TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Bestaan

“Zu den Sachen selbst”

De wereld is niet zomaar wat ze is, voorbij al wat vanzelfsprekend is zit een waarheid waar we met een eigenaardig besef op stuiten. Of dat nu dé waarheid is, valt aan te twijfelen. Je bent nooit zeker. In een wereld waarin Nietzsche God voor dood heeft verklaard, zijn alle ankerpunten brutaal weggeslagen. Toen de Boeddha in een grot stierf, bleef volgens de legende zijn schaduw daar eeuwenlang hangen. De kaders worden vervangen door surrogaten, het schilderij vervormt zich (degradeert?) continu. Almaar door vallen.

Daarom resteert ons, postmodernen, enkel nog de illusie dat we nog goed bezig zijn en dat is niet eens zo verwonderlijk: we zijn door en door gedisciplineerde wezens die, net als de Belgische staat, blijven functioneren, ook al is de richtingaangevende sturing weggevallen. Het wereld is een speelveld, een theatraal evenement waarin we de reeks gebeurtenissen aan elkaar proberen te weven tot één groot verhaal:

“ONSCHULD IS HET KIND EN VERGETEN, EEN OPNIEUW BEGINNEN, EEN SPEL, EEN UIT ZICHZELF ROLLEND RAD, EEN EERSTE BEWEGING, EEN HEILIG JA ZEGGEN”.

Een van de voornaamste redenen waarom ik filosofie in avondonderwijs ben gaan studeren is een verlangen naar een voller en rijker begrip van het bestaan; het sprokkelen van nieuwe perspectieven om mijn leven richting te geven; mijn weg te vinden tussen de grote woorden; te weten wat voor impact woorden hebben. In de fenomenologie van Husserl, waarvan een samenvatting toevallig naast me ligt, vind ik een perspectief dat ik graag verder wil uitdiepen: dat er helemaal geen sprake is van een strikte scheiding tussen het subject en de wereld daarbuiten, maar dat we altijd betrokken zijn op deze wereld. In die zin is iedere verschijning van die buitenwereld aan ons een onmiddellijk en direct spreken van de werkelijkheid. Het wegslagen van artificiële barrières, zoals we vandaag de zogenaamde comfort zone bijvoorbeeld kennen, leidt tot existeren en niet tot een louter marktconform bestaan.

P.

De metamorfose van werkelijkheid naar droom. Of omgekeerd?

De essentie van kunst

Deze droomwereld begon meer voor zijn leven te betekenen dan de werkelijkheid. De werkelijkheid met zijn klaslokaal, kloosterhof, bibliotheek, slaapzaal en kapel, dat was alleen maar de oppervlakte, niet meer dan een dun, vibrerend vlies op die wereld van beelden, vervuld met dromen en overvol van werkelijkheid. De allergeringste aanraking was voldoende om een opening te maken in dit dunne vlies: een verborgen betekenis in de klank van een Grieks woord, midden onder de les, een geurig vleugje uit de kruidentas van pater Anselm als die was gaan botaniseren, een toevallige blik op de wingerdrank van steen die ontsproot aan de bovenkant van een der vensterzuiltjes – onbeduidende prikkels als deze waren reeds voldoende om dat vlies om de werkelijkheid te doorbreken en om achter de vredige, saaie werkelijkheid de woeste afgronden, stroomversnellingen en melkwegen te ontkluisteren die hun plaats hadden in de beeldenwereld van zijn ziel. Een beginletter van een Latijnse tekst veranderde onverhoeds in het geurige gezicht van zijn moeder, een langgerekte toon van het Ave Maria veranderde in de poort van het paradijs, een Griekse letter in een galopperend paard, een kronkelende slang, die er stilletjes vandoor gleed onder de beschutting van bloemen, en zijn plaats was alweer ingenomen door de oorspronkelijke, stijve bladzijde grammatica.

HESSE, Herman, Narziss en Goldmund, Uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2009, 57.

Verwondering en onbehagen

“Dat was adembenemend. Nooit tevoren had ik vermoed wat het betekent, te existeren”. (Sartre, La nausée (1938))

Ik studeer filosofie uit een verlangen om alles in en rond mij te begrijpen. Waar, dat is een pretentieus uitgangspunt: men gelooft al lang niet meer dat de mens alles te weten kan komen. Niet alleen is ons kenvermogen begrensd, maar er bestaat ook een onzekerheidsfactor die veeleer in de natuurlijke processen zelf ligt opgesloten (cf. Mandelbrot, Heisenberg, Gödel e.a.). Hoe dan ook worden we geconfronteerd met de verwondering die ons als metafysisch wezen in al onze nieuwsgierigheid bepaalt. Ik kan dan niet alles weten, maar het vermogen tot mateloze verwondering biedt vertroosting.

Maar hoe kunnen we ook anders zo nieuwsgierig zijn? We worden zonder enige inspraak in de wereld geworpen en worden door onze omgeving verwacht dit vanzelfsprekend te vinden. Is het dan opmerkelijk dat we ons vragen stellen naar de gronden van ons bestaan? Natuurlijk niet, zou je zeggen. Dat is volkomen normaal, dat ligt in onze aard. Een mens die naar de sterrenhemel staart en zich geen existentiële vragen stelt is geen mens, lijkt me. Toch bekruipt mij een onbehagen wanneer ik mij iedere dag in het maatschappelijke begeef. Zij lijkt zelfgenoegzaam in haar vanzelfsprekendheid verzonken te zijn. Op die manier wordt het moeilijker om tot zichzelf te komen in een maatschappij waar vooruitgang het parool is en stilstand taboe.

Dat onbehagen heb ik al uitgebreid aan bod laten komen in mijn manifest. Ik zou me onbeschaamd als een cultuurpessimist durven omschrijven. Toen de Lierse “pelgrim” Ernest Van der Hallen in de jaren ’30 afscheid nam van zijn omgeving en de wijde wereld introk, beschreef hij Europa zeer treffend als

“het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies.”

Toch zie ik iets constructiefs ontstaan uit dat cultuurpessimisme. Het verval prediken zonder hoop in het vooruitzicht te stellen is een houding die me niet goed past, hoezeer ik ook neig naar de avondlandcultuur van het interbellum. Geef mij maar dan het morgenrood van Nietzsche, die net als Kierkegaard een sprong durfde te wagen boven de inerte redelijkheid die zo verweven is met de moderne maatschappij.

De existentiefilosoof Karl Jaspers duidde met het begrip grenssituatie momenten aan waarin de existentie zich onmiddellijk verwerkelijkt. Op deze momenten, die je niet kan ontlopen, zal het geheel van de existentie zich verwerkelijken en worden wij geheel onszelf. Het project van het existentialisme,  de zoektocht naar authenciteit en het zelf-zijn, vindt hier zijn praktische uitlaatklep. Op deze manier wordt de kosmos gedwongen zich te openbaren en weet het avondland zich te herenigen met het morgenrood.

Odysseus blijft hier een geniale illustratie van:

Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing. (uit Manifest)

P.

Bestaan

Is het leven niet het meest angstaanjagende wat er bestaat? We worden zomaar gegooid in een bestaan zonder erom te vragen, krijgen vanaf de eerste levenskreet noodgewongen een moreel keurslijf aangemeten en als je er even stil bij wil blijven staan krijg je op een afkeurende toon te horen dat je geen aandacht schenkt aan de dingen “die belangrijk zijn in het leven”. Het leven is een groot theater en als we even achter de coulissen durven duiken staan we er verwilderd bij en vragen we af waar al dit drama vandaan komt. Doe het maar eens, bevraag de dingen die je iedere dag doet. Is dat allemaal wel normaal? Waarom moeten we alles vanzelfsprekend beschouwen? Als je er de kans toe krijgt, tenminste. We worden zo doorheen het leven opgejaagd dat reflectie erover een luxe dreigt te worden. Komaan! Naar de volgende horde! De afgrond in!

P.

“Mens, ziet gij de afgrond onder uw voeten niet?”

‘Tegelijk ontkent het intern bemiddeld subject de doorslaggevende invloed van de ander: het houdt vol autonoom te handelen en zelf te beschikken over zijn begeerte; het zou zich beledigd voelen wanneer iemand beweert dat zijn begeerte wordt beïnvloed door de begeerte van een ander. Omwille van dit ondergronds karakter van de interne bemiddeling leidt de moderne mythe van de menselijke autonomie en de onmiddellijke begeerte – in de terminologie van Girard: de romantische leugen – zo een taai bestaan.’

Uit een introductie over René Girard van Prof. G. Vanheeswyck.

De post-moderne mens loopt wat verloren rond. Hij lanterfantert met veel kabaal, maar zegt niets wezenlijks. Zijn moderne voorouders waren zeker van hun stuk: de mens is autonoom en kan vooralsnog de wereld naar zijn hand zetten. Toch raakt Girard hier aan een gevoelige snaar. Hoe autonoom zijn we als individuen? De meeste mensen wagen zich wellicht niet aan deze reflectie. En waarom zouden ze? Het illusoire omhulsel waarin we worden opgevangen vanaf onze geboorte verzacht het al te verschrikkelijke besef van onze Geworpenheid. We hangen ons snel vast aan voorgekauwde wereldbeelden zonder ons nog maar één kritische vraag daarbij te stellen. Alles is te vanzelfsprekend in al haar onmiddellijkheid. Krijgen we wel tijd om stil te staan bij de zinloosheid van het bestaan? Ik vind van niet. Soms heb ik de indruk dat de meeste mensen zonder meer bestaan, maar niet existeren. Misschien maar goed ook. In onze afgrondelijke cultuur is er niets verschrikkelijkers dan in de afgrond te kijken. Wie weet kijkt deze wel terug?

P.

Acedia

Ik weet dat ik niet weet. Soms wacht ik op iets, en na lang wachten besluit ik het dan niet te doen. Ik weet niet waarom ik dat niet doe, en daarna komt dan het besef dat ik het beter wel had gedaan. Dat is de lelijkheid van het leven in zijn ranzigste vorm: de acedia, de verlamming die zich meester van je maakt en je onmacht genadeloos in je gezicht durft te etaleren. En het is gek dat het helemaal anders is onder bepaalde voorwaarden. Losgemaakt van mijn eigen ketens, weg van de vertrouwde netwerkbakens en alles wat me zekerheid kan bieden, daar voel ik me een koning te rijk. Daar kan ik alles doen wat ik wil, zonder me zorgen te maken over plotse verlammingen die mijn bestaan met betekenisloosheid besmeuren. Dan existeer ik en weet het essentiële aan te raken. Er leeft in mij een enorme lust tot avontuur die ik in mijn dagelijkse bestaan slechts op sporadische momenten mag ervaren. In die maalstroom van de dagelijkse ratrace heerst de zijnsverlamming. Ach, soms wens ik een doldriest Karamazovbestaan. Maar dan doe ik het niet wanneer ik het kan. Waarom is het dagelijkse zo verlammend?

P.