en een verloren lopen vrijbuiter uit Los Angeles die even over en weer is gekomen. “Change of scenery” noemt men dat. Die avond gaan we naar een of andere keet in de Castrobuurt van San Francisco, die ook wel bekend staat als de homobuurt van de vrijgevochten stad. Mijn moeder zou zeggen dat ik een taloor in mijn broek zou moeten steken ter bescherming van mijn innerlijke zelf, maar ik heb geen angst en ga de deur uit, gewapend met een camera en mensen die een halve wereld van elkaar wonen. Dat zou voldoende moeten zijn.

Uitgaan in de Verenigde Staten is een bijzondere ervaring. Je bent sterk gelimiteerd in de tijd. Om 02.00 moeten alle panden die alcohol serveren sluiten. De enige manier om nog open te blijven is de tap af te sluiten en uitsluitend non-alcoholische dranken te serveren. En wil je nog naar de nachtwinkel om alsnog in de alcohol te vliegen, moet je de geestrijke dranken goed verbergen. Want in het openbaar wandelen terwijl je zichtbaar van een fles alcohol nipt, wordt niet bepaald geapprecieerd door de lokale arm der wet. Toen ik de week na deze nacht iets ging halen met A., heb ik toch deze absurde regelgeving getrotseerd en een biertje gedronken op de top van Corona Heights, terwijl de gele verkeersaders in het nachtelijke San Francisco rusteloos stroomden aan onze voeten.

 

“I.D.’s please, gentlemen”. Nors kijkt de piekfijn geklede man naar mijn internationaal paspoort. Hij heeft wat weg van een basketballer uit de NBA. Iets groter dan mezelf, breed, gespierd maar volgens mij capabel voor een glimlach die wel een miljoenencontract bij een tandpastagigant waard is. We worden toegelaten. Dit is inmiddels de tweede bar die we aandoen, want de eerste bar in de Castro was weinig soeps. Hoewel ik reeds een Chimay binnen heb, laat ik me verleiden tot het proeven van een aantal lokale bieren. De reisgids die ik af en toe meesleur op pad weet me immers te zeggen dat de lokale “micro-breweries” best wel te pruimen zijn. Vooral de witbieren weten me wel te smaken. Zomerbiertjes zijn het, maar verdomd lekkere.

Het is stil, daarbuiten. Een doordeweekse dag. Maar in alle stilte bruist de stad. Vaag hoor ik de  misthoorn langgerekt en verlangend in de baai weergalmen terwijl niet ver boven het dak van de bar de mist als een langgerekte arm over de stad reikt. Zij komt van de zee, gebaard uit een ingewikkeld samenspel van warme, vochtige lucht en het koele oceaanwater. Het is tochtig. Koortsig waait de wind binnen en draagt de geuren van de stad met zich mee. Het subtiele parfum van een nabijgelegen bloemenperk wordt verstoord door de aanblik van drie voorbijtrekkende zwervers. In al deze gedaanten schreeuwt de stad haar ziel uit. Verlangend, smartelijk en hartstochtelijk. Een donkere schim doemt op en verheft zijn stem. “Gentlemen, we close in fifteen minutes. Just saying”.

P.

Ik geloof sterk in de stelling dat reizen een pelgrimage is. Je breekt net als de middeleeuwse pelgrim weg van je vertrouwde omgeving en gaat naar een bepaalde eindbestemming. Toch is de reisbestemming niet altijd even belangrijk. Vaak is de reis op zich belangrijker, omdat het je eigen karakter versterkt en aanscherpt. Je ontdekt nieuwe dingen, proeft van vreemde kusten en ervaart eigenaardigheden die je niet meteen kan plaatsen. In essentie doe je aan bewustzijnsverruiming. Augustinus zei dat de wereld een boek is en wie niet reist, slechts een pagina leest. Wellicht te pas en te onpas geciteerd door duizenden mensen, maar willens nillens een treffende uitspraak.

Morgen vertrek ik naar California, VS. Een staat met extremen, waarschuwt mijn reisgids me. Ik kan het me zo al inbeelden. Californication en sterke tegenculturen, een huwelijk van het progressieve en het conservatieve, gouden stranden en koele oerwouden, siliconenborsten en bruine beren: het komt er allemaal voor. Toen ik klein was had ik de neiging de VS te mythologiseren. Je zette de TV aan als kind en kijkt naar tientallen verschillende televisieseries die stuk voor stuk uit dat land aan de overkant van de Grote Plas komen. Mooie vrouwen, slechte mannen, gillende gitaarsolo’s en de onvermijdelijke lachbanden hebben me als kind altijd al gefascineerd. “Is het daar echt zo?”, vroeg ik me af. “Worden nerds altijd ‘gedoopt’ in wc’s om hun lunchgeld en zijn alle cheerleaders hete truffels?”. San Francisco leerde ik kennen door Full House: typische huisjes en de Golden Gatebrug. Op latere leeftijd leerde ik het gelukkig kennen via de prachtfilm Vertigo van Alfred Hitchcock. En daar kom ik weer een stukje van die pelgrimfilosofie tegen: twee mensen, een privédetective en een prachtige vrouw, die zich bezighouden met … “wandering about”. Rondzwerven. Zomaar de ene straat in en de andere uit. San Francisco lijkt inderdaad de plek te zijn om dat te doen.

Nu ga ik die richting uit en ben ik benieuwd wat er van die mythevorming is overgebleven. Zal het meevallen? Zal het tegenvallen? Word ik aangenaam verrast? Vanaf ik mijn politieke wereldbeschouwing begon te ontwikkelen, heb ik een afkeer ontwikkeld van het Amerikaanse buitenlandse beleid. De Amerikaanse hegemonie heeft lelijk huisgehouden in zowat iedere uithoek van de wereld sinds de Tweede Wereldoorlog. En in de eigen achtertuin, Latijns-Amerika, gebeurde dit al veel langer. Toch is het fout een bevolking negatief te beoordelen op basis van hun regering. Ook al is de VS een democratie, vaak is het slechts de vrijheid te kiezen voor je eigen onderdrukkers.

Het is een kinderdroom die uitkomt, naar dat vreemde land te gaan. En het voelt vreemd aan. Aangenaam-vreemd. Alle papieren zijn in orde en liggen klaar, de rugzakken zijn geladen en ik zit nu na te denken of ik niets vergeten ben. Morgen rond dit uur zit ik te vliegen boven de Atlantische Oceaan. Luxepelgrim anno 2011. Een echte zou met de kano gegaan zijn. Of nog beter: te voet over de ijskappen van de Noordpool. Maar het deert me niet. Ik ga het bulderende leven tegemoet, duik in het ongekende en word telkenmale herboren.  En wie weet kom ik mezelf nog tegen.

En nu een streepje muziek: de soundtrack van Vertigo!

P.

Madrid-Lima, 20.07.2010

20.07.2010, Madrid, 13.40

Leaving on a jetplane … naar Lima, Perú! Het weergaloze nummer van John Denver spookt rond in mijn hoofd, ik krijg het er niet uit! Maar in tegenstelling tot dit Amerikaanse heerschap laat ik niemand bedroefd achter, noch heb ik het gevoel al snel heimwee te krijgen. Momenteel hang ik in de lucht boven Spanje, dat land waar ik maar moeilijk een vat op kan krijgen. Geen wonder dat Don Quijote en Sancho Panza in de waan van het dolende ridderschap leefden toen zij hun avonturen beleefden. Vroeg opgestaan en weinig gegeten, maar dat deert niet. Ik ben helemaal klaar voor dit avontuur. Maandenlang aftellen tussen het thesisschrijven door, continu op Google Earth de te bezoeken plaatsen opgezocht en me mentaal en fysiek voorbereid op een reis die mij uit mijn sokken zal blazen. Beginnen met lopen, vaak stappen met de wandelschoenen om ze toch maar ingelopen te krijgen en véél lezen over het land waar ik naartoe ga. En dan nog eens de dag voor vertrek inpakken, wat geen sinecuur was. Wat neem ik immers mee? Ik ben nog nooit zover geweest en nog nooit heb ik zo een afwisselende reis gedaan. Uiteindelijk neem je als gevolg veel te veel mee. Better safe than sorry, zeker? Als ik ooit in mijn leven professor Barabas tegenkom en hij zegt tegen me dat ik slechts 1 moment mag uitkiezen waarheen ik mag terugreizen, dan is het dit moment wel. Ik sta voor de deur die naar het grote avontuur leidt en draai de klink verwachtingsvol om. Slechts vaag heb ik een idee wat ik de komende weken mag verwachten, maar ik hunker sterk naar het onverwachtse.

Tot nu toe klikt het goed met de groep, wat de reis op voorhand al half geslaagd. Een groepsreis kan in het water vallen wanneer de groep geen ‘klik’ heeft. Ik kan me inbeelden dat er groepen zijn vertrokken naar Peru waar het de eerste dag al ‘prijs’ was en de rest van de vakantie een domper krijgt door de onhebbelijkheid van mensen met een moeilijk karakter. Murphy is ons vandaag goedgezind! Iedereen brandt van verlangen naar 23 dagen Peru, het land waar eens de machtige Sapa Inca’s de kroon van Tawantinsuyu bekleedden. De reis wordt omschreven als een mysterie. Ik wil een deel van deze mystieke waas in mij op te nemen; in de voeten te treden van deze zonnekinderen en niet enkel door op cocabladeren te kauwen en de heilige chichadrank achterover te slaan.

Toen ik mijn thesis schreef ben ik in aanraking gekomen met interessante ideeën over reizen dankzij de reisverslagen van Ernest van der Hallen. Deze deden vragen in mij oprijzen. Wie ben ik, de man die deze reiservaring tegemoet gaat? Zeer zeker, ik ben een toerist die net als duizenden en miljoenen anderen naar een plaats gaat om zijn gewone bestaan te ontvluchten. Een unieke sneeuwvlok ben ik niet in dat opzicht. We zijn nakomelingen van de romantici en in elke reiziger schuilt er wel een al dan niet latente escapist. Maar in tegenstelling tot het gros van de toeristen is mijn reisdoel existentiëler van aard. Ik wil als ‘zwerver’ de verdwaasde toerist in mij uit de weg gaan. Ik weet maar al te goed dat dit niet 100% consequent nastreefbaar is. Ook ik wil het magische Machu Picchu ontdekken, in plaats van alleen maar het “onbedorvene” op te zoeken. Bestaat dat trouwens nog wel? Ik durf dat oude droombeeld in twijfel trekken. ‘Zwervers’ uit de 21ste eeuw moeten zich niet aan ijle dromen verhangen, maar ook het “platgetredene”, de tegenpool van het zogenaamde “onbedorvene”, durven betreden en beleven. Dit kan op een verinnerlijkte, eigen gemaakte manier waar de persoonlijke ervaring centraal staat. Zo worden deze plaatsen opnieuw ‘verwonderlijkt’. Is dit ook een ijdele droom, net als de zwerver die alleen het “onbedorvene” wil opzoeken? Er zit inderdaad een ambiguïteit in dit denken. Toch kunnen dromen meer zijn dan vage en ijdele gestalten: “All men dream, but not equally. Those who dream by night in the dusty recesses of their minds, wake in the day to find that it was vanity; but the dreamers of the day are dangerous men, for they may act their dream with open eyes, to make it possible”. (T.E. Lawrence)

P.

“Daar! Een condor!”

25.07.2010, buiten Chivay, 7.30.


Roy maakt op de minibus melding van 40-60 dorpjes in Colca Canyon, opgedeeld links en rechts van de diepe kloof. Het is nu ijskoud, wat te zien valt aan de vele ijsplekken op de grond, maar de zon begint langzamerhand warmte af te geven. We stappen uit in Yanque, een dorpje dat duidelijk ingericht is om karrenvrachten toeristen te ontvangen. We zien vrouwen in traditionele klederdracht dansen en een klein artisanaal marktje is al volledig ontplooid. Opvallend zijn ook de vrouwen met adelaars, lama’s en alpaca’s die toeristen vragen om er mee op de foto te staan in ruil voor een aantal soles. We begaven ons na een halfuurtje op de weg naar de landbouwterrassen en namen een gestrande Franse en Poolse toeriste met ons mee, die we in Cabanaconde achter ons zouden laten. De landbouwterrassen waren indrukwekkend om te zien. Een kilometer diep zagen we de rivier vloeien, als een glinsterende slang die zich doorheen het ruige berglandschap kronkelt.

 

 

Het hoogtepunt van de busreis van deze ochtend was ongetwijfeld het uitkijkpunt voor de condors. We bezochten een van de uitkijkpunten voor het bekende Mirador del Condor, omdat deze volgens Roy veel te toeristisch was. We stapten te voet naar het uitkijkpunt en vergaapten ons aan de ontzagwekkende kloof die onder onze neuzen verscheen. Wat een diepte! En dan, als een wonder, zagen we in de verte een forse mannetjescondor gestaag naar ons toe vliegen. “Daar! Een condor!” gaat de ronde. Het fototoestel in de aanslag, met sportmodus ingeschakeld voor snelle continuopnamen, volgden we dit prachtige wezen in zijn zachte en gemoedelijke vlucht. Daar komt hij. Hij bleef een tijdlang rond en boven ons zweven en verdween daarna met de Zuiderzon. De reden waarom er zoveel condors in dit gebied zijn ligt aan het feit dat dit een reservaat voor oude lastdieren is. Dat zorgt voor een aanzienlijk ‘aasbanket’ waar de condors niet aan kunnen weerstaan. Na dit prachtige zicht en terug op de bus heb ik nog een interessante babbel gehad met de Française over de sociaal-politieke situatie in Peru. Zij is een aantal maanden vrijwilliger in Lima, maar heeft momenteel nog veel vrije tijd die ze gebruikt om het land te ontdekken. We passeren de Mirador del Condor. Afgeladen vol met toeristen, een weinig aangename plek ondanks de condors die boven de bus vlogen. De Colca Canyon begint zich te vernauwen. Niet veel later arriveerden we in Cabanaconde, waar onze trektocht zal beginnen.


P.