TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

The creation of the Silk Road

1825030

We can imagine the life of a gold coin two millennia ago, struck perhaps in a provincial mint and used by a young soldier as part of his pay to buy goods on the northern frontier of England and finding its way back to Rome in the coffers of an imperial official to collect taxes, before passing into the hands of a trader heading east, and then being used to pay for produce bought from traders who had come to sell their provisions at Barygaza. There it was admired and presented to leaders in the Hindu Kush, who marvelled at its design, shape and size and then gave it over to be copied by an engraver – himself perhaps from Rome, perhaps from Persia, or from India or China, or perhaps even someone local who had been taught the skills or striking. This was a world that was connected, complex and hungry for exchange.

Peter Frankopan, The Silk Roads

Advertenties

Hoe zou het zijn?

Hoe zou het zijn om in een wereld te leven waarin alles met handkracht, wind of water werd gedaan? hoe zou het zijn om in een wereld te leven waarin de Amerikaanse indianen nog in vrede leefden? Waarin dat leven een feitelijke mogelijkheid betekende? Waarin Afrika nog niet veroverd was? Waarin de duisternis viel met zonsondergang en het licht werd met zonsopgang? Waarin de mensen én te gering in aantal waren én te simpele werktuigen hadden om het dierenbestand te beïnvloeden, laat staan uit te roeien? Waarin je niet zonder inspanning van de ene plaats naar de andere kwam en comfort alleen aan de rijken voorbehouden was, waarin de zee vol walvissen zat, de bossen vol beren en wolven en er nog steeds land bestond dat zo vreemd was dat geen enkel sprookje eraan kon tippen, zoals China, dat een reis betekende die niet alleen maandenlang duurde en slechts een ontzettend kleine minderheid zeevaarders en handelslieden vergund was, maar die bovendien verbonden was met dodelijk gevaar. Natuurlijk was die wereld grof en armoedig, vuil en door ziekte geplaagd, vol dronkenschap en onwetendheid, vol pijn, was de levensverwachting gering en het bijgeloof groot, maar hij bracht de grootste schrijver, Shakespeare, de grootste schilder, Rembrandt, de grootste wetenschapper, Newton, voort, allen nog steeds onovertroffen op hun gebied, en hoe kan het dat juist die tijd zo’n overvloed kende? Kwam dat omdat de dood dichterbij was en het leven daardoor intenser?

Karl Ove Knausgård, Liefde

What to water did Bloom, waterlover, drawer of water, watercarrier returning to the range, admire?

Its universality : its democratic equality and constancy to its nature in seeking its own level: its vastness in the ocean of Mercator’s projection: its umplumbed profundity in the Sundam trench of the Pacific exceeding 8,000 fathoms: the restlessness of its waves and surface particles visiting in turn all points of its seaboard: the independence of its units: the variability of states of sea: its hydrostatic quiescence in calm: its hydrokinetic turgidity in neap and spring tides: its subsidence after devastation: its sterility in the circumpolar icecaps, arctic and antarctic: its climatic and commercial significance: its preponderance of 3 to 1 over the dry land of the globe: its indisputable hegemony extending in square leagues over all the region below the subequatorial tropic of Capricorn: the multisecular stability of its primeval basin: its luteofulvous bed: Its capacity to dissolve and hold in solution all soluble substances including billions of tons of the most precious metals: its slow erosions of peninsulas and downwardtending promontories: its alluvial deposits: its weight and volume and density: its imperturbability in lagoons and highland tarns: its gradation of colours in the torrid and temperate and frigid zones: its vehicular ramifications in continental lakecontained streams and confluent oceanflowing rivers with their tributaries and transoceanic currents: gulfstream, north and south equatorial courses: its violence in seaquakes, waterspouts, artesian wells, eruptions, torrents, eddies, freshets, spates, groundswells, watersheds, waterpartings, geysers, cataracts, whirlpools, maelstroms, inundations, deluges, cloudbursts: its vast circumterrestrial ahorizontal curve: its secrecy in springs, and latent humidity, revealed by rhabdomantic or hygrometric instruments and exemplified by the hole in the wall at Ashtown gate, saturation of air, distillation of dew: the simplicity of its composition, two constituent parts of hydrogen with one constituent part of oxygen: its healing virtues: its buoyancy in the waters of the Dead Sea: its persevering penetrativeness in runnels, gullies, inadequate dams, leaks on shipboard: its properties for cleansing, quenching thirst and fire, nourishing vegetation: its infallibility as paradigm and paragon: its metamorphoses as vapour, mist, cloud, rain, sleet, snow, hail: its strength in rigid hydrants: its variety of forms in loughs and bays and gulfs and bights and guts and lagoons and atolls and archipelagos and sounds and fjords and minches and tidal estuaries and arms of sea: its solidity in glaciers, icebergs, icefloes: its docility in working hydraulic millwheels, turbines, dynamos, electric power stations, bleachworks, tanneries, scutchmills: its utility in canals, rivers, if navigable, floating and graving docks: its potentiality derivable from harnessed tides or watercourses falling from level to level: its submarine fauna and flora (anacoustic, photophobe) numerically, if not literally, the inhabitants of the globe: its ubiquity as constituting 90% of the human body: the noxiousness of its effluvia in lacustrine marshes, pestilential fens, faded flowerwater, stagnant pools in the waning moon.

Uit: Ulysses (James Joyce)

29

Bijna op “tram 3”, het nakende einde van de roaring twenties. Ben ik binnen een paar jaar een grijsgedraaide dertiger, een vertoning (of waarschuwing?) van middelmatigheid – that face from the Waterloo steps! – en vastgeklonken in zijn routine? Ach, is hier wel ruimte voor zulke aanmatigende melancholie over mijn entropie? I am the captain of my soul, niet? De volgende scène schetst mijn ingesteldheid, een geslaagd huwelijk van geestige mijmerades en muzikale intoxicatie. Ik heb mijn ontwaking altijd te danken gehad aan muziek. Tijd dus om een gepaste hulde te brengen.

___

Op de piano speelt een kleine gezette man met bolhoed en borstelsnor de Gymnopédies van Erik Satie. Zijn vingers dansen langzaam over de toetsen zonder een valse noot aan te roeren. Excentriek, zacht, mild-dissonant, atmosferische rebellie. Mogelijk, misschien, evenwel onder de invloed van de poëzie van Latour’s Les Antiques:

Oblique et coupant l’ombre un torrent éclatant

Ruisselait en flots d’or sur la dalle polie

Où les atomes d’ambre au feu se miroitant

Mêlaient leur sarabande à la gymnopédie

Wat voegt muziek aan een menselijk leven toe? Zij levert verlichting of legt de nodige zwaarte in een moment; een kletterend drama met de hele santenboetiek of de zoete troost van een nachtegalenlied. Alles door elkaar. Aan de omineuze glorie van Bach naar links, dan oversteken bij  een psychedelische roes van krautrock en op het einde vind je de hemels-infernale intoxicatie van Urfaust. Muziek schept een kosmische atmosfeer en staat de luisteraar toe een aartsbanale wereld rondom zich af te sluiten, weg van nare sociale verwachtingen en verstikkende conventies. Muziek creëert een stille, heilige ruimte waarin een weemoedig mijmeren mogelijk wordt als balsem voor de ziel. Met deze tandem van melancholie en heling brengt muziek een mens in een toestand die onthecht lijkt van de tijd. Even, heel even, krijgt hij het gevoel iets te beheersen. Dan licht hij even de sluier op en zegt hij tegen zichzelf: “kijk, daar voorbij alle blablabla, heb ik het leven gevonden”.

P.

Perzische nacht

De nacht is net gevallen en haar schoonheid treft mij als een hallucinatie. Ik hoor de tonen van een tar heen en weer zinderen in mijn hoofd, een Perzische meester speelt voor mij zijn extatisch repertoire, en ik probeer alle andere geluiden weg te filteren zodat het imaginaire geluid helemaal tot zijn uiting komt. Misschien moet je daarvoor wel in Iran geweest zijn, in die mateloos beschaafde cultuur met een voorliefde voor extatische poëzie en filosofisch dronkenschap, een volk dat zijn dichters nog kent en niet verlegen is om de kantjes ervan af te lopen. Nee, probeer het, met muziek die je ziel weet te beroeren, die zoals Shajarian me naar het Hasht Beheshtpaleis werpt in een ongenaakbaar Safavidisch Esfahan, daarmee een nostalgie verwekkend naar een tijd die ik niet meegemaakt kon hebben, maar waar ik intens naar verlang, die me zijdezacht-brutaal arresteert. Ik beloof je …

P.

Evola on the “Hidden Imam”

We shall recall in passing that even after the Islamic conquest of the ancient Iranian regions some themes connected to the previous tradition eventually enjoyed a revival. Thus, from the reign of the Safavids (1501-1722) onward the official religion of Persia has been imamism, which is based on the idea of an invisible leader (imam), who after a period of “absence” will one day reappear “to defeat injustice and to reestablish a Golden Age on earth.” The Persian monarchs claimed to be the spokesmen of the Hidden Imam until the day of his return. It is the ancient Aryan-Iranian theme of Saoshyant.

Julius Evola, Revolt against the modern world.

In perspectief gezet door Thomas Mann

41xew0yfchl-_ux250_

Wat overzien wij maar een onbeduidend stukje van ons eigen leven, als je dat vergelijkt met de diepte van de wereldtijd! En toch, als onze blik zich richt op het individuele en eigene, dan verliest die zich net zo dromerig en omfloerst in eigen vroegten en verten als wanneer we het veel grotere mensheidsleven in beeld proberen te krijgen – ontroerd door de waarneming van een eenheid die zich daarin herhaalt.

Uit: Jozef en zijn broers van Thomas Mann

Wilflingen, 24. Dezember 1968

juenger_ernst_honorarfrei-ba2

Am Weihnachtsabend nach alter Gewohnheit ein Licht auf den Friedhof gebracht. Ich vergrub es zur Hälfte im Schnee, den es durchleuchtete. Oben zog Gewölk am bleichen Mond vorbei, der zur Stunde von einem amerikanischen Team umrundet wird.

Wenn ich ein Licht auf ein Grab stelle, bewirkt es nichts, aber es besagt viel. Es leuchtet für das Universum, bestätigt seinen Sinn.

Wenn sie den Mond umfliegen, bewirkt das viel, doch es bedeutet weniger.

(Ernst Jünger, Siebzig verweht)

Erwin Mortier: ‘Gestameld liedboek’

Wat me nog het meest bij haar opvalt, wat me de meeste treurnis bezorgt, dat is de dubbele stilte van haar zijn. De taal heeft de koffers gepakt en is over de reling van het kapseizende schip gesprongen, maar er heerst ook een andere stilte in haar of rond haar. Ik hoor de muziek van haar ziel niet meer; de existentiële aura om haar heen, dat hele vibrerende laken van narratieven en symbolieken waarmee ze zichzelf in de wereld heeft geweven – of omgekeerd, de wereld in haar.

Dierlijke of kunstzinnige wreedheid?

Uit ‘De Broers Karamazov’, gesprek tussen Ivan en Aljosja Karamazov:

Je hoort wel eens spreken van de “dierlijke” wreedheid van de mens, maar dat is verschrikkelijk onrechtvaardig en beledigend voor de dieren: een dier kan nooit zo wreed zijn als de mens, zo artistiek, zo kunstzinnig wreed. Een tijger bijt gewoon, verscheurt, want iets anders kan hij niet. Het zou niet in zijn kop opkomen om mensen een nachtlang aan hun oren aan een schutting te nagelen, ook al zou hij daartoe in staat zijn. Die Turken kennen overigens geen groter genot dan het martelen van kinderen, ze snijden ze met hun dolk uit de moederbuik, of ze gooien zuigelingen omhoog en vangen ze, voor de ogen van de moeders, op de punt van hun bajonet op. Voor de ogen van de moeders, dat is de grootste lol ervan. En er was nog een scène die me erg interesseerde. Stel je voor: een zuigeling op de armen van zijn van angst bevende moeder, rondom Turken die binnengedrongen waren. Die wilden eens een geintje uithalen: ze aaiden het kindje, ze lachten om het aan het lachen te maken, dat lukte, het kindje moest lachen. Op dat ogenblik richt een Turk van vier duim aftand een pistool op het gezichtje. Het jongetje lacht blij, strekt zijn armpjes uit om het pistool te pakken en opeens haalt de artiest de trekker over, recht in het gezichtje, en schiet zijn hoofdje aan pulp … Kunstzinnig, nietwaar? Overigens zegt men dat Turken erg van zoet houden.