TEMPESTATIBVS MATVRESCO!

Stormend dansen rond een cirkel van vuur

Tag: De Broers Karamazov

Dostojevski: “Iets al te geheimzinnigs”

Dosto

– Mijn broers richten zichzelf te gronde, vervolgde hij, en mijn vader ook. En ze richten behalve zichzelf ook nog anderen te gronde. Dat is de “aardse kracht der Karamazovs” waar vader Paisi het laatst nog over had, aards en onstuimig, ongepolijst … Zelfs of de geest Gods boven deze kracht zweeft, zou ik niet weten. Ik weet alleen dat ik zelf ook een Karamazov ben … Ik ben een monnik, een monnik? Ben ik een monnik, Lise? Daarnet zei u toch dat ik een monnik was?
– Ja, dat zei ik.
– Misschien geloof ik wel helemaal niet in God.
– U niet geloven, wat is er met u? zei Lise zacht en behoedzaam.

Maar Aljosja gaf geen antwoord. In die al te onverwachte woorden lag iets al te geheimzinnigs en te subjectiefs dat hij misschien zelf ook niet begreep, maar dat hem onmiskenbaar bedrukte.

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De broers Karamazov, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 2005, 268.

Ik kan dat gevoel van Aljosja door en door. Je denkt na over iets en dan valt plots een zinnebeeld vlak voor je ogen. Je taalbegrip is ver ontoereikend om het te communiceren naar een vatbaar begrijpen, maar je wéét instinctief wel waar het in essentie om gaat. Dit gaat veel verder dan de Aha-Erlebnis, dit is waar de intuïtie de plaats van de rede inneemt.

P.

 

Dostojevski: “het geheel hebben ze over het hoofd gezien”

Dostojevski

Houd altijd in gedachten, jongeman, zo viel vader Paisi zonder enige inleiding met de deur in huis, dat de wereldse wetenschap, die zich tot een grote kracht heeft verenigd, in het bijzonder in de afgelopen eeuw, alles heeft onderzocht waarvan in de heilige boeken wordt beweerd dat het uit de hemel komt, en na nietsontziende analyse van de geleerden dezer wereld is er van alles wat vroeger heilige was geen spaan meer over. Maar ze hebben alleen de delen onderzocht, het geheel hebben ze over het hoofd gezien, het is verwonderlijk hoe blind ze daarvoor waren. Terwijl het geheel toch even onwankelbaar voor hun ogen staat als vroeger en de poorten van de hel er geen vat op zullen krijgen. Heeft dat niet al negentien eeuwen standgehouden, en leeft het ook nu niet voort in de afzonderlijke bewegingen der zielen en in de bewegingen der volksmassa’s? Zelfs in de bewegingen der zielen van dezelven, van die alles verwoestende atheïsten leeft ze voort, even onwankelbaar als vroeger!

DOSTOJEVSKI, Fjodor, De broers Karamazov, Amsterdam: Uitgeverij G.A. van Oorschot, 2005, 209.

Acedia

Ik weet dat ik niet weet. Soms wacht ik op iets, en na lang wachten besluit ik het dan niet te doen. Ik weet niet waarom ik dat niet doe, en daarna komt dan het besef dat ik het beter wel had gedaan. Dat is de lelijkheid van het leven in zijn ranzigste vorm: de acedia, de verlamming die zich meester van je maakt en je onmacht genadeloos in je gezicht durft te etaleren. En het is gek dat het helemaal anders is onder bepaalde voorwaarden. Losgemaakt van mijn eigen ketens, weg van de vertrouwde netwerkbakens en alles wat me zekerheid kan bieden, daar voel ik me een koning te rijk. Daar kan ik alles doen wat ik wil, zonder me zorgen te maken over plotse verlammingen die mijn bestaan met betekenisloosheid besmeuren. Dan existeer ik en weet het essentiële aan te raken. Er leeft in mij een enorme lust tot avontuur die ik in mijn dagelijkse bestaan slechts op sporadische momenten mag ervaren. In die maalstroom van de dagelijkse ratrace heerst de zijnsverlamming. Ach, soms wens ik een doldriest Karamazovbestaan. Maar dan doe ik het niet wanneer ik het kan. Waarom is het dagelijkse zo verlammend?

P.

“Wellust werd de worm gegeven!”

Noot: Over twee weken begin ik terug aan De Broers Karamazov. Het zal het vierde jaar zijn dat ik terug aan het boek begin (en zal eindigen). Het is mijn favoriete boek. Een favoriet boek is zoals je dierbaarste geliefde, denk ik soms. Er zijn talloze potjes en dekseltjes, maar toch overtuig je jezelf ervan dat er maar één dekseltje bestaat dat op slechts één potje past. Hetzelfde geldt voor boeken. Het gaat om een aantrekkingskracht die je niet kan verklaren. Hieronder een tekst die misschien wel, misschien niet, een deel van het geheim van mijn aantrekking tot dit magische boek kan ontsluieren.

 ————————————————————–

“En ik ben zo’n worm, broer, dat is speciaal over mij gezegd. En wij, Karamazovs, zijn allemaal net zo, ook in jou, engel, leeft die worm en veroorzaakt stormen in je bloed. Stormen, omdat de wellust een storm is, erger dan een storm!”

De westerse geest staat lijnrecht tegenover de Russische ziel, meent Dostojevski. De gebroeders Karamazov van zijn gelijknamige roman zijn daar een goede illustratie van. Het verhaal vindt plaats in het Russische provinciestadje Skotoprigonjevsk, een universum waar de Rede slechts theoretische nonsens lijkt. Het hoofdverhaal draait rond de moord op de ontaarde en stompzinnige vader Fjodor Pavlovitsj Karamazov, hoewel er onzekerheid heerst over zijn moordenaar. Zijn zoon Dmitri is de hoofdverdachte, die met zijn vader een onenigheid heeft rond een erfenis en een jonge vrouw genaamd Groesjenka. Naast Dmitri (Mitja) wordt ook het bastaardkind annex dienstknecht Smerdjakov in verband gebracht met de moord. Deze werd besmet met het amoralisme van Ivan uit Fjodors tweede huwelijk. Ivan is een raadselachtige, verwarde atheïst die auteur is van ‘de grootinquisiteur van Sevilla’. Daarin sleept hij Jezus voor de inquisitie omdat hij de mensheid met iets onmogelijks heeft opgezadeld, namelijk vrijheid.

Het verhaal culmineert in een rechtbankdrama waarin de begrippen moraal en waarheid zorgvuldig worden behandeld en uiteindelijk een vonnis wordt gesteld. Religie speelt een sleutelrol in het boek, die een stabiliserende factor is en een gemeenschap aan elkaar smeedt. Recente filosofische dwalingen en een groeiend individualisme schudden deze gemeenschap echter stevig door elkaar. Dostojevski laat de eclatante twisten in het provinciestadje afwisselen met gebeurtenissen die zich afspelen in het klooster, dat zich net buiten de stad bevindt. In de beschrijving van het contemplatieve en mystieke leven van ‘Aljosja’ Karamazov, de jongste zoon van de patriarch, en starets Zosima ziet Dostojevski een ideaalbeeld van de verloren harmonie. Maar ook in deze harmonische gemeenschap gebeuren vreemde dingen, die de kosmische orde verstoren.

Het religieuze element moest en zou de ‘goede Russische ziel’ karakteriseren. De ongelovigen doet de personages in het boek belanden in een maalstroom van slecht verwerkte ideeën die hun oorsprong vinden in de West-Europese Verlichting. Zij leiden vooral tot de ondermijning van het traditionele geloof zonder daar een alternatief tegenover te stellen. Daardoor lijkt Dostojevski de tragische zin van het leven te begrijpen door de hand van de wijsheid van het hart en niet door de Rede, dat de waarheidszoekende mens enkel op een dwaalspoor zou zetten. In het boek zijn de atheïsten gemartelde individuen die niet wegraken van de gemeenschap maar er ook niet naar terug kunnen. In de negentiende eeuw bestond de opvatting dat monniken parasieten, genotzoekers, wellustelingen en onbeschaamde vagebonden waren. Dostojevski wist dat dit beeld niet klopte. Zijn jeugd had hij doorgebracht in een diepreligieus huishouden en ieder jaar had hij zijn ouders vergezeld op hun pelgrimstocht naar het Drievuldigheidsklooster van de Heilige Sergius buiten Moskou.

Dostojevski toont duidelijk de complexiteit aan tussen destructieve vader-zoonrelaties, de stormachtige discrepantie tussen westerse en Slavische maatschappijbeelden en atheïsme en het geloof. Hij komt echter niet prekerig over. Het boek is een odyssee waarin hij zijn filosofische vraagstukken uitvoerig uitwerkt, maar op een manier dat de personages zelf op zoek zijn naar de waarheid. Het is deze subtiele zoektocht naar vraag en antwoord die het boek zo bijzonder maakt, omdat de verleiding tot atheïsme zo reëel en overtuigend lijkt alsof Dostojevski zelf een atheïst is geworden.

De latente maatschappijkritiek die Dostojevski levert is subtiel maar krachtig. Zo klaagt hij het westerse rationalisme aan omdat ze geen ruimte overlaat aan de spirituele dimensie. Deze is volgens hem net cruciaal. Voor hem is de Rede niet de hoogste vorm van kennis. Daarom staan figuren zoals Ivan Karamazov en zijn broer Aleksej zo sterk in contrast met elkaar, ondanks hun familiebanden. De ene is compleet het noorden kwijt en de andere wordt door velen bewonderd voor zijn oprechtheid. Door de zwaarmoedige manier van schrijven is het geen gemakkelijk boek om te lezen. Maar het laat een stevige indruk na bij de lezer. Het is een van die literaire meesterwerken die maandenlang blijft nazinderen. Bovendien eindigt het boek met een relatief positieve noot, waarbij de actoren in waardigheid groeien. Ondanks de duistere gedachten die in het boek verschijnen, geloofde Dostojevski dat Rusland ooit haar eigen twijfels en haar eigen onwerkelijkheid zou overstijgen en moreel superieur zou staan tegenover het Westen. Wellicht had hij nooit durven denken dat dit in de vorm van een communistische staat zou zijn.

 

P.

Overheersende vereenzaming.

“’Om de wereld te hervormen moeten de mensen zelf psychisch een andere weg inslaan. Wanneer je zelf ook niet echt ieders broeder wordt, dan zal de broederschap niet aanbreken. […] Iedereen zal vinden dat hij te weinig heeft, mopperen, afgunstig zijn en de anderen naar het leven staan. U vraagt wanneer dat werkelijkheid zal worden. Dat zal werkelijkheid worden, maar eerst moeten we door een periode van menselijke vereenzaming heen’. ‘Wat voor vereenzaming’, vraag ik hem. ‘De vereenzaming die nu overal heerst, vooral in onze eeuw, maar ze is nog niet helemaal definitief, nog is haar tijd niet gekomen. Want een ieder streeft er nu naar zijn persoon zo mogelijk af te scheiden, een ieder wil in zichzelf de volheid van het leven ervaren, maar intussen leiden al zijn inspanningen in de verste verte niet tot de volheid des levens, maar tot regelrechte zelfmoord, want in plaats van te komen tot volheid van inzicht in het eigen wezen geraken zij slechts volledig vereenzaamd. In onze tijd zijn allen namelijk verdeeld in individuen, ieder zondert zich af in zijn hol, ieder mijdt de ander, houdt zich schuil, verbergt zelfs wat hij heeft en eindigt ermee dat hij door de mensen verstoten wordt en zelf de mensen verstoot. In eenzaamheid vergaart hij rijkdom en denkt: nu ben ik sterk en onafhankelijk, maar de dwaas weet niet dat hoe meer rijkdom hij vergaart, des te dieper hij wegzinkt in zelfvernietigende onmacht. Want hij is gewoon geraakt om alleen zichzelf te vertrouwen en zichzelf als een individu van het geheel af te scheiden, hij heeft zijn ziel aangeleerd niet te geloven in menselijke hulp, de mensen en de mensheid, hij siddert enkel bij de gedachte dat hij zijn geld en zijn verworven rechten kan kwijtraken.’”

(DOSTOJEVSKI, Fiodor M., De broers Karamazov, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2005, 369)