TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Bergen

Proloog

Ik heb, voor zover ik weet, altijd al in deze stad gewoond, een amalgaam van helse hoogtes en hemelse diepten. Maar ik probeer voorbij mijn stedelijke bestaan te denken. Je kan zover teruggaan in het verleden als je wil, toch kan je dat prille begin, die eerste vitale levensjaren waar vaak onbewust een visie op de wereld wordt aangevangen, niet voor de geest halen. Zelf die leemte opvullen gaat niet, daar heb je anderen voor nodig. Toch ik ben elders geboren, op een of andere manier heb ik mijzelf daarvan overtuigd. Mijn geboortedorp ligt aan een diepblauw meer, ergens ver in de bergkammen die ten oosten van de stad liggen. Het dorp heeft geen naam in mijn gedachten, dat heeft het niet nodig. Maar het vormt de absolute kern van mijn bestaan, een elementair brandpunt dat misschien niet altijd even prominent, maar wel zeer existentieel aanwezig is. Vaak zijn het de subtiele dingen die van tel zijn, want zij symboliseren iets alomvattends. Het dorp een naam geven, zou het beroven van zijn ware essentie; waarlijk een onvergeeflijke ontheiliging.

Er loopt een kleine aarden landweg naar dat dorp, die plots opduikt zodra je het meer ziet verschijnen over de glooiende heuvelkammen. Vanaf dan zie je hem sensueel kronkelen langs de weiden en akkers, alsof hij de boezem van de aarde zijdezacht streelt en triomfantelijk bevrucht. De weg wordt gekenmerkt door de diepe karrensporen, die de reiziger helemaal begeleiden tot in het hart van het dorp. Het is een typisch “filosofenpaadje”: een oeroud stukje aardeweg waarrond een hele belevingswereld ontstaat; een plek voor stille uren in heerlijke eenzaamheid. Daar wordt je bewust van de wisseling der seizoenen, van kosmische oneindigheden en de paradoxale aard van je eigen bestaan. Daar exploderen de contrasten, die het leven kleur, vorm en essentie geven. Ondanks de levensvolheid van de landweg, is het net de Eenvoud die het zo magisch maakt. De Eenvoud, mijn beste lezer, is een kostbare parel die langzaam uit onze handen lijkt weg te glippen. En toch is Zij volwaardig aanwezig wanneer ik over de landweg droom, want dan zie ik gure winterstormen zich verzoenen met de zoete zweem van lentebloemen en voel ik de machtige gloed van een gouden oktoberzon in mij een gezindheid opwekken die het raadselachtige web van de Tijd weet te ontrafelen. Woud, salamander en rots weten waardig te zwijgen met mij, terwijl gesprekken zich ontvouwen tussen mij en het Al die volledig buiten de taal vallen. Wanneer je worstelt met je eigen ideeën, met je omgeving of met de hele wereld, dan helpt deze landweg je.

Ik zie mijn landweg voor mij uit kronkelen langs de velden, daar waar hij afbuigt naar de oude eik op de top van de heuvel waar je uitzicht hebt over het hele dorp. In heldere en zonnige zomerdagen, kan je aan de andere kant van het meer de grijs-witte gletsjer zien die stil-krakend uit het atrium van de berggoden komt glijden. Hoewel meerdere mensen deze landweg gebruiken, lijkt hij van mij te zijn. Hij lijkt zelfs alleen voor mij te bestaan. Soms komt het mij voor dat ik me afvraag of dat geboortedorp ooit bestaan heeft, laat staan die befaamde landweg die me zo vaak en uitzonderlijk helder voor de geest komt. Wie weet is het een lucide droom, die ik doorheen de jaren heb uitgesponnen tot een grote waarheid. En dan zie ik de landweg als ik een kunstgalerij passeer, of op een banaal melkkarton dat de authentieke oorsprong van haar inhoud suggereert. Soms hoor ik iemand spreken over zijn vakantie in een onooglijk klein bergdorp aan een meer, dat opvallend veel gelijkenissen heeft met mijn droombeelden. Dan heb ik de neiging die persoon te ondervragen over de locatie van dat dorp, maar iets houdt me tegen.

Is het de naam, die me op dat moment tot terughoudendheid dwingt, alsof die kennis onheilig zou zijn? Ik wilde van geen namen weten. Of misschien heb ik op dat moment een onbewust moment van klaarheid, waar ik mezelf ervan overtuig dat het dorp nooit bestaan heeft en dat het waanzin zou zijn om helemaal af te reizen naar een fictief hersenspinsel. Zou het niet gek zijn als ik mijn spullen pakte om daarheen te gaan? Om dan aan te komen op een plaats die in de verste verte niet overeen komt met wat ik in gedachte had? Hoe teleurstellend zou het dan niet zijn? Of nog erger: dan zou ik mezelf er van overtuigd hebben dat deze plaats hét geboortedorp was waar ik zoveel over droomde. Dan zou ik leven in een illusie. Maar was dat al niet zo?

P.

“Een schitterende, angstaanjagende oersensatie!”

Wat zou ik me nog kunnen herinneren over deze uitstap naar de grenzen van Italië? Winterbossen, skiën, de grootse witte panorama’s die we van op de pieken zagen, de hardvochtigheid van twaalf graden onder nul onder een stralende ochtendzon. En toch was geen van deze dingen iets speciaals.

Ik herinner me veeleer de ervaring van het Resiameer in de nacht. Geloof het of niet, maar we bouwden daar een kleine nachtclub. In een huis dat op een klooster leek, gebouwd door nobele Franse vluchtelingen op het einde van de 17de eeuw, vond iemand van ons een grammofoon en als bij wonder de jazzplaten van Wunder-Bar. Het probleem van wat ’s nachts te doen was dus opgelost.

Iemand stak een groot vuur aan. In plaats van wijn te drinken dronken we rum en kirsch. We dansten, en wanneer we dronken waren begonnen we over dingen te discussiëren. Dan gingen we naar buiten voor een wandeling in de nacht die onder de min tweeëntwintig graden dook.

Iemand kwam op het idee om naar het meer te gaan. We bevinden ons in het midden van de nacht. Probeer een immense vlakte van zwart kristal in te beelden, zo gepolijst als een spiegel, die mijlenver uitstrekt: dit is hoe een bevrozen meer eruit ziet. De besneeuwde pieken aan twee zijden van de vallei en een ongelofelijke sterrenhemel worden gereflecteerd in deze vlakte met een magnetische schoonheid; het voelt aan of we gevangen zijn tussen een dubbele luchtspiegeling of een dubbele doorzichtigheid. Probeer, indien mogelijk, in te beelden hoe het moet voelen om naar het midden van het meer te gaan zonder schaatsen, om door de noordelijke wind aangevallen te worden, en dit in een fysieke en spirituele staat van lucide intoxicatie, waarin alcohol, natuur en innerlijke exaltatie allemaal een rol spelen.

Wie dit niet ervaren heeft, weet ook niet waar het breken van het onderwaterijs allemaal om gaat. Door de snel dalende temperatuur gebeurt het dat tijdens de nacht de diepere ijslagen onder het water van het meer breken. Wanneer dat gebeurt, kan men een gebrul en luid lawaai op een angstaanjagende manier horen weerkaatsen over de gehele ijzige korst van het meer, die doorheen de vallei wordt gedragen als een krachtige echo. Dit vormt echter geen gevaar, omdat deze breuken het oppervlak niet bereiken. Door echter plotseling een gebrul te voelen die onder je voeten groeit met een luid gonzend lawaai, die dan door de berg als een echo weerklinkt, is het net of je de stem van de aarde zelf hoort. Alsof een afgrond zich onder je voeten opent. Dit is waarlijk een erg angstaanjagende ervaring die net als een aardbeving het bloed doet stollen. Het ontbrandt een gevoel van ontwaken van een schitterende en angstaanjagende oersensatie, die in de meest archaïsche uithoeken van onze aard sluimert.

De details van deze nacht zijn voorgoed in mijn geheugen ingebed: de ongelofelijke koude; de wonderlijke sterrennacht; de reflecterende, glinsterende sneeuw rondom ons; het gevoel van opwinding vermengd met een lucide spanning; een perfecte mentale balans; en het verschrikkelijke primitieve gevoel dat uit de diepte van het meer naar boven komt in de absolute stilte van de vallei. In deze omstandigheden is het mogelijk om zonder enige retorische overdrijving te spreken van een moment dat het gewone leven overstijgt.

Julius Evola in Meditazione delle vette (hier (link) te koop).

De weg naar Machu Picchu

De ongeplaveide weg naar het heiligdom ging stijl-kronkelend naar omhoog, als een slang die zich moeiteloos voortbewoog naar zijn schuilplaats. Het was ochtend, de vroege ochtend waar het licht schaars was maar waar de dieren voluit hun levenslied zongen. Instinctief wist je dat de dageraad niet lang op zich zou laten wachten. De zonnegeur hing als een belofte in de lucht. Nog een uur, hoogstens anderhalf uur en dan zou de gloed van de eerste zonnestralen het landschap overrompelen. Rondom mij bevindt zich een processie van honderden mensen van verschillend allooi. Ik hoor verscheidene wereldtalen, een Babylon in het klein, maar dan zonder een spraakverwarring omdat iedereen gericht was op hetzelfde doel. We verstonden elkaar niet, maar we begrepen elkaar.

Nog een kwartier wachten en dan begint de trek naar boven. De heilige trek, waar iedereen op te wachten staat. Heilig, want de stad die we bezoeken was het spirituele centrum van een teloorgegaan wereldrijk. Ver voor en achter mij staan geheimzinnige gestalten; het profiel van een jong koppel dat elkaar innig omhelst; een groepje bebaarde mannen dat aanstalten maakt om de groep vrouwen voor hen te benaderen; een avontuurlijk kind loopt ons voorbij in de armen van zijn zorgzame moeder. Het geroezemoes dat hier ontstaat is zacht en onverstaanbaar. In stille eerbied voor de pelgrimsplaats spreekt men met fluisterende stemmen. De razernij en waanzin van het alledaagse ruimt plaats voor een subtiele hint van iets onveranderlijks en eeuwigs.

De glanzende poort opent zich, met daarachter de onbekende en toch vertrouwde kronkeling naar boven. Het machtige hemelgesternte begint stilaan plaats te ruimen voor een vreemde schijn achter de heuvels. Week wordt de maan en haar witte licht taant. Mild ruist een vochtige bergwind over onze hoofden naar de richting van de poorten, terwijl de aarde lichter wordt en zich scherper aftekent tegen de hemel. Het is helder, de karakteristieke mist die ons dagenlang heeft achtervolgd heeft de wilde jacht opgegeven. Plots ontstaat er beweging in de processie. De aarde beeft en terwijl wij naar boven gaan, stijgen wij gezamenlijk met de zon. En weet gij, beste lezer, hoe verrukkelijk het kan zijn om het aanstormende licht tegemoet te treden op de top van een berg?

P.

“I want to see mountains again. Mountains, Gandalf!”

‘Wat is het doel van de bergbeklimming?’ vroeg de Franse esotericus René Daumal zich af toen hij zijn werk Le Mont analogue. Roman d’aventures alpines, non euclidiennes et symboliquement authentiques schreef. Een mens riskeert het vege lijf om die ontzagwekkende kolos die voor hem opdoemt en hem uitdaagt, beklimt dramatische verticale rotsmuren en springt over verraderlijke gletsjerspleten om de top te bereiken. Het is onmogelijk verder te gaan, noch te blijven op de pieken. Te temperatuur is te laag, de zuurstof te schaars om er te blijven leven. Een storm broeit in het oosten. Je moet er terug af, naar beneden. Wéér naar beneden, waar je vandaan komt. Wat is het punt? “Het hoge kent het lage, maar het lage kent het hoge niet”, stelt Daumal vast. Geheel in de stijl van Nietzsche’s Zarathoestra. Deze wil terug afdalen van de hoge berg waar hij tien jaar afgezonderd leefde, om de beker van de wijsheid te ledigen en terug mens te worden.

Bergen zijn altijd al symbolen van verering geweest in de menselijke cultuur. Sommige bergen zijn zelfs tot op de dag van vandaag verboden terrein en mogen niet beklommen worden. De berg is dus niet zomaar een samenbotsing van tektonische platen. Het heeft een betekenisgevende rol te spelen voor de mensen die erom heen wonen en zelfs voor mensen die van heinde en ver komen om de berg te bewonderen. Daarom werd de berg beschouwd als een sacrale ruimte, waar talloze legenden over geschreven werd. Ook vandaag nog, wanneer andere ruimtes worden ontheiligd door de aanwezigheid van de moderne cultuur, biedt de onverbiddelijkheid van de berg schutting en mogelijkheden om vruchten te plukken die elders niet meer mogelijk zijn.

De berg geeft volgens de Italiaanse klimmer Renato del Ponte aan de mens de kans ‘zijn innerlijke demonen te bestrijden; de angst van de eenzaamheid, de stilte en de leegte te overwinnen; het goddelijke in de mens te ontwaken; de kracht van de overstijging te geven om naar de top van het zelf te klimmen’. De onverbiddelijkheid van de berg en de overwinning ervan is een school van innerlijke versterking. De berg kent geen compromissen en vergeeft de zwakkeren en onzinnigen niet. In deze zin, meent de traditionalist Julius Evola, wordt de beklimming van de berg een vorm van ascetisme. Het bereiken van de zetel van de Goden is een manier om hen sub specie interioritatis terug te ontwaken. Door ervaring en opoffering wekt men de mythe terug tot leven. Daumal ziet deze ‘vorm van praktische metafysica’ zelfs als een vorm van kunst in de traditionele betekenis van het woord: “de realisatie van bijzondere kennis door actie”.

Tot slot laat ik Zarathoestra zelf spreken, een trouwe reisgenoot voor iedereen die zich in de bergen begeeft:

“O hemel boven mij, gij klare! Diepe! Gij licht-grond! U aanschouwend huiver ik van goddelijke begeerten.

In uw hoogte mij te werpen – dat is mijn diepte! In uw klaarheid mij te bergen – dat is mijn onschuld!

[…]

En reisde ik alleen: naar wie hongerde mijn ziel in nachten en op doolpaden? En beklom ik bergen, wie zocht ik ooit op bergen, zo niet u?”

(“Voor zonsopgang”, Aldus sprak Zarathoestra)

 

P.

 

Aanbevolen literatuur:

Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra

René Daumal, Le Mont Analogue. Roman d’aventures alpines, non euclidiennes et symboliquement authentiques

Julius Evola, Meditazioni delle vette 

Het grijze gewaad van de Salcantay.

Salcantay, 10.45

Omhoog kronkelt ons pad en het begint vermoeiend te worden, maar de overwinningsdrang hunkert en met enkele gepaste stops bereikten we op 4.600 meter hoogte de bergpas! De zak met de laatste loodjes  werd alsmaar bijgevuld. Maar het deerde niet meer. Het zicht op de Salcantay is verbluffend. Na deze inspanning de berg beklimmen, daar ben ik nog niet klaar voor. Hoezeer dat verlangen ook in mij brandt. Wie weet, een volgende keer?

Aan de andere kant van de pas zien we reeds over de berghelling een sluimerende mist hangen  die de namiddag een mystiek cachet zou geven. Vreemd hoe een eenvormig grijs gewaad toch zo fascinerend kan zijn. Het lijkt of de Salcantay ons toedekt met een magisch schouwspel. Ik zie de mist als een entiteit, iets dat een eigen wil heeft en een sierlijke dans met ons voert. De mist leeft en vergezelt ons op het bergpad.

Het berglandschap transformeert nu naar iets heel anders, naar iets sacraals en tijdloos. Alsof ik een tempel betreed, een troonzaal van onbekende goden. Ik voelde iets zachtaardigs in deze intrigerende mistlaag rondwaren dat me gerust stelde. ‘I was so distinctly made aware of the presence of something kindred to me, even in scenes which we are accustomed to call wild and dreary, and also that the nearest of blood to me and humanest was not a person or villager, that I thought no place could ever be strange to me again’ (Henry David Thoreau, Walden).

 

03.08.2010, Perù