TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: Cultuurkritiek

Herfsttij der Middeleeuwen

Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu. Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk scheen de afstand groter dan voor ons; al wat men beleefde had nog die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed nu nog hebben in de kindergeest. Elke levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakke, vaste levensstijl. De grote dingen: de geboorte, het huwelijk, het sterven, stonden door het sacrament in de glans van een goddelijk mysterie. Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.

Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre koude en het bange duister van de winter waren een wezenlijker kwaad. Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden nog dat hoge genotsgehalte, dat misschien door de Engelse novelle in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel en hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken, en stalden er hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar aan zijn kleed. De grote heren bewogen zich nooit zonder pralend vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging, venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg het teken van zijn dame, de genoten het embleem van hun broederschap, de partij de kleuren en blazoenen van haar heer.

Huizinga, Johan, Herfsttij der Middeleeuwen, Amsterdam: Olympus, 2012, 19.

Oswald Spengler: de soldaat van Pompeï

Wij zijn in dezen tijd geboren en moeten dapper den weg, die voor ons bestemd is, ten einde gaan. Er is geen andere. Op de verloren post blijven zonder hoop, zonder redding, is plicht. Volhouden als die Romeinsche soldaat, wiens gebeente men voor een poort in Pompeij gevonden heeft, die stierf, omdat men bij de uitbarsting van de Vesuvius vergeten had, hem af te lossen. Dat is grootheid, dat is ras hebben. Dit eervolle einde is het eenige wat men den mensch niet ontnemen kan.

Wie nog twijfelt aan het cultuurpessimistische gehalte van de Duitse beschavingsdenker Oswald Spengler heeft aan dit citaat genoeg om andermaal te denken. De filosofie die hij in zijn magnum opus Der Untergang des Abendlandes uiteenzet spreekt over organische cultuurvormen die noodzakelijk ten gronde moeten gaan. Het Westerse, “Faustische” model, bevindt zich volgens Spengler in de wintertijd van de beschavingscyclus. Hier loopt alles ten einde. Kunst heeft geen betekenis meer, de mentale samenhang van de beschaving is uitgeput. Toch ziet Spengler in dit schemerende avondland in de Romeinse soldaat van Pompeij een waardevol zinnebeeld van de laatste mens. Ook al gaat hij ten onder, dan wel op de manier waarop hij zelf verkiest te gaan.

SPENGLER, Oswald, De mensch en de techniek, vertaald door Dr. K.F. Proost, Leiden: A.W. Sijthoff’s Uitgeversmij N.V., 1931, p. 88

Toespraak op Ernest Van der Hallen – volkshulde. Lier, 9.3.2013

Een grafrede heeft iets triomfantelijks. Het staat in schril contrast met de ingetogen schroom van een begrafenistoespraak. Toen aan mij de vraag werd gesteld om een toespraak te geven voor deze gelegenheid kon ik echter niet anders dan denken aan het einde van De Broers Karamazov van Dostojevski. Rondom het graf van het kind Iljoesja staan zijn schoolkameraadjes te luisteren naar de toespraak van Aljosja Karamazov. Hij zegt hen niet bang te zijn van het leven, omdat het zo mooi kan zijn als je doet wat goed en rechtvaardig is. Deze passage past heel sterk bij Nest, want heel zijn leven heeft hij gezocht naar de juiste levenshouding. Het leven van een mens kan ik niet in enkele woorden samenvatten, maar vanuit bepaalde vertrekpunten kunnen hele levensbomen ontspruiten. Dat maakt van de grafrede een interessant medium.

I.

Het crisisbesef was bij de Nest een pertinent aanvoelen, ook persoonlijk. Er was een spanningsveld ontstaan tussen oude zekerheden en nieuwe waarden, waarbij de eersten steeds sneller vaste grond verloren. Het is niet verwonderlijk dat Nest daarom spreekt van een rusteloze tijd in verval, waar essenties verloren gaan. Wat hem opmerkelijk maakt is dat hij niet enkel een diagnose van de beschaving stelde, maar ook een behandeling opstartte. Hij maakt van idee en praktijk een tandem, waartussen een dialoog ontstaat die van Nest een opmerkelijke cultuurcriticus maakt. Ironisch maakt dat hem een kind van zijn tijd. De desintegratie van de oude maatschappij bracht immers ook een productief proces op gang. Nest had een antimoderne houding aangenomen, maar toch haalde hij de noodzakelijke brandstof en inspiratie uit dat ambigue modernisme. Zoals hij zelf besefte in zijn ‘Brieven aan een jonge vriend’, was zijn cultuurkritiek niet ontstaan uit een plotse bevlieging, maar uit de nood en cultuurcrisis van zijn tijd.

 II.

“Geloof me: we zijn zat van deze beschaving!” luidde het oordeel van Nest. Het was ook niet toevallig de titel van mijn thesis, omdat zij zo treffend haar tijd markeerde. Maar een pessimist was hij geenszins. Niet alleen het verval werd gepredikt, maar ook het vooruitzicht op nieuwe horizonten. Luister even mee naar wat hij te zeggen heeft:

“Wie een aandachtig oog en oor heeft voor onze tijd, voor zijn grauwe massabewustzijn, zijn hang naar bezit en stoffelijke welstand, zijn angsten, zijn eenzaamheidsgevoelen, zijn gekeerdheid naar de aarde en zijn schrijnend heimwee naar God, begrijpt dat slechts één ding ons kan redden: levensheroïek”.

Van Nest kan je veel zeggen, maar niet dat hij bij de pakken bleef zitten.

III.

1935. De AKVS, de studentenbeweging waar Nest zich jarenlang in heeft geëngageerd, is gedecimeerd door interne spanningen en sterke politieke polarisering. Hij belandt in een crisis en voelt plots de nood voor een dwaas avontuur. ‘Frans’, zegt hij tegen zijn vriend, de schilder Frans Mertens. ‘Ik ga er voor een tijd tussen uit. Gaat ge mee?’ vraagt Nest. ‘Waar naartoe?’, informeert Frans voorzichtig. ‘Naar Noord-Afrika’, zegt hij, plots beslist. Dit is het begin van de grote reizen die Nest maakt tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

“Adieu, Europa”, schrijft hij tijdens zijn eerste reis, “het enge land waar men twist en vecht, en kranten leest om te weten waarover men twist en waarvoor men vecht; adieu, kleine menschen in de kleine steden, waar ge allen te dicht op en tegen en boven elkaar huist, zonder ruimte en lucht om u, zonder hemel en zon boven u, zonder boomen en wolken, zonder geloof en zonder liefde, zonder droom en zonder illusies. God is met de vagebonden. Vooruit is de weg. Hoera voor ons beiden, zwervers en don Quichotten der groote baan”.

IV.

Vraag mij dus om de Nest met 1 woord te beschrijven en ik zeg Pelgrim. Hij is niet enkel een van de stichters van een gelijknamige kunstenaarsgenootschap, maar hij belichaamde het heilige zoeken van een pelgrim. Welnu dan! Lees zijn romans, reis mee naar Noord-Afrika en wandel straks even naar het Ruusbroechuisje in het Begijnhof en je komt Nest in onvervalste vorm tegen. Het Begijnhof is op zijn mooist op druilerige regendagen wanneer je wordt bevangen door de tijdloosheid van Lier. Het is daarom niet verwonderlijk dat Nest juist deze plek uitkoos om stille uren te beleven. Luister en beleef mee:

“In de stilte van Jan van Ruysbroeck lees ik voor ’t oogenblik Léon Bloy. De boomen doen mee als in ‘nen droom:  daarjuist viel er nog een blad op mijn handen. Dat houd ik bij, want dat wordt een sprookje …”.

P.

St. Thomas Aquinas

Thomas Aquinas

“The Saint is a medicine because he is an antidote. Indeed that is why the saint is often a martyr; he is mistaken for a poison because he is an antidote.”

CHESTERTON, Gilbert Keith, St. Thomas Aquinas, Dodo Press, s.l., s.d., 3.

Pitirim Sorokin spreekt …

The organism of the Western society and culture seems to be undergoing one of the deepest and most significant crises of its life. The crisis is far greater than the ordinary; its depth is unfathomable, its end not yet in sight, and the whole of the Western society is involved in it. It is the crisis of a Sensate culture, now in its overripe stage, the culture that has dominated the Western World during the last five centuries. It is also the crisis of a contractual (capitalistic) society associated with it. In this sense we are experiencing one of the sharpest turns in the historical road…. The diagnosis of the crisis of our age which is given in this chapter was written…. Gigantic catastrophes that have occurred since that year…strikingly confirm and develop the diagnosis…. Not a single compartment of our culture, or of the mind of contemporary man, shows itself to be free from the unmistakable symptoms….

Shall we wonder, therefore, that if many do not apprehend clearly what is happening, they have at least a vague feeling that the issue is not merely that of “prosperity,” or “democracy,” or “capitalism,” or the like, but involves the whole contemporary culture, society, and man? …

Shall we wonder, also, at the endless multitude of incessant major and minor crises that have been rolling over us, like ocean waves, during recent decades? Today in one form, tomorrow in another. Now here, now there. Crises political, agricultural, commercial, and industrial! Crises of production and distribution. Crises moral, juridical, religious, scientific, and artistic. Crises of property, of the State, of the family, of industrial enterprise…Each of the crises has battered our nerves and minds, each has shaken the very foundations of our culture and society, and each has left behind a legion of derelicts and victims. And alas! The end is not in view. Each of these crises has been, as it were, a movement in a great terrifying symphony, and each has been remarkable for its magnitude and intensity.

Sorokin, Pitirim A. Social and Cultural Dynamics. 4 vols. 1937 (vols. 1-3), 1941 (vol. 4); rev. 1957 (reprinted: Transaction Publishers, 1985)., pp. 622-623)

Klik en lees meer.

De Wanderlust tussen het profane en het sacrale

“Rönne wanted to go to Antwerp, but how, without corrosion? He could not come to lunch. He had to say he could not come to lunch today; he was going to Antwerp. To Antwerp, the listener would be wondering? Contemplation? Reception? Perambulation? That seemed unthinkable to him. It purported enrichment and construction of the soul“.

Enrichment and construction of the soul – that was what the old world was doing roundabout, unmoved by the far-reaching collapse of the times that enfeebled Rönne. The old world was still sitting in the officers’ mess, eating – as we shall soon see – of a tropical fruit, and waging wars, but he could not longer take part in it. In an age of rockets casually refueling on stars, of Cook’s paving the jungle for guided tours, of polar distance shrinking to short-haul rates and dowagers competing in Himalayan excursions, Rönne’s travel urge met with an inner resistance.

Gottfried Benn, “The way of an intellectualist” in Primal Vision.

 

© Peter Verheyen

De historicus Stephen Kern duidt aan dat het verschil tussen de profane en sacrale ruimte in de negentiende eeuw vervaagde door de secularisering[1]. Deze opmerking verbindt hij met de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche, die God doodverklaarde[2]. De bruggen tussen de wereldlijke, profane wereld en de transcendente, sacrale wereld werden hierdoor verbroken. Cultuurfilosoof Julius Evola beaamde eveneens deze ‘ontologische breuk’, voor hem duidde dit zelfs op een onderscheid tussen een moderne en traditionele beschaving[3]. Ook de Vlaamse letterkundige Ernest Van der Hallen merkte deze vervaging op, door in Brieven aan een jonge vriend de cultuur aan te klagen die God en de godsdienst heeft uitgeschakeld in het leven[4]. Een belangrijk gevolg van deze vervaging was de bedreiging van profane inmenging van de sacrale ruimten van Evola en Van der Hallen.

Vooral de toeristen moesten het ontgelden. Lieven De Cauter duidt aan dat zij de genius loci, de ziel van een plek, aantastten[5].  Toeristen bevuilden de sacrale ruimten van Evola en Van der Hallen met materialisme en trivialiteit. Zo leek Van der Hallen eerder teleurgesteld dan opgetogen te zijn over zijn bezoek aan de vele pelgrimsplaatsen in het Britse Mandaatgebied Palestina. De ‘orthodoxe devotiewansmaak’ profaneerde volgens hem de heilige plaatsen in Jeruzalem[6]. Een ander voorbeeld was een verstoorde misviering in de kapel van Sint Helena aan de Golgothaheuvel door ‘een zwerm beenderige Amerikaanse ladies en goudgetande allround sportheren, met een gefezden Cook-gids aan het hoofd […]’[7]. Hij hekelde het ‘Cooktoerisme in zijn meest verfoeielijken vorm’, dat een onjuist beeld vormde op een land[8]. Ook zijn geliefde begijnhof in Lier liep het gevaar in waarde te dalen tot een typische toeristische trekpleister[9]. Evola meende dat de massale toevloed van toeristen naar de bergen zijn ‘heiligdom’ zou bevuilen met een ‘plebejische kwaliteit’. Dit zou het verlies veroorzaken van de spirituele kwaliteit en de waarde van de ervaring van het bergbeklimmen[10]. Zo degenereerde de existentiële en spirituele ervaring van hun sacrale ruimten naar een condition touristique[11].

Toch deelden Evola en Van der Hallen een aantal gemeenschappelijke kenmerken met toeristen. Lieven De Cauter stelt vast dat de hedendaagse toerist twee elementen heeft geërfd van de Romantiek: de reislust als een spiegel van innerlijke onrust en het geloof dat reizen goed is en noodzakelijk om te bekomen van de stress[12]. Hun vlucht naar de sacrale ruimte is daar een illustratief voorbeeld van. Ernest van der Hallen had het vaak over een droom of sprookje, of dit nu in een oase in de Noord-Afrikaanse woestijn was of onder een boom terwijl hij de geschriften van de middeleeuwse mysticus Jan van Ruusbroec[13] aan het lezen was[14]. Door zich voor te doen als zwerver, wilde hij ‘den toerist uit den weg te blijven’[15]. Julius Evola deed zijn best de ‘romantische subjectivistische pathos’ van de moderne mens te ontkennen, omdat hij zich wou spiegelen aan ‘de traditionele mens’ die eerder reële sensaties beleefde in de natuur. In zijn eigen woorden: ‘we may assume that in traditional man the power of imagination was not merely confined to either the material images […] and subjective images, as in the case of the […] dreams of modern man’[16]. Toch onderging hij regelmatig verwondering in de bergen, waar hij net als Van der Hallen een onbeschrijfelijke nostalgie voelde en een diep verlangen naar het oneindige en het vormeloze koesterde[17]. ‘Is het ten slotte toch nog de eeuwige burger in ons’, leek Van der Hallen toe te geven, ‘die ons drijft naar een andere vorm van sensatie […]?’[18].

P.


[1] KERN, Stephen, The culture of time and space 1880-1918., Harvard University Press, Cambridge, 1983, 179.

[2] Zie: NIETZSCHE, Friedrich, De Vrolijke Wetenschap., Arbeiderspers, Amsterdam, 2007.

[3] EVOLA, Julius, Revolt against the modern world., Inner Traditions, Rochester, 1995, xxxii.

[4] VAN DER HALLEN, Ernest, Brieven aan een jonge vriend., L.V. Tijl, Deurne, 1932, 16.

[5] CAUTER, Lieven de, Archeologie van de kick. Over moderne ervaringshonger. Vantilt, Nijmegen, 2009, 139.

[6] VAN DER HALLEN, Ernest, Cheiks, pelgrims en rabbijnen., Het Spectrum, Utrecht, s.d., 68.

[7] Ibidem, 69.

[8] VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije., Davidsfonds, Leuven, 1941, 76.

[9] VAN DER HALLEN, Ernest, ‘Wat over schoonheid in onze samenleving’, Storm, JG 3, n°11, 1 juni 1921.

[10] EVOLA, Julius, Meditations on the peaks., Inner Traditions, Rochester, 1998, 41.

[11] Archeologie van de kick, 15.

[12] Ibidem, 130.

[13] Jan van Ruusbroec (1293-1381) was een Brabantse priester en kapelaan die in het Middelnederlands mystieke teksten schreef.

[14] VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën., Davidsfonds, Leuven, 1938, 103; AMVC, R 286/B2, Brief van Ernest van der Hallen aan Flor van Reeth op 23 september 1922.

[15] Oost-Zuid-Oost, 5; Tusschen Atlas en Pyreneeën, 115.

[16] Revolt against the modern World, 151.

[17] Meditations on the peaks, 71.

[18] Tusschen Atlas en Pyreneeën, 10.

“Het gevoel hebben het leven te beheersen”

‘Iets maakt de mens, die om welke reden ook in de verlaten eenzaamheid van het tropisch woud of der woestijn verbleven heeft, tot een eeuwig non-conformist; er is iets in hem dat hem plots, dikwijls op de minst gelegen ogenblikken, onttrekt aan de realiteit van zijn arbeid en omgeving, en hem met een dwaas en onbegrijpelijk heimwee vervult om weg te vluchten uit de kleinheid van zijn onbelangrijk leven, naar de verre horizonten waar het hard en bitter is, te leven en te strijden, maar waar de mens immer het gevoelen heeft het leven te beheersen; een bewustzijn, dat de man in de doodgeorganiseerde beschaving van het oude Europa zo schaars gegund is’[1].

De Lierse studentenleider en letterkundige Ernest van der Hallen (1898 – 1948) was diep teleurgesteld in Vlaanderen toen hij eind 1935 met zijn vriend Frans Mertens[2] vertrok op pelgrimsreis: ‘ik heb hier veel achter te laten en veel te vergeten, als God met ons is keren wij niet terug, vooraleer wij rustig zijn en veel vergeten hebben’[3]. De meerdere reizen die hem naar Zuid-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten brachten, leverden reisdagboeken op met een hoog cultuurkritisch gehalte. Zijn vlucht uit Europa bleek een zoektocht naar ruimte en vrijheid te zijn[4]. Te Biskra, een oase in Algerije, lag hij onder de palmbomen met de intentie ‘niet meer op te staan, niet meer te denken, niet meer te voelen, alleen bewegingsloos te blijven tot de avond aantreedt […]’[5]. Daar was het ‘nieuwe, het gave en onbedorvene’ te vinden[6]. De natuur was bij Van der Hallen al langer een centraal element in zijn denken. Het was de antipode van de verderfelijke stad en daarmee ook een bron van zuiverheid. De levensbeheersing die men enkel buiten de stad kon bereiken, meende hij in De aarde roept (1936), was ook het afscheid nemen van de ‘dingen […] die voor de mens in de stad noodzaak geworden zijn’[7]. In de natuur werd de moderne mens gezuiverd van alle overbodige ballast.

P.


[1] VAN DER HALLEN, Ernest, Charles de Foucauld.,  Pro Arte, Diest, 1941, 20.

[2] Frans Mertens (1908-1993) was schilder en tekenaar. Circa 1935 was hij vooral bezig met religieuze thema’s.

[3] BONI, Armand, Ernest van der Hallen (1898-1948). Een silhouet., Davidsfonds, Leuven, 1950, 126.

[4] Charles de Foucauld,  18.

[5] VAN DER HALLEN, Ernest, Tusschen Atlas en Pyreneeën., Davidsfonds, Leuven, 1938, 66.

[6] VAN DER HALLEN, Ernest, Oost-Zuid-Oost. Herinneringen aan Libye, Egypte, Syrië en Turkije., Davidsfonds, Leuven, 1941, 53.

[7] VAN DER HALLEN, Ernest, De aarde roept., Wiek Op, Brugge, 1943, 52.