TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

29

Bijna op “tram 3”, het nakende einde van de roaring twenties. Ben ik binnen een paar jaar een grijsgedraaide dertiger, een vertoning (of waarschuwing?) van middelmatigheid – that face from the Waterloo steps! – en vastgeklonken in zijn routine? Ach, is hier wel ruimte voor zulke aanmatigende melancholie over mijn entropie? I am the captain of my soul, niet? De volgende scène schetst mijn ingesteldheid, een geslaagd huwelijk van geestige mijmerades en muzikale intoxicatie. Ik heb mijn ontwaking altijd te danken gehad aan muziek. Tijd dus om een gepaste hulde te brengen.

___

Op de piano speelt een kleine gezette man met bolhoed en borstelsnor de Gymnopédies van Erik Satie. Zijn vingers dansen langzaam over de toetsen zonder een valse noot aan te roeren. Excentriek, zacht, mild-dissonant, atmosferische rebellie. Mogelijk, misschien, evenwel onder de invloed van de poëzie van Latour’s Les Antiques:

Oblique et coupant l’ombre un torrent éclatant

Ruisselait en flots d’or sur la dalle polie

Où les atomes d’ambre au feu se miroitant

Mêlaient leur sarabande à la gymnopédie

Wat voegt muziek aan een menselijk leven toe? Zij levert verlichting of legt de nodige zwaarte in een moment; een kletterend drama met de hele santenboetiek of de zoete troost van een nachtegalenlied. Alles door elkaar. Aan de omineuze glorie van Bach naar links, dan oversteken bij  een psychedelische roes van krautrock en op het einde vind je de hemels-infernale intoxicatie van Urfaust. Muziek schept een kosmische atmosfeer en staat de luisteraar toe een aartsbanale wereld rondom zich af te sluiten, weg van nare sociale verwachtingen en verstikkende conventies. Muziek creëert een stille, heilige ruimte waarin een weemoedig mijmeren mogelijk wordt als balsem voor de ziel. Met deze tandem van melancholie en heling brengt muziek een mens in een toestand die onthecht lijkt van de tijd. Even, heel even, krijgt hij het gevoel iets te beheersen. Dan licht hij even de sluier op en zegt hij tegen zichzelf: “kijk, daar voorbij alle blablabla, heb ik het leven gevonden”.

P.

Perzische nacht

De nacht is net gevallen en haar schoonheid treft mij als een hallucinatie. Ik hoor de tonen van een tar heen en weer zinderen in mijn hoofd, een Perzische meester speelt voor mij zijn extatisch repertoire, en ik probeer alle andere geluiden weg te filteren zodat het imaginaire geluid helemaal tot zijn uiting komt. Misschien moet je daarvoor wel in Iran geweest zijn, in die mateloos beschaafde cultuur met een voorliefde voor extatische poëzie en filosofisch dronkenschap, een volk dat zijn dichters nog kent en niet verlegen is om de kantjes ervan af te lopen. Nee, probeer het, met muziek die je ziel weet te beroeren, die zoals Shajarian me naar het Hasht Beheshtpaleis werpt in een ongenaakbaar Safavidisch Esfahan, daarmee een nostalgie verwekkend naar een tijd die ik niet meegemaakt kon hebben, maar waar ik intens naar verlang, die me zijdezacht-brutaal arresteert. Ik beloof je …

P.

Evola on the “Hidden Imam”

We shall recall in passing that even after the Islamic conquest of the ancient Iranian regions some themes connected to the previous tradition eventually enjoyed a revival. Thus, from the reign of the Safavids (1501-1722) onward the official religion of Persia has been imamism, which is based on the idea of an invisible leader (imam), who after a period of “absence” will one day reappear “to defeat injustice and to reestablish a Golden Age on earth.” The Persian monarchs claimed to be the spokesmen of the Hidden Imam until the day of his return. It is the ancient Aryan-Iranian theme of Saoshyant.

Julius Evola, Revolt against the modern world.

In perspectief gezet door Thomas Mann

41xew0yfchl-_ux250_

Wat overzien wij maar een onbeduidend stukje van ons eigen leven, als je dat vergelijkt met de diepte van de wereldtijd! En toch, als onze blik zich richt op het individuele en eigene, dan verliest die zich net zo dromerig en omfloerst in eigen vroegten en verten als wanneer we het veel grotere mensheidsleven in beeld proberen te krijgen – ontroerd door de waarneming van een eenheid die zich daarin herhaalt.

Uit: Jozef en zijn broers van Thomas Mann

Wilflingen, 24. Dezember 1968

juenger_ernst_honorarfrei-ba2

Am Weihnachtsabend nach alter Gewohnheit ein Licht auf den Friedhof gebracht. Ich vergrub es zur Hälfte im Schnee, den es durchleuchtete. Oben zog Gewölk am bleichen Mond vorbei, der zur Stunde von einem amerikanischen Team umrundet wird.

Wenn ich ein Licht auf ein Grab stelle, bewirkt es nichts, aber es besagt viel. Es leuchtet für das Universum, bestätigt seinen Sinn.

Wenn sie den Mond umfliegen, bewirkt das viel, doch es bedeutet weniger.

(Ernst Jünger, Siebzig verweht)

Erwin Mortier: ‘Gestameld liedboek’

Wat me nog het meest bij haar opvalt, wat me de meeste treurnis bezorgt, dat is de dubbele stilte van haar zijn. De taal heeft de koffers gepakt en is over de reling van het kapseizende schip gesprongen, maar er heerst ook een andere stilte in haar of rond haar. Ik hoor de muziek van haar ziel niet meer; de existentiële aura om haar heen, dat hele vibrerende laken van narratieven en symbolieken waarmee ze zichzelf in de wereld heeft geweven – of omgekeerd, de wereld in haar.

Dierlijke of kunstzinnige wreedheid?

Uit ‘De Broers Karamazov’, gesprek tussen Ivan en Aljosja Karamazov:

Je hoort wel eens spreken van de “dierlijke” wreedheid van de mens, maar dat is verschrikkelijk onrechtvaardig en beledigend voor de dieren: een dier kan nooit zo wreed zijn als de mens, zo artistiek, zo kunstzinnig wreed. Een tijger bijt gewoon, verscheurt, want iets anders kan hij niet. Het zou niet in zijn kop opkomen om mensen een nachtlang aan hun oren aan een schutting te nagelen, ook al zou hij daartoe in staat zijn. Die Turken kennen overigens geen groter genot dan het martelen van kinderen, ze snijden ze met hun dolk uit de moederbuik, of ze gooien zuigelingen omhoog en vangen ze, voor de ogen van de moeders, op de punt van hun bajonet op. Voor de ogen van de moeders, dat is de grootste lol ervan. En er was nog een scène die me erg interesseerde. Stel je voor: een zuigeling op de armen van zijn van angst bevende moeder, rondom Turken die binnengedrongen waren. Die wilden eens een geintje uithalen: ze aaiden het kindje, ze lachten om het aan het lachen te maken, dat lukte, het kindje moest lachen. Op dat ogenblik richt een Turk van vier duim aftand een pistool op het gezichtje. Het jongetje lacht blij, strekt zijn armpjes uit om het pistool te pakken en opeens haalt de artiest de trekker over, recht in het gezichtje, en schiet zijn hoofdje aan pulp … Kunstzinnig, nietwaar? Overigens zegt men dat Turken erg van zoet houden.

“Het woord is koning en tovenaar terzelfder tijd”

We gingen uit van het verheven voorbeeld van Linnaeus die met zijn maarschalksstaf des woords de chaos van dieren- en plantenrijk had betreden. En fraaier dan alle veroveringen door het zwaard heerst zijn oppermacht over bloeiende weiden en over de legioenen van wemelend gedierte.

In navolging van hem lieten ook wij ons voortdrijven door het vermoeden dat in de elementen orde heerste, want de mens voelt immers heel in de diepte aandrift de schepping met zijn zwakke geest na te bootsen, zoals de vogel de aandrift tot nestelen bezit. Wat onze inspanningen zo kostelijk beloonde, dat was het inzicht dat verhoudingen en regels onvergankelijk zijn ingebed in het toeval en de woelingen dezer aarde. Bij het klimmen naderen wij tot het geheim dat het stof in zich bergt. Bij elke stap omhoog in het gebergte verdwijnt iets meer van het toevalspatroon van de horizon, en als wij eenmaal hoog genoeg zijn gekomen omsluit ons overal, waar wij ook staan, de zuivere ring die ons bindt aan de eeuwigheid.

Koi seyo otome

Ik sta op, ga naar het toilet en bekijk mezelf in de spiegel terwijl ik mijn handen begraaf in het koele water van de kraan. Die prille groeven graven zich diep rond mijn ogen in, die eigenaardige kentering van mijn mond is al aan het verzakken en dat mijn haarlijnen straks ver zullen terugdeinzen staat in de sterren geschreven. Het is boeiend te zien hoe een jong gezicht een lange schemerperiode ondergaat voor je ze werkelijk oud kan noemen. Die langzame tocht naar de verzakking en verdorring is niet tegen te houden, het maakt niet uit hoeveel botoxinjecties je achter de rug hebt of dag- en nachtcrèmes gebruikt. Sommige mensen zijn echter op hun mooist als ze hoogbejaard zijn, wanneer ze de meest markante gezichten hebben, haast een historisch, monumentaal landschap met talloze kenmerken die enkel de ingewijde vrienden kunnen verklaren. Ik ben trouwens best goed in het tegenkomen van oudere dubbelgangers van vrienden, wat me een goed beeld geeft hoe zij er zullen uitzien op oudere leeftijd. Dan lijkt het of ik een blik in de toekomst heb kunnen werpen.

Het verouderen besef je pas wanneer je heel bewust in de spiegel kijkt, niet zoals je dat doet om je tanden te poetsen of je haar goed te leggen, maar jezelf als onderwerp van een hartstochtelijke inspectie. Dan treedt een hapering op in dat vertrouwde, wat alledaagse zelfbeeld: je staat daar met het plotse besef dat je een jaar ouder bent geworden, dat het kinderachtige is verdwenen of de jeugd zelf dreigt te verdwijnen bij het verschijnen van de eerste rimpel, het eerste grijze haartje of een cynische grijns die je eerder niet had. In The Portrait of an Artist as a Young Man gebruikt James Joyce het begrip arrestation daarvoor erg treffend: onderbroken worden; een stille mijmering of net luidop getroffen worden door een allesonthullende gedachte. Als we dat kunnen proppen tussen geboorteschreeuw en doodsreutel hebben we er dan toch iets van dat leven kunnen vatten. Koi seyo otome.

P.

Enkele citaten uit ‘L’oeuvre au noir’

‘Er zijn dagen waarop ik, mijn Plutarchus overlezend, tegen mezelf zeg dat het te laat is, dat de mens en de wereld hun tijd hebben gehad’, zei de kapitein.

‘Zinsbedrog’, zei Zeno. ‘Het is met jouw gouden tijden als met Damascus en met Konstantinopel, die mooi zijn van een afstand; men moet door hun straten lopen om hun melaatsen en hun gecrepeerde honden te zien. Jouw Plutarchus leert me dat Hephaestion volhield op vastendagen te eten als de eerste de beste ziekelijke veelvraat, en dat Alexander dronk als een Duitse huurling. Weinig tweevoeters sinds Adam hebben de naam mens verdiend.’

***

‘(…) Het irriteerde me dat de mens aldus zijn wezenlijke functies verspilde aan haast altijd schadelijke ficties, over kuisheid sprak alvorens de geslachtelijke machine te hebben ontleed, over de vrije wil redetwistte in plaats van de ontelbare duistere redenen na te gaan die je doen knipperen als ik plotseling een stok voor je ogen breng, of over de hel alvorens de dood van naderbij te hebben geobserveerd.’

***

‘Wij twijfelen’, zei de prior met plotseling trillende stem, ‘we hebben getwijfeld … Gedurende hoeveel nachten heb ik niet de gedachte teruggedrongen dat God slechts als een tiran of als een onbekwame monarch boven ons troont, en dat de atheïst die hem loochent de enige mens is die niet blasfemeert … Maar toen is me een licht gaan schijnen; de ziekte opent ons de ogen. Als wij ons eens vergasten wanneer we Zijn almacht postuleren en in ons lijden het werk van Zijn wil zien? Als het eens aan ons was te maken dat Zijn rijk komt? Ik heb onlangs gezegd dat God Zijn afgevaardigden zendt; ik ga nog verder Sébastien. Misschien is Hij slechts een kleine vlam in onze handen en is het onze taak deze te voeden en te zorgen dat hij niet dooft; misschien zijn wij het verste put tot waar Hij kan reiken … Hoeveel ongelukkigen die zich ergeren aan het idee van Zijn almacht zouden uit het diepst van hun wanhoop toesnellen als men hun vroeg om Gods zwakheid te hulp te komen?’

***

In deze wereld zonder geesten was zelfs de wreedheid zuiver: de vis die in het water dartelde zou over een ogenblik niets anders meer zijn dan een bloederig hapje in de snavel van een gevleugelde visser, maar de vogel gaf geen valse voorwendsels aan zijn honger. De vos en de haas, de list en de angst, bevolkten het duin waar hij had geslapen, maar de doder beriep zich niet op wetten, eertijds uitgevaardigd door een wijze vos of ontvangen van een hemelse vos; het slachtoffer waande zich niet voor zijn misdaden gestraft en betuigde onder het sterven niet luid zijn trouw aan zijn vorst. Het geweld van de zee was zonder woede. De dood, altijd obsceen bij de mensen, was in deze eenzaamheid een propere zaak.

Uit: Marguerite Yourcenar, L’oeuvre au noir