TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Spengler over Michelangelo

Michelangelo Pieta.jpg

Pièta van Michelangelo (St.-Pietersbasiliek, Rome)

Voor Phidias is het marmer de kosmische stof die naar vorm verlangt. De legende van Pygmalion biedt de sleutel voor heel de essentie van deze apollinische kunst. Voor Michelangelo was het marmer de vijand die hij onderwierp, de kerker waaruit hij zijn idee moest bevrijden, zoals Siegfried Brünnhilde bevrijdt. Men kent de hartstochtelijke manier waarop hij het ruwe blok aanviel. Hij benaderde het niet van alle kanten met oog op de gewilde gestalte. Hij beitelde in de steen alsof hij in een ruimte beitelde en bracht een figuur tot stand door van het blok, beginnend aan de voorzijde, laag voor laag het materiaal weg te nemen en in de diepte door te dringen, terwijl de ledematen langzaam uit de massa vrijkwamen. De wereldangst voor het gewordene, voor de dood, die men door een levendige vorm probeert te bezweren, kan niet duidelijker worden uitgedrukt. Er is geen tweede kunstenaar in het Westen die zo’n diepte en tegelijk gewelddadige verhouding heeft tot de steen als symbool van de dood, tot het vijandige principe daarin, dat zijn demonische natuur steeds weer wilde bedwingen, of hij er nu zijn standbeelden uit hakte of de stenen torenhoog stapelde tot zijn imposante bouwwerken.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Advertenties

Spengler: de oorsprong van het hogere denken

Spengler

‘Van het vijfjarige jongetje naar mij is maar een stap. Maar van de pasgeborene naar het kind van vijf is een verbijsterende afstand’, heeft Tolstoj ooit gezegd. Hier, op dit beslissende punt van het bestaan, waar de mens pas mens wordt en zijn ontstellende eenzaamheid in het heelal leert kennen, toont zich de wereldangst als puur menselijke angst voor de dood, voor de grens in de wereld van het licht, voor de starre ruimte. Hier ligt de oorsprong van het hogere denken, dat in eerste instantie een nadenken is over de dood.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler over symbolen

Spengler

Symbolen zijn zintuiglijke tekens, laatste, ondeelbare en vooral ongewilde indrukken met een bepaalde betekenis. Een symbool is een trek van de werkelijkheid die voor wakkere mensen met directe innerlijke zekerheid iets betekent wat verstandelijk niet kan worden meegedeeld. Een Dorisch, vroeg-Arabisch, vroegromantisch ornament, de aanblik van een boerderij, van de familie, van het intermenselijke verkeer, klederdrachten en rituele handelingen, maar ook het gelaat, de manier van lopen en de houding van een mens, van hele standen en volkeren, de communicatievormen en woonvormen van alle mensen en dieren en bovendien heel de stomme taal van de natuur met haar bossen, grazige weiden, kudden, wolken, sterren, maanverlichte nachten en onweren, met bloeien en verwelken, nabijheid en verte – dat alles is een zinnebeeldige indruk die het kosmische maakt op ons die wakker zijn en die op momenten van inkeer die taal heel goed verstaan; en anderzijds is het gevoel de dingen dienovereenkomstig te begrijpen datgene wat families, stammen en ten slotte hele culturen uit de algemene mensheid licht en bijeenhoudt.

Uit: Oswald Spengler, De ondergang van het Avondland (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler: de geboorte en het sterven van een cultuur

Spengler

Een cultuur wordt geboren op het moment waarop een grote ziel uit de oerzielachtige toestand van de eeuwig kinderlijke mensheid ontwaakt, zich losmaakt, een gestalte uit het vormloze, iets begrensd en vergankelijks uit het grenzeloze en gelijkblijvende opduikt. Zij komt tot bloei op de bodem van een nauwkeurig te begrenzen landstreek, waaraan ze als een plant gebonden blijft. Een cultuur sterft als deze ziel al haar mogelijkheden in de gedaante van volkeren, talen, geloofsleren, kunsten, staten, wetenschappen heeft verwerkelijkt en terugkeert naar het oerzielenleven. Haar levende bestaan, de opeenvolging van grote tijdperken die strikt genomen de voortschrijdende voltooiing markeren, is echter een diep innerlijke, hartstochtelijke strijd voor het behoud van de idee tegenover de machten van de chaos van buiten alsook tegen het onbewuste van binnen, waarin die machten zich wrokkig hebben teruggetrokken. Niet alleen de kunstenaar vecht tegen de weerstand van de materie en tegen de vernietiging van de idee in hemzelf. Elke cultuur staat in diep symbolische en haast mystieke relatie tot de uitgebreidheid, tot de ruimte waarin en waardoor ze zich wil verwerkelijken. is het doel bereikt en de idee in al haar innerlijke mogelijkheden ten volle ontplooid en naar buiten toe verwerkelijkt, dan verstart de cultuur plotseling. Ze sterft af, haar bloed stolt, haar krachten breken – ze wordt civilisatie. Dit is wat we voelen bij de woorden ‘egypticisme’, ‘byzantinisme’ en ‘mandarijnendom’ en wat we daaronder verstaan. Zo kan ze, als een verweerde woudreus in het oerwoud, nog honderden en duizenden jaren lang haar vermolmde takken omhoogsteken. We zien het aan China, aan India, aan de wereld van de islam. Zo rees de antieke civilisatie van de keizertijd met een schijnbaar jeugdige kracht en weelderigheid reusachtig op en beroofde de jonge Arabische cultuur van het Oosten van lucht en licht.

Dit – de innerlijk en uiterlijke voltooiing, het ‘af-zijn’ dat elke levende cultuur te wachten staat – is de strekking van alle ondergangen van de geschiedenis. De ‘ondergang van de klassieke oudheid’ staat ons in grote lijnen het duidelijkst voor ogen, terwijl we de vroegste voorbodes van onze eigen ondergang, een wat verloop en duur betreft in elk opzicht vergelijkbare gebeurtenis, die de eerste eeuwen van de komende millennia zal beslaan, de ‘ondergang van het Avondland’, vandaag de dag al duidelijk in ons en om ons heen bespeuren.

Uit: De ondergang van het Avondland, Oswald Spengler (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017).

Spengler: ‘wiskunde is dus ook een kunst’

Spengler

De wiskunde reikt echter boven observeren en ontleden uit. Op haar hoogtepunten gaat zij visionair, niet abstraherend te werk. Van Goethe stamt ook de diepzinnige uitspraak dat de wiskundige alleen volmaakt is voor zoverre hij innerlijk de schoonheid van het ware ervaart. Hier zal men voelen hoe dicht het geheim dat in de essentie van het getal besloten ligt en het geheim van de artistieke schepping bij elkaar liggen. Hiermee komt de geboren wiskundige naast de grootmeesters van de fuga, de beitel en het penseel te staan, die zich eveneens die grote orde van alle dingen, die de alledaagse medemens van hun cultuur in zich draagt zonder ze echt te bezitten, in symbolen willen en moeten kleden, verwerkelijken en mededelen. Hiermee wordt het rijk van de getallen naast het rijk van de klanken, lijnen en kleuren een afbeelding van de wereldvorm. Daarom betekent het woord ‘scheppend’ op wiskundig vlak meer dan in de pure wetenschappen. Newton, Gauss en Riemann waren kunstzinnige naturen. Lees na hoe hun grote denkbeelden hun plotseling invielen. ‘Een wiskundige’, meende de oude Weierstrass, ‘die niet tevens iets zoals een dichter is, zal nooit een volmaakt wiskundige zijn.’

Uit: De ondergang van het Avondland, Oswald Spengler (Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2017)

Spengler: hun oudheid

Hun ‘oudheid’ vormde steevast de achtergrond voor een levensideaal dat ze zelf hadden geschapen en met hun hartenbloed hadden gevoed, een vat waarin ze hun eigen wereldgevoel konden uitgieten, een fantoom, een idool. In filosofische en poëtische kringen haalt men zijn hart op aan de gedurfde beschrijvingen van de drukte in de grote stad bij Aristophanes, Juvenalis en Petronius, aan de vuiligheid van het Zuiden en het gepeupel, het lawaai en de gewelddadigheid, aan lustknapen en courtisanes, aan de falluscultus en de caesarische orgieën – maar voor dezelfde realiteit in de huidige wereldsteden haalt men zijn neus op en gaat het klagend uit de weg. ‘In de steden is het slecht wonen: daar zijn te veel wellustige mensen.’ Aldus sprak Zarathoestra.

Uit: De ondergang van het Avondland van Oswald Spengler (Boom, Amsterdam, 2017)

1984 – “Doublethink”

1984_by_alcook-d4z39dh

To know and not to know, to be conscious of complete truthfulness while telling carefully constructed lies, to hold simultaneously two opinions which cancelled out, knowing them to be contradictory and believing in both of them; to use logic against logic, to repudiate morality while laying claim to it, to believe that democracy was impossible and that the Party was the guardian of democracy; to forget whatever it was necessary to forget, then to draw it back into memory again at the moment when it was needed, and then promptly to forget it again: and above all, to apply the same process to the process itself. That was the ultimate subtlety: consciously to induce unconsciousness, and then, once again, to become unconscious of the act of hypnosis you had just performed. Even to understand the word ‘doublethink’ involved the use of doublethink.

George Orwell, 1984

De brandschatting van Yuan Ming Yuan

In augustus 1860 tijdens de Tweede Opiumoorlog landden 18.000 Britse en Franse strijdkrachten in de baai van Pechili, op een boogscheut van Peking gelegen. Gesteund door een leger van Chinese hulptroepen weten zij snel op te rukken naar de Chinese hoofdstad om de Qing-dynastie tot onderhandelingen te dwingen. Hoewel de veldtocht militair gezien al snel succesvol wordt beëindigd zinken de afgevaardigden van de geallieerden snel weg in het moeras van de Chinese diplomatie met haar raadselachtige etiquette en een keizer die wegvlucht met zijn eunuchen naar een schuilplek voorbij de Chinese Muur. Begin oktober van dat jaar stuiten de geallieerde troepen net buiten Peking op de verbijsterende Yuan Ming Yuan-tuin, verfraaid met talloze paleizen en paviljoens.

“Herten met fabelachtige geweien liepen er tussen bosschages en licht kreupelhout te grazen op de hellingen van kunstmatige bergen, en al die onbegrijpelijke pracht van de natuur en de door mensenhand daarin aangebrachte wonderen werden weerspiegeld in de donkere waterpartijen die door geen zuchtje wind werden bewogen. De verschrikkelijke vernietiging die gedurende de volgende dagen in het legendarische tuinlandschap werd aangericht en die spotte met alle militaire discipline en hoe dan ook met elke reden, is slechts gedeeltelijk te verklaren als een gevolg van de woede over de steeds maar uitgestelde beslissing.

De ware reden voor de brandschatting van Yuan Ming Yuan lag vermoedelijk in de ongehoorde provocatie die deze paradijselijke wereld, gecreëerd uit de aardse werkelijkheid en alle ideeën over het Chinese gebrek aan beschaving logenstraffend, betekende voor de soldaten, die zelf oneindig ver van huis waren geraakt en uitsluitend gewend waren aan dwang, ontbering en onderdrukking van hun verlangens.”

Uit: W.G. Sebald, De ringen van Saturnus

“Besides, Dorian, don’t deceive yourself”

Life is not governed by will or intention. Life is a question of nerves, fibres, and slowly built-up cells in which thought hides itself and passion has its dreams. You may fancy yourself safe, and think yourself strong. But a chance tone of colour in a room or a morning sky, a particular perfume that you had once loved and that brings subtle memories with it, a line from a forgotten poem that you had come across again, a cadence from a piece of music that you had ceased to play – I tell you, Dorian, that is on things like these that our lives depend.

Oscar Wilde, The picture of Dorian Gray

A kind of glory

brand_bio_bsfc_120766_sf_2997_005_20131219_v1_hd_768x432-16x9-800x0-c-default

Sometimes a kind of glory lights up the light of a man. It happens to nearly everyone. you can feel it growing or preparing like a fuse burning toward dynamite. It is a feeling in the stomach, a delight of the nerves, of the forearms. The skin tastes the air, and every deep-drawn breath is sweet. its beginning has the pleasure of a great stretching-yawn; it flashes in the brain and the whole world glows outside your eyes. A man may have lived all of his life in the gray, and the land an trees of him dark and somber. The events, even the important ones, may have trooped by faceless and pale. And then – the glory – so that a cricket song sweetens his ears, the smell of the earth rises chanting to his nose, and dappling light under a tree blesses his eyes. Then a man pours outward, a torrent of him, and yet he is not diminished. And I guess a man’s importance in the world can be measured by the quality and number of his glories. It is a lonely thing but it relates to the world. It is the mother of all creativeness, and it sets each man separate from all other men.

Uit: John Steinbeck, East of Eden