TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Cultuur

Johan Huizinga: van spel tot heilige handeling

Het versiert het leven en het vult aan, en het is als zoodanig onmisbaar. Het is onmisbaar voor het individu, als biologische functie, en het is onmisbaar voor de gemeenschap om den zin, dien het inhoudt, om zijn beteekenis, zijn uitdrukkingswaarde, om de geestelijke en sociale verbindingen, die het schept, kortom als cultuurfunctie. Het bevredigt idealen van uitdrukking en samenleving. Het heeft zijn plaats in een hoogere sfeer dan de strikt biologische van het proces voeding-paring-beschutting.

Met deze uitspraak komt men schijnbaar in tegenspraak met het feit, dat in het dierenleven de spelen van den paringstijd een groote paringstijd innemen. Maar zou het absurd zijn, om aan eht zingen, het dansen, het pronken der vogels evengoed als aan het menschelijke spel een plaats buiten het strikt biologische toe te kennen? Hoe dit zij, het menselijke spel heeft in al zijn hoogere gedaanten, waar het iets beteekent of iets viert, zijn plaats in de sfeer van feest en cultus, de heilige sfeer.

Johan Huizinga, Homo Ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur

Advertenties

°124 – “Tegen de horizon van het oneindige”

Wij hebben het land verlaten en zijn scheep gegaan! We hebben de brug achter ons, – sterker nog, we hebben het land achter ons afgebroken! Welaan, scheepje! opgepast! Naast je ligt de oceaan, het is waar, hij brult niet altijd, soms ligt hij erbij als zijde en goud en als een dromerij over het goede. Maar er komen uren, dat je zult inzien dat hij oneindig is en er niets vreselijkers bestaat dan oneindigheid. Ach, die arme vogel, die zich vrij gevoeld heeft en tegen de wanden van deze kooi botst! Wee jou, wanneer het land-heimwee je overvalt, alsof daar meer vrijheid geweest was, – en er is geen ‘land’ meer!

Nietzsche, De Vrolijke Wetenschap, °124

Russische tafelmanieren

Maar rang bracht ook aanzienlijke materiële privileges met zich mee. Zo werden de paarden bij de poststations strikt volgens de status van de reizigers toegewezen. Bij banketten werd het eten eerst aan de hogere rangen geserveerd, die bij de gastheer aan het hoofd van de U-vormige tafels zaten, en daarna pas aan de lagere rangen, die aan de uiteinden van de tafel zaten. Wanneer de gasten aan het hoofd van de tafel voor de tweede maal bediend wensten te worden, dan werden de uiteinden helemaal niet bediend. Vorst Potjomkin nodigde eens een lagere edelman uit voor een banket in zijn paleis, waarbij de gast een plaats aan het uiteinde van de tafel kreeg toegewezen. Na afloop van het maal vroeg de gastheer hem of het had gesmaakt. ‘Zeer goed, Uwe Excellentie’, antwoordde de gast. ‘Ik heb alles kunnen zien’.

FIGES, Orlando, Natasja’s dans. Een culturele geschiedenis van Rusland, Het Spectrum bv, Antwerpen, 2012, 40.

Manifest

They’re making the last film

they say it’s the best
And we all helped make it
It’s called the death of the West

Death in June, Death of the West

Van nature uit ben ik een optimist met apocalyptofiele neigingen, iemand die zou kunnen dansen op de muziek van het legendarische orkest op de zinkende Titanic. Daarom voel ik me ontzettend aangetrokken tot een cultuurpessimisme van het principe wat zou moeten zijn is er niet; wat is, zou er niet mogen zijn. Intuïtief voel ik aan dat onze tijd uit haar lood is geslagen. Toch zit in de neergang een vertrouwd gevoel, alsof ik in een vroegere bestaansvorm het allemaal al eens heb meegemaakt. Dit maakt deel uit van een cyclus. De neerval heeft daarom veel weg van de herfst onder een gouden oktoberzon. Dan bewaart de Natuur haar meest verbluffende schoonheid voor de laatste momenten; een belofte voor de lente na de winterse stemmigheid; de neerval als een noodzakelijke voorwaarde voor de hernieuwing.

Ik ben geen kamikazepiloot, maar verschrikkelijker dan de dood van het lichaam is de dood van de ziel. Daarom beangstigt de acedia mij: de ontmoediging die zich meester van je maakt en je fataal verlamt. Een soort verinnerlijkte lobotomie die me meesleurt in een overweldigende maalstroom. Leven op automatische piloot; het vermogen verliezen om te verwonderen; deel uitmaken van een vormeloze massa; zelf vormeloos zijn: dat is levensschennis. Plato verklaarde dat de cultivatie van de eigen ziel de hoofdplicht is van iedere mens. Daarom beschouw ik het Zelf niet als iets vanzelfsprekends, maar als een omvangrijke microkosmos waarvan ik de architect ben.

Net daarom wil ik de wereld begrijpen, zodat ik mezelf een positie kan verschaffen. Mijn wereldopvatting is een symbiose van twee verschillende werelden. De eerste bevindt zich in het praktische, intuïtieve veld: de ervaring van het Immense. Vandaar William Blake: if the doors of perception are cleansed, everything appears as it truly is: infinite. Toch is ook de theoretische, kritische ideeënwereld van mijn academische scholing waardevol gebleken. Deze heeft me de zin voor nuance bijgebracht, waardoor ik mezelf heb bevrijd uit dogmatische, enggeestige denkkaders. Het raakveld van het intuïtieve en het kritische is meermaals zeer vruchtbaar gebleken.

Ja, er knaagt iets aan me, alsof een onderhuidse bacil het einde van haar incubatieperiode heeft bereikt. Een dreigende, fatale acedia die de wereld rondom mij reeds heeft aangetast staat klaar om toe te slaan. Daarom dit essay: mijn voertuig van zelfontdekking; mijn wapen tegen de innerlijke onverschilligheid. Ik schrijf het omdat ik lijd aan de filosofische aandoening bij uitstek: de kritische reflex om in mezelf iets ontoereikends te vinden. Daaruit vertrekt een drang naar absolute actie van binnenuit. Voor mij moet een bijzonder doel zijn weggelegd. Toch vertel ik met veel schroom over mijn Weltschmerz. Weet je, het ligt niet in mijn aard zo open te zijn over een innerlijk groeiproces. Want eerlijk gezegd … weet ik in godsnaam niet wat ik met deze bevreemdende apotheose moet aanvangen.

Losbreken uit de droom

“All men dream: but not equally. Those who dream by night in the dusty recesses of their minds wake in the day to find that it was vanity: but the dreamers of the day are dangerous men, for they may act their dreams with open eyes, to make it possible. This I did.”

Lawrence of Arabia, The Seven Pillars of Wisdom

Wanneer ik ontwaak word ik vaak overvallen door een eigenaardig gevoel. Er is dan een subtiele substantie aanwezig die niet uit deze dimensie komt. Het is een geur die me prikkelt of een lang vergeten smaak en altijd dat ene onheimelijk gevoel dat ik terug ben van een lange reis. Het is vreemd in een kamer te zijn die je bekend aandoet, maar tegelijk ook onwerkelijk en vals. Links en rechts verdwijnen droomgestalten even snel als ze verschijnen. Ik ben wakker en kan mezelf niet bewegen, noch heb ik invloed op de omgeving rond mij. Behoorlijk benauwend. Is dit een droom binnen een droom? Een illusie die zich rond mij ontvouwt om mij te misleiden? Een angstwekkende fantasmagorie die me onwrikbaar vastzet in een fort dat tot enig doel heeft de architect ervan op te sluiten? Dit noem ik de schemerzone : een raadselachtige mengeling van illusie en realiteit. En dan breek je er plots uit. Het is dat ene moment waarop ik alles beheers en begrijp, hoewel ik het niet onder woorden kan brengen. Het is een existentieel, intuïtief gevoel bij uitstek.

Hoewel hevig beïnvloed door ideologische processen, onbewust geïnduceerd constructiedenken en andere extra-individuele invloeden, ervaren we de wereld vooral als individu, vanuit ons innerlijke zelf. En wat dan nog als de wereld een droom is, Maya: een sluier van illusies, impliceert dit niet dat er ook een dromer moet zijn? Men kan het geheel van ervaringen beschouwen als vals, illusoir of onbestaande, maar wie ook deze valsheid, schijn en dit onbestaande als argument gebruikt tegen die droom, kan zelf als persoon niet vals, illusoir of onbestaande zijn. Voorbij alle “dingen die zijn en dingen die niet zijn”, is er immers een enkele zekerheid: het “Ik”. Het is daarom niet noodzakelijk het ware, het goede, het rechtvaardige of het vrije, maar het is wel het mijne en het enige waarvan ik zekerheid heb. Dat is best een bevrijdende gedachte.

Maar waarom dat benauwde gevoel in die “schemerzone” tussen droom en werkelijkheid? Een aangeboren schaamte voor onze vrijheid, die bij ontwaking ligt te lonken? Misschien is vrijheid wel iets angstaanjagends sinds de dood van God:  we zijn tot de vrijheid veroordeeld (Sartre). De wereld is aan zichzelf overgelaten, zonder transcendente referentiepunten. Het was echter niet voor niets dat Nietzsche het van zich afwerpen van deze schaamte als de lakmoesproef van onze bevrijding beschouwde. De vrijbuiter George Hanson, het personage van Jack Nicholson uit Easy Rider, beschrijft de angst voor vrijheid zeer goed:

“Mensen praten en praten en praten over vrijheid, maar zodra ze een vrij individu zien, krijgen ze er schrik van”

De mens is een wandelende paradox: hij verafschuwt heimelijk wat hij samen met de massa naar verlangt. Daarom stelde Nietzsche’s Zarathoestra wellicht de vraag of de mens het wel verdient om vrij te zijn.

De Pelgrim …

Er waart één oergestalte in mij rond: de Pelgrim. Terwijl stripfiguren bij hun innerlijke jihad al-akhbar links en rechts een zilverzuiver engeltje en een rood latexduiveltje zien verschijnen, duikt in mijn verbeelding de witgepijde Pelgrim met Janusgezicht op. De Kamerfilosoof behoedt je voor het Immense, de Hamerfilosoof wil je erin duwen. De mythe van Odysseus illustreert hun samenspel op een formidabele manier. Toen Odysseus en zijn bemanning voorbij de Sirenen voer kreeg hij van de tovenares Circe de raad om bijenwas in de oren te doen. Op die manier konden ze de verleidelijke, maar dodelijke lokzang van de Sirenen weerstaan. Hij geeft zijn mannen de opdracht dit te doen, maar Odysseus wil de Sirenen trotseren., Om zichzelf van de dood te behoeden laat hij zich vastketenen aan de mast van het schip. Hier ontstaat een opmerkelijk compromis tussen de drang naar het Immense en de wil om zelfbehoud. Dát is rasechte levensbeheersing.

De Pelgrim als gestalte komt in vele gedaanten voor, in iedere sociale laag, beschaving, klasse en tijdsspanne. Ik zie hem op het scherm, kom hem tegen in boeken, ervaar hem op reis of ontdek hem in reisverslagen en briefwisselingen. Hij is Jack Kerouac, Alexander Supertramp en Henry David Thoreau maar ook de oermens die de Beringstraat overstak. In deze gestalte erken en ontdek ik mezelf. Hij schaamt zich niet voor zijn aangevatte pelgrimage, maar is behoedzaam om zijn geheim te delen met anderen. Hij weet hoe de hoi polloi reageert wanneer iemand hen wakker schudt uit vastgeroeste inbeddingen en burgerlijke verwachtingspatronen. Nietzsche’s Zarathoestra leek als een dief in de nacht en als hij niet overkwam als een hansworst, waren zijn eerste redevoeringen meteen de laatste geweest. Zijn geheim behoudt hij slechts voor enkelingen die hij waardig genoeg acht.

Kirilov, een personage uit Boze Geesten van Dostojevski, verklaart dat als God niet bestond hij wel uitgevonden werd. Waar dit op duidt is niet moeilijk: iedereen heeft een centrum nodig, een basiswaarde die als fundament dient. Wie het niet in zichzelf vindt, zoekt het wel buiten zichzelf, projecteert dit op een God of iets anders. Kirilov gaat zelfs verder: zonder God is zelfmoord onvermijdelijk. Met dit tragische personage illustreert Dostojevski op een magistrale wijze hoe een bestaan zonder centrum verloren gaat in betekenisloosheid. Op dat moment overwint de acedia. De Pelgrim heeft een centrum, de axis mundi  van zijn bestaan, ontdekt. Dat is zijn absolute ankerpunt.

… en de gesel des Tijds

De Tijd is de grote motor van de maalstroom die geschiedenis heet. Wie er niet willoos door wil worden meegesleurd, moet de Tijd beheersen. De Pelgrim doet dit via de Mythe, een tijdloze werkelijkheid en het zingevende centrum van zijn bestaan. Waar de Tijd voor de moderne, profane mens homogeen is, betekende de Mythe voor de traditionele mens een belangrijke breuk in de Tijd. Deze “heilige Tijd”, in tegenstelling tot de profane Tijd, komt in ritmische intervallen aanzetten, waarin de Mythe telkens wordt herhaald. Door dit besef heb ik iets belangrijks geleerd: de historische, lineaire tijd is niet noodzakelijk de enige realiteit. Er bestaat een heel andere tijdservaring die helemaal niet homogeen en lineair is. Dat maakt dat Tijd een speelveld is, waarvan de spelregels worden bepaald door wie het spel beheerst. Wie zijn Tijd meester is, beheerst zichzelf. Net als de mens is de Tijd iets wat overkomen moet worden. 

In een van de beginscènes van de cultfilm Easy Rider gooit Henry Fonda, een Pelgrimsgestalte bij uitstek, zijn horloge nonchalant weg na een laatste keer naar het uur te kijken. Deze handeling symboliseert een bevrijding van de homogene Tijd. We hebben onszelf een streng regime opgedrongen. Eén dat alle gevoel voor kwalitatieve tijdsbeleving verdoofde en ons een valse spiegel voorhield. De Roemeense godsdiensthistoricus Mircea Eliade merkte op dat de Tijd niet alleen seculier geworden is, maar zich ook onafwendbaar naar de dood neigt. Fonda mijdt de acedia en gooit zijn horloge, vertegenwoordiger van deze doorgedreven Tijdsgedachte, weg. Hij bevrijdt zich daardoor van de maalstroom. Het weggooien van de horloge impliceert een terugkeer naar de kwalitatieve, innerlijke tijdservaring, zoals deze door traditionele volkeren werd beleefd.

Fonda’s personage creëert een breuk in de Tijd door de Mythe aan te wenden. Zij geldt eveneens als een transcendent referentiepunt van binnenuit. In de jaren ‘30 klom de Italiaanse traditionalist en alpinist Julius Evola vaak in de Alpen. Op een van zijn expedities verbouwde hij samen met een aantal kameraden een oude berghut naar een kleine nachtclub, waar hij op een grammofoon jazzplaten speelde. Rum en kirsch worden bovengehaald en in een dronken roes besluiten ze naar buiten te gaan. Wanneer ze het bevroren bergmeer betreden worden zij getroffen door iets subliems, dat de meest primordiale aard van hun bestaan doet ontwaken. Op deze onverbiddelijke plek, waar het tweeëntwintig graden vriest, de vallei diep-zwart afsteekt tegen de witte kronen van de bergreuzen en het krakende bergmeer onder zijn voeten angst en verwondering verwekt, ervaart de Italiaan een moment dat het leven overstijgt. Door grenservaringen op te zoeken wordt het Zelf en zelfs de aard van de kosmos gedwongen zich te openbaren aan het individu.

In 1935 zag de Lierse letterkundige Ernest Van der Hallen zich genoodzaakt om het verstikkende Europa te verlaten en reisde als moderne pelgrim doorheen Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Daar zocht en vond hij het gevoel het leven te beheersen. Toch laat hij in zijn reisverslagen regelmatig teleurstellingen optekenen, wanneer hij in de voetsporen treedt van Christus in het Heilige Land. Wanneer hij in de kapel van Sint-Helena aan de Golgothaheuvel een misviering bijwoont, wordt deze ruw verstoort door “een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd”. Door deze ervaring legt hij zeer nadrukkelijk de vinger op de wonde: de genius loci, de ‘ziel’ van de plek, wordt aangetast door de profane wereld. De dood van God heeft de Mythe fragiel gemaakt. Zij valt niet meer structureel te ervaren, enkel existentieel. 

Harmonie van Pen en Zwaard

In de Tantrafilosofie is theorie zonder actie (kriya) waardeloos, ijdel en vaag. De Wang Yangmingschool uit het vijftiende eeuwse China gaat zelfs verder. Actie was geen gevolg van de theorie, maar een noodzakelijke voorwaarde om kennis te verwerven. Iedere kennis die pas later werd omgezet in actie was vals en waardeloos: “weten en niet handelen is niet-weten”. Over consistent denken en handelen gesproken! Zoroaster, de Perzische wijsgeer, stelt het heel eenvoudig: “Juist denken, juist spreken, juist handelen”. Niet zo eenvoudig als het lijkt. Een idee ondergaat heel wat invloeden en tegenwind wanneer het in de praktijk wordt omgezet. Soms lukt het gewoon niet om een idee te actualiseren, omdat de omstandigheden er op dat moment niet – en misschien zelfs nooit – naar zijn. In zulke situaties overvalt de neerslachtigheid je. Je denkt misschien dat je in de verkeerde tijd bent geboren, dat je deel uitmaakt van een generatie die vele jaren of zelfs eeuwen geleden bestond. Het noodzakelijke draagvlak ontbreekt om iets voor jezelf te betekenen. En zo lijkt de wereld om je heen de uiteindelijke overwinnaar.

Maar wat als de wereld om een ideaal heen kan worden gebogen? Wat als het ideaal een onbewogen beweger was, het centrum van de wereld? Zou dat geen wonder zijn? In het Hossoboeddhisme is er een verhaal over een jonge asceet die naar de heilige Kaeyoberg gaat om de leer van de Boeddha te bestuderen. Onderweg slaapt hij op een begraafplaats, wordt wakker met een ongelofelijke dorst en schept water uit een nabijgelegen kuil. Water smaakte nooit eerder zo fris en zuiver, dacht hij. Toen het licht werd bleek hij uit een schedel gedronken te hebben. Aanvankelijk moest hij braken, maar achteraf besefte hij het: wat als ik nu even tevreden was met water uit een schedel als uit iets anders? Als je ervan uitgaat dat de wereld zoals wij die kennen een subjectieve creatie van onze eigen geest is, lijken de mogelijkheden van het proces van idee naar praktijk plots minder nadelig voor het idee te zijn. De menselijke geest geeft de wereld een betekenis.

Hierbij heb ik de grenzen aardig verlegt, maar waar stopt het? Als er een ding is dat ik heb geleerd in mijn zoektocht, dan is dat blindheid je grootste vijand is. Je moet nuance kunnen aanbrengen zonder daarom noodzakelijk water in de wijn te doen. Je kan grenzen verleggen, maar daarbij verleg je ook een aantal verantwoordelijkheden. Net daarom is zelfkennis zo belangrijk. De subjectieve waarneming van de wereld maakt niet dat je deze volledig naar je hand kan omzetten. Conventies bestaan bijvoorbeeld om de onderlinge handelingen tussen mensen te vereenvoudigen. Het is niet omdat de wereld een creatie is van je eigen geest dat geld plots geen waarde meer heeft, dat verkeerslichten zinloze dingen zijn en dat geweld een middel is om aan anderen je wil op te leggen. Dat is waanzin. Wie continu tegen de stroom ingaat, bevindt zich snel in een tragische affaire. Een andere optie moet mogelijk zijn.

De Tijger

 

“De woestijn groeit, wee hem die woestijnen in zich bergt!”

Nietzsche, Zarathustra

“Dit is een strijd voor de moderne mens, die geen wortels meer heeft in de heilige grond van de traditie en weifelt in zijn zoektocht naar zichzelf tussen de pieken van beschaving en de afgronden van de barbarij, om een bevredigende betekenis te vinden voor een bestaan dat volledig aan zichzelf overgelaten is”.

Robert Reininger

Wie erin slaagt een tijger te berijden voorkomt niet alleen dat hij erdoor wordt aangevallen, maar krijgt ook een kans om deze te verslaan, zo luidt een Oosters gezegde. De tijger symboliseert de maalstroom, die te krachtig is om frontaal te worden geconfronteerd. Op basis hiervan kan een gedragslijn ontstaan voor mensen in een wereld die, na de dood van God, aan zichzelf is overgelaten. Voor de moderne mens, in de wereld geworpen (i.e. Geworfenheit),  komt het erop aan om een positie te vinden waar hij in zichzelf vaste grond vindt. De innerlijke migratie rechtvaardigt een autonoom bestaan. De negatieve anomie van de maatschappij kan daardoor worden omgebogen naar een positieve anomie voor de persoon: de moraal vernietigen om moreel te kunnen leven. Op een dialectische wijze kan de negatie van een negatie immers iets positiefs opleveren, bij wijze van een vrije ruimte voor ontwikkeling.

Dat is dan de aard van mijn levensspel, maar het vragen houdt niet op. Hoe ga ik om met de uitdagingen die het leven mij biedt? Hoe blijf ik trouw aan mezelf? Hoe behoud ik mezelf zonder te worden gestandaardiseerd of geconditioneerd? Hoe word ik mezelf? Al die vragen zijn existentieel van aard. Er bestaat geen algemene handleiding die me daarbij kan helpen. Dit essay markeert mijn positie in het veld, maar is verre van een zaligmakend Schrift. Het is veeleer een momentopname, een palimpsest dat regelmatig moet worden bijgesteld. Toch biedt het houvast tijdens de weifelende zoektocht naar mezelf; biedt manieren om de tijger te bereiden en mezelf te kunnen worden en zijn. Om geen slapend wezen te zijn dat willoos wordt meegesleurd door de maalstroom, maar iemand die zijn Tijd en zijn leven kan beheersen. Daarin ligt mijn nakende apotheose. Ironisch lijkt de zoektocht naar betekenis dus de zin van mijn bestaan te zijn.

Wind en rook

“Adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

Ernest Van der Hallen, Tusschen Atlas en Pyreneeën (1938)

Ik bevind me in het Letterenhuis van Antwerpen. Verderop een eenzame oudere baliebediende die een krant doorneemt, maar verder niemand. Er hangt een nostalgische zoete houtgeur die typisch is aan plaatsen waar oude boeken en manuscripten rusten. Voor mij ligt de briefwisseling van Ernest Van der Hallen verspreid over de tafel, waar hij aan een vriend zijn ervaringen in het Ruusbroechuisje in het Lierse Begijnhof toevertrouwt. Hij schreef over de winterse stemmigheid van het Begijnhof, waar hij wilde ‘schreeuwen van weelde’. In zijn brieven herken ik dezelfde vragen, dezelfde grieven en dezelfde verlangens die ik heb. Van der Hallen was een Pelgrim, net als ik. Evenveel als Jack Kerouac, Alexander Supertramp, Thoreau en Henry Fonda in Easy Rider. Zij gingen het gevecht met de tijger aan. De ene won. De andere verloor. Maar allen kunnen werkelijk zeggen dat ze hebben geleefd.

De Pelgrim is de voorouderlijke zwerver die uit de oertijden tot mij is gekomen en tot mij spreekt. Wie ooit de eindeloze woestijn of de eeuwige sneeuw heeft gezien, kan bij thuiskomst plots zo worden gegrepen door de lust naar het avontuur dat hij alles laat vallen ter wille van zijn Fernweh. Hij heeft daarginds ‘iets’ ontdekt en indrukken opgedaan die hij voordien nergens vond. Noem het een melancholisch verlangen, maar ik heb een stille wens naar eenzame landwegen, waar de Natuur kan worden ervaren in zowel haar metafysisch oergeweld als haar overweldigende rust en vertrouwdheid. Dan ontwaken de levensgeesten met kracht en voel ik zowel bruisende levensbeheersing als eenvoudige Gelassenheit. Deze magische grenservaring heb ik nergens duidelijker beschreven gezien als in Op de Marmerklippen van de Duitse schrijver Ernst Jünger, waar ik eindig in schoonheid en verwondering:

“Alsof een kloppen ons had gewekt uit onze slaap viel dan een beeld in het duister van onze roes […]. Steeds bleven wij dan als versteend staan, en een plotse rilling voer door ons bloed. Dan hadden wij het gevoel alsof wij een nieuw zintuig om het land te zien hadden ontvangen; wij keken alsof wij ogen bezaten wie het vergund is in lichtende aderen het goud en de kristallen diep onder de glasachtige aarde te zien. En dan kwamen ze naderbij, grauw en schimmig, de oergeesten van het land die hier al woonden voordat de klokken van de kloosterkerk weerklonken en voordat een ploeg de bodem scheurde. Ze naderden aarzelend, met grove, houten gezichten, en hun uitdrukking was vrolijk en angstaanjagend tegelijk, in ondoorgrondelijke harmonie, en wij zagen in hen de wijnbergen, met schrik én diepe ontroering in het hart. Soms leek het dat ze wilden spreken, maar alras trokken ze weg als wind en rook’.

P.

Zwanzen, halal en Odysseus

Ik zie ze daar al aankomen met een paar open Zwanblikjes op het schoolterrein. Verderop een smeulende barbecue en een ontspannen klas tijdens hun multiculturele “inlevingsweek”. En dan vliegen de worsten in het rond. Dit is een van de vele initiatieven om leerlingen kennis te laten maken met de vele facetten van de maatschappij waar zij later over zullen heersen of erdoor overheerst zullen worden. Een halalbarbecue was een van de onderdelen van deze week en dat was duidelijk niet naar de zin van het Vlaams Belang. Dat was natuurlijk niet te verwonderen, wie de antihalalactiviteiten van deze partij en aanverwante organisaties een beetje volgt.

Wie op deredactie.be de hele discussie tussen Kathleen Cools en Filip Dewinter volgt moeten twee zaken toch wel duidelijk opvallen: de afkeer van Cools voor wat Dewinter heeft gezegd en de opvallende gelijkenis van Dewinter met het “internetmemewerkwoord” trolling.  Je hoeft geen genie te zijn om de inconsequenties in Dewinter zijn discours op te merken: de man ziet problemen waar hij ze wil zien en zegt dan triomfantelijk en met zijn kenmerkende grijns: “…. maar dit is de realiteit”.

Wat je hem wél moet nageven is het volgende: voor de kost van een aantal Zwanblikjes krijgt zijn partij de volle aandacht in kranten en de media. Voor diezelfde mate van publiciteit zou je als partij honderdduizenden euro’s moeten ophoesten. We zitten natuurlijk aan de rand van een bijzonder folkloristisch evenement: bollekeskermis! Tussen nu en enkele maanden gaan we nog meerdere tweets brutaal uit de context gerukt zien worden en gaan we muggen zien ontpoppen tot olifanten. Om nog maar te zwijgen over nakende stormfronten in glazen water. Uiteindelijk draait alles in deze periode om het bedrijven van politieke propaganda. En niet om de eigenlijke inhoud van het politieke debat. Een markant verschil.

We moeten ook niet rond de pot draaien: inlevingsweken en vakken als “levensbeschouwing” of “levenssleutels” zijn manieren om kinderen en jongeren in een bepaalde maatschappijvisie te duwen. De ene kan het “door de strot rammen” duwen, de andere beschouwt het als noodzakelijk als voorbereiding om hun kroost op te zien groeien als verantwoordelijke burgers. Het is een beetje van beide, natuurlijk. Maar dat hangt allemaal af hoe u precies benepen bent: progressief of conservatief?

Eigenlijk is de hele inbedding van een individu in een maatschappij een proces van kleinburgerlijke dwangmatigheid met een snuifje vrije wil. Naar gelang de opvoeding hebben ouders een vrije hand in een aanzienlijk deel van het leven van hun kind. Het zou niet voor de eerste keer zijn dat iemand afscheid moet nemen van vrienden omdat zijn of haar ouders hen als “ongepast” beschouwen. In vele gevallen is de opvoeding een manier om het trauma van hun leeggelopen dromenvat te sublimeren door dat van hun kind te vullen met hun verloren dromen. Het kind als een idealistisch opvoedingsproject of godbetert een siliconen bouwwerf in bepaalde Amerikaanse kringen.

Anderzijds zijn maatschappelijke conventies absoluut noodzakelijk om normaal te kunnen functioneren in een maatschappij. Je kan je blijven weren als een duivel in een wijwatervat, maar soms is het beter je te houden aan de regels. En dit is allesbehalve een oproep tot algehele capitulatie aan de kleinburgerlijkheid. Als Odysseus het had gewild, zou hij tegen alle wetten in de zee in zijn gesprongen om door de Sirenen verscheurd te worden. Hij koos er echter voor zich te ketenen aan de mast van zijn schip. Hij zei tegen zijn manschappen om was in hun oren te doen, zodat ze gewoon konden doorwerken zonder verlokt te worden door de Sirenen. Hij deed dit niet. Op die manier kon hij vanuit zijn ingebedde staat van de Cultuur de ontzagwekkende roes van het Immense ervaren, die werd gesymboliseerd door de Sirenen.

Maar wacht …

Wat heeft Odysseus nu te maken met Zwanworstjes, halal en het Vlaams Belang? Niets. Helemaal niets eigenlijk. En toch wel alles. Want net als de uitspraak dat alle wegen naar Rome leiden impliceert dat iedere weg wel ergens heen leidt, impliceert het debat dat nu voor een korte tijd woedt op een veel essentiëlere levensvraag, die krioelt onder de huid van iedere benepen discussie over dagjespolitiek en pseudo-imposante borstklopperij van vergankelijke aard: wat vangen wij in godsnaam aan met onze vrijheid?

P.

“Tot het bittere eind”.

“Iedere menselijke arbeid is artificieel en onnatuurlijk, zowel het aanwakkeren van een vuur tot de verwezenlijkingen die door hogere culturen als “artistiek” worden beschouwd.  Het privilege van de schepping werd van de Natuur ontnomen. De “vrije wil” op zich is een verzetsdaad en niets anders. De creatieve mens overschrijdt de grenzen van de Natuur en met iedere nieuwe creatie verwijdert hij zich verder en verder van haar en wordt meer en meer haar vijand. Dat is zijn “wereldgeschiedenis”, de geschiedenis van een stilaan groeiende, noodlottige scheiding tussen de menselijke wereld en het universum – de geschiedenis van een rebel die opgroeit om zijn hand op te heffen tegen zijn moeder.

Dat is het begin van de menselijke tragedie – omdat de Natuur de sterkste is van de twee. De mens blijft afhankelijk van haar, omdat zij hem ondanks alles, net als al het andere, omhelst. Alle grote culturen zijn nederlagen. Gehele mensenrassen blijven achter als lijken op het veld, innerlijk vernietigd en gebroken, gevallen in dorheid en in spiritueel verval. Het gevecht tegen de Natuur is hopeloos en toch wordt deze tot op het bittere eind uitgevochten.”

SPENGLER, Oswald, Man and technics, Historical Review Press, Sussex, 2006, 35. (eigen vert.)

Save Our Souls! Wat vergane scheepjes ons kunnen leren.

The Fighting Temeraire tugged to her last Berth to be broken up, 1838 (William Turner)

Ik had ze graag willen zien binnenvaren in de haven van Londen, het zeilschip Temeraire. In 1838 werd het “second rate ship-of-the-line”, dat een verdienstelijke rol heeft gespeeld tijdens de Slag bij Trafalgar, binnengeloodst door een nieuwerwets stoomschip om opgebroken te worden. In haar glorietijd had ze een belangrijk aandeel in de uiteindelijke overwinning op de gevreesde vloot van Napoleon. Zo heeft zij samen met het Engelse vlaggenschip Victory het Franse vlaggenschip Redoutable op haar knieën gedwongen. Daar liep admiraal Nelson zijn fatale verwonding op. Sindsdien zou het schip bekend staan als de Fighting Temeraire, hoewel historische bronnen eerder spreken van de Saucy Temeraire. De Engelse romantische schilder William Turner was getuige van het tafereel en vervaardigde het schilderij The Fighting Temeraire tugged to her last Berth to be broken up, 1838. Een jaar later stelde hij het voor, vergezeld van het aangepaste gedicht Ye Mariners of England van de Schotse dichter Thomas Campbell:

“The flag which braved the battle and the breeze/no longer owns her”

Het schilderij, dat in de National Gallery van Londen hangt, werd in 2005 gekozen tot de favoriet van de luisteraars van BBC Today. Het schip had al veel langer een haast mythische status gekregen en vormt een hevig gedebatteerd onderwerp wegens de symbolische betekenis van het schilderij.

Hoewel het einde van het schip destijds op zich geen wereldschokkende gebeurtenis was, werd het tafereel beschouwd als een ‘indrukwekkend en aangrijpend afscheid van een grote cultuurperiode’. Het einde van de Temeraire, dat in al haar koninklijke statigheid de haven binnenvoer, alsof het ging om een staatsbegrafenis, luidde de komst aan van de moderne tijd. Op het schilderij stelt het oude Europa zich op in al haar glorie: ‘voornaam en waardig, met aristocratische trots en lotsverachting, gedragen door traditie en tijdloosheid’. Het drama dat zich afspeelt wordt verhevigd door de volle rode avondkleuren aan de rechterzijde van het schilderij.

Een nieuw tijdperk brak aan. De moderniteit versnelde de tijdservaring. Alles volgde sneller op elkaar op. Een schip zoals de Temeraire wordt niet afgedankt omdat ze versleten was, maar omdat ze niet meer meekon met de nieuwste technologische ontwikkelingen. Het schip wordt in het schilderij gesleept door een vertegenwoordiger van de nieuwe tijd: een stalen stoomschip dat in alle opzichten verschilt van de Temeraire. De Britse marine van die periode was helemaal anders dan die van het begin van de negentiende eeuw. De ontwikkelingen gaan verder dan enkel het concrete en het technische: ook de traditionele referentie- en interpretatiekaders veranderen sterk en nemen een forse liberale koers.

Nog geen honderd jaar later gaat een ander schip ten onder. Het betreft een schip dat in alle opzichten een trotse vertegenwoordiger was van haar tijd: snel, luxueus en van titanische proporties. De Titanic werd door de rederij White Star Line ontworpen om onzinkbaar te zijn en zou de Atlantische Oceaan in een recordtijd oversteken, waarmee zij de concurrent Mauretania naar de kroon zou steken.  Het schip maakte in april 1912 haar maiden voyage over de Atlantische Oceaan naar New York. Het zou vandaag wereldwijd bekeken worden door miljoenen kijkers. En juist dan zinkt het schip.

De ondergang van de Titanic maakte niet alleen een einde aan de zekerheden over de veiligheid van oceaanstomers, maar kondigde ook het einde van een tijdperk aan. Wat was er juist misgelopen? De hoopvolle verwachtingen die ontstonden toen de Temeraire haar ondergang tegemoet ging, liepen aan het einde van de negentiende eeuw faliekant aan hun einde. Dat was bijvoorbeeld de tijd dat Gustav Klimt en de Sezessionbeweging het parlementaire liberalisme van Wenen failliet verklaarde, omdat het de moderne tijd niet begreep. Het Fin-de-siècle heeft haar karakter te danken aan een cultuurcrisis die oude zekerheden vernietigde, maar ook hoopvolle nieuwe verwachtingen schiep.

Zoals Stephen Kern beschrijft in zijn boek The culture of time and space, 1880-1918 haastte de wereld zich naar de toekomst toe zoals de Titanic over de Atlantische Oceaan. Zij die een blik wierpen op het uiteindelijke doel zagen zowel het wrak van het schip als de beloofde wonderen van de toekomst. Het zinken van de Titanic moet de optimisten ongetwijfeld doorheen hebben geschud. En toch was er veel euforie bij de aanvang van het kanonnengedreun van augustus 1914. Lang zou dit echter niet duren en het verscheurde Westen zou snel in een diepe existentiële crisis belanden.

En in 2012 zonk de Costa Concordia. “Vada a borda, cazzo!” luidde het. Zal haar ondergang dezelfde mythevorming ondergaan als de Temeraire of de Titanic? Zal zij het symbool zijn van een omvattende mijlpaal in de geschiedenis of een culturele crisis? Of zal zij eerder verzinken in de geschiedenis als een fait divers? Niet ieder zinkend schip kondigt een historisch keerpunt aan. En er zijn rampen gebeurd tussen 1912 en 2012 die veel meer levens kostten dan op de Costa Concordia. Met tienduizend slachtoffers zelfs.

In het boek Lentesneeuw beschrijft de Japanse schrijver-samoerai Yukio Mishima beschrijft de schrijver de onwetendheid van een iemand over zijn eigen tijd. Met andere woorden: wie vandaag leeft, kan niet specifiek zeggen dat zijn tijdperk een bepaalde stijl heeft. Daarvoor is niet genoeg afstand gecreëerd. Een criticus kan zichzelf totaal distantiëren van zijn tijdsgenoten en het gevoel hebben tot een andere generatie te behoren dan de zijnen. Maar zal hij voor een historicus tweehonderd jaar na zijn gebenedijde lamentatie net geen product zijn van zijn eigen tijd? Misschien vertegenwoordigt deze afstandeling net de stijl van zijn eigen tijd. Immers, stroom en tegenstroom zijn met elkaar verbonden. Is mijn suggestie dat het zinken van de Costa Concordia als symbolisch keerpunt mag gelden dus overdreven? Maar maak ik die suggestie wel? Of lijkt het alleen maar zo? Ach, gij vorser in de toekomstige tijd, ik laat u maar in het ongewisse!

P.

Meer literatuur:

DE VRIESE, Herbert, ‘Het jonge Europa en de aftakeling van de metafysica’ in De Koningin onttroond. De opkomst van de moderne cultuur en het einde van de metafysica, Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, 2005, 179-266.

KERN, Stephen, The culture of time and space, 1880-1918, Harvard University Press, Cambridge, 1983.

Bericht aan de “Indignados”

Omdat de razernij van Kali Yuga ons allen treft …

—–

“Het is tegenwoordig haast de gewoonte geworden om te spreken van de “neergang van het Westen”, de crisis van de hedendaagse beschaving en de gevaren en verwoestingen die het heeft veroorzaakt. Ook worden nieuwe voorspellingen geformuleerd over de toekomst van Europa of de wereld, en uit vele hoeken wordt opgeroepen om het Westen te “verdedigen”.

            Temidden van deze opschudding is er in het algemeen zeer weinig dat de ondeskundigheid van intellectuelen overstijgt. Het zou bijna te eenvoudig zijn te laten zien hoe hun visies ware principes ontbreken, en hoe zij die wensen te reageren onbewust eerder behouden wat zij verwerpen, en hoe de meeste mensen niet echt weten wat ze willen, omdat ze gehoorzamen aan irrationele impulsen. We vinden dit vooral terug in de praktijk, waar gewelddadige en chaotische uitingen van “protesten” worden waargenomen, die globaal wensen te zijn, hoewel deze worden geïnspireerd door contingente en terminale vormen van de moderne beschaving.

            Ook al zou het overhaast zijn om in deze protestfenomenen iets positiefs te zien, hebben ze desalniettemin een symptomatische waarde; deze fenomenen illustreren duidelijk dat overtuigingen die ooit vanzelfsprekend waren dit vandaag niet langer zijn […] Sommige pseudo-intellectuele en irrationele reacties lijken de moderne mens alleen maar af te leiden en voorkomen dat deze zich ten volle bewust zou worden van de wereldwijde en angstaanjagende gewaarwording dat de hedendaagse wereld een levenloos lichaam is dat van een helling valt en door niets of niemand kan worden tegengehouden.

           Er zijn ziektes met een lange incubatieperiode die enkel opduiken wanneer hun verborgen werk tot een einde is gekomen. Dit is het geval met het verval van wat de mens ooit beschouwde als beschaving par excellence. Hoewel de moderne mens de bleke toekomst van het Westen pas recent heeft waargenomen, zijn de oorzaken eeuwenlang actief geweest en hebben bijgedragen aan het spirituele en materiële verval. Niet alleen hebben deze oorzaken de mogelijkheid tot opstand en de terugkeer tot een normale en gezonde menselijke maatschappij weggenomen, maar bovenal ook het vermogen te begrijpen wat normaliteit en gezondheid werkelijk betekenen.

            Dus, ongeacht hoe oprecht hun intentie opstandelingen bezielt om de alarmbel te luiden, zouden we geen valse hoop moeten koesteren over de afloop. Het is niet gemakkelijk om te beseffen hoe diep we moeten graven tot we de enige wortel vinden waaruit de huidige, negatieve gestalten ontspruiten als natuurlijke en noodzakelijke gevolgen. […] Sommige mensen “reageren”; anderen “protesteren”. […] En toch zijn dit slechts “reacties” en geen acties, of positieve bewegingen, die vanuit een innerlijke dimensie afkomstig zijn en getuigen van het bezit van een fundament, een principe of een centrum. Er zijn teveel aanpassingen en “reacties” geweest in het Westen. De ervaring heeft aangetoond dat op deze manier niets wezenlijks kan ontstaan. Ontwaken en opstaan is wat werkelijk nodig is in plaats van heen en weer te liggen woelen in een bed van doodangst.

            De zaken hebben vandaag zulk een dieptepunt bereikt dat ik me afvraag wie in staat zou zijn om de moderne wereld in zijn geheel te beoordelen, in plaats van slechts enkele aspecten (zoals “technocratie” of “consumentenmaatschappij”) of de uiteindelijke zin ervan. Dat zou het werkelijke startpunt zijn”.

EVOLA, Julius, Revolt against the modern world, Inner Traditions Publishing, Rochester, 1995, xxviii-xxix (eigen vert.).